Almelo in oude ansichten deel 1

Almelo in oude ansichten deel 1

Auteur
:   Herman Hagens en J. Nieuwerth
Gemeente
:   Almelo
Provincie
:   Overijssel
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-1924-5
Pagina's
:   160
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Almelo in oude ansichten deel 1'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

door

H. Hagens en J. Nieuwerth

Europese Bibliotheek - Zaltbommel MCMLXIX

W~OEN

OEKJE

ISBNlO: 90 288 1924 x ISBN13: 978 90 28819245

© 1969 Europese Bib1iotheek - Zaltbomme1

© 2007 Reproductie van de oorspronke1ijke uitgave van 1969

Niets uit deze uitgave mag worden vervee1voudigd en/of openbaar gemaakt door midde1 van druk, fotokopie, microfihn of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schrifte1ijke toestemming van de uitgever.

Europese Bib1iotheek Postbus 49

5300 AA Zaltbomme1 te1efoon: 0418 513144 fax: 0418 515515

e-mail: pub1isher@eurobib.n1

INLEIDING

"De originele en eerste beginselen van ALMELO kan men met geene seekerheit melden; alsoo deselve van een soo oude oorsprong is, dat de eerste beginselen daarvan ten eenmaal immemoriaal en buy ten aBe bekende Historien zyn".

Deze zinsnede is te lezen in de .Deductie van de Rechten en Gerechtigheden der Heerlijkheid Alme10", een soort verweerschrift uit 1749, waarin de toenmalige heer van Almelo zijn recht, om in Almelo en Vriezenveen O.m. belastingen te heffen, tol en "invoerrechten" te eisen en de rechtspraak uit te oefenen, verdedigt. Meer dan 200 jaren geschiedschrijving en archiefonderzoek hebben ons niet verder gebracht in onze kennis van de ouderdom van Almelo: die is onbekend.

In het jaar 1157 komt de naam Almelo voor het eerst voor, en wel als persoonsnaam: Everhard van Almelo, die de naam overigens wel aan zijn dorp zal hebben ontleend. De heren van Almelo waren altijd zeer zelfstandig ten opzichte van de landsheer van Overijsse1, de bisschop van Utrecht. Gaf deze aan Overijsselse steden hun stadsrechten, Almelo kreeg ze van zijn "eigen" heer, waarschijnlijk aan het eind van de 14de eeuw; in 1420 bevestigde Egbert van Heker, heer van Almelo, deze rechten in een brief.

Almelo lag aan bijna alle kanten omsloten door moeras- en broekgronden: Leemslagen, Wendelgoor,

Dollegoor, Slagen, Bleskolk, Vriezen- (vroeger Almeler-) veen, Wateregge, Brektumerbroek, Bornerbroek, Windmolenbroek enz., alle nog welbekende namen die hierop duiden. Bovendien kreeg (en krijgt) Almelo al het uit de gemeenten Tubbergen en Weerselo, en veel van het uit Enschede, Hengelo en zelfs Haaksbergen afstromende water te verwerken. De talloze beken stroomden naar de stad, waar tot overmaat van ramp de grafelijke watermolens het water opstuwden, zodat de bewoners ten oosten van de stad voortdurend met wateroverlast te kampen hadden. Omstreeks 1500 verloor de heer van Almelo een proces met het klooster Albergen hie rover, maar het moest nog tot 1860 duren, eer in elk geval de watermolens geen last meer konden veroorzaken. Beneden de stad kon het water alleen maar door de laagte tussen Almelo en Wierden en ten zuiden van dit dorp naar de Regge stromen. Dit gebied was dan ook als 't ware een grate plas, waarover een verb in ding werd onderhouden met een veerschip, vanaf de (in 1967 afgebroken) boerderij Veerenhuis ("Veerhuis") in de Aalderinkshoek, naar Wedervoert (= de voort te Wierden). Toen in 1405 een weg werd aangelegd vanuit Salland over Den Ham en Daarle, door de Heerlijkheid Almelo naar Twente, kon deze veerdienst worden opgeheven. Omstreeks 1475 liet Otto van Rechteren, heer van Almelo, de Nieuwe Graven aanleggen

zuidelijk langs Wierden naar de Regge. Hierdoor werd niet alleen de waterafvoer aanzienlijk verbeterd, maar kreeg ook de schipvaart een flinke stimulans. Met Enter en Borne werd ook Almelo een belangrijk centrum van verkeer te water, een traditie, die ze als enige van de drie, in moderne zin tot vandaag voortzet.

Hoewel zeer oude beschrijvingen van Almelo ontbreken, kunnen we ons toch weI enigszins een voorstelling maken van de aanblik van het kleine landelijke, maar nijvere stadje: een lange straat, lopend vanaf de Grote Kerk zuidwaarts naar het stadhuis (de Grootestraat oude eind), in later tijd zuidelijker doorgetrokken tot ongeveer de huidige Hofkampstraat (Grootestraat nieuwe eind); aan weerszijden kleine huizen meest met houten topgevels, enkele grotere met stenen gevels. Nog heel lang hebben zulke huizen aan de Grootestraat gestaan; het laatste, het huis van "Jan in Almelo", op de hoek van de Prinsenstraat, is nog maar enkele jaren geleden afgebroken. Rond het stadhuis was het een en al bedrijvigheid; hier was de koorn- en de botermarkt; hier werden ook de vonnissen voltrokken, waartoe in voorkomende gevallen de schandpaal of zelfs het schavot werd opgesteld. Dan stonden er twee grafelijke watermolens, waar koren gemalen en olie geslagen werd. Neerstortend vanaf de stuw en de raderen, had het water een diepe kolk uitgespoeld die diende als haven, terwijl ook schepen

aanlegden in de nu nog bestaande beek bij de Werf, waar de bedrijvigheid ook niet van de lucht was. Omstreeks 1780 schrijft G. Dumbar, Griffier der Staten van Overijssel, in zijn beschrijving van de Heerlijkheid Almelo en Vriezenveen: .Almelo is tegenwoordig eene open plaats, bestaande uit een zeer lange straat, die zig ten Zuiden en ten Noorden uitstrekt, en uit eenige weinige kleine straatjes, die zijdewaarts aflopen. De huizen, welke in 't midden van deze eeuw gerekend werden omtrent zeshonderd gezinnen te bevatten, en geven haar een fraai en bloeiend aanzien; zowel als het lopend water, waarmede zij op drie plaatsen doorgesneden wordt, en dat agter de huizen omloopt, veel toebrengt tot het gemak van hare linnen-weeverijen". Enige bladzijden verder vervolgt hij:

"De Stedelingen drijven een voordeelige koopmanschap met de omliggende plaatsen van Twente, de Graafschap Bentheim, en een gedeelte van het Stigt van Munster, in olie, traan, tabak en diergelijke waaren: waartoe zij gelegenheid hebben door de gereede schuitevaart op Zwolle, welke tevens eene kostwinning uitlevert voor een goed aantal van schippers, die in de genoemde Stad, ten aanzien van alle goederen welke in eigendom aan Ingezetenen der Heerlijkheid behooren, tolvrijheid genieten. Buiten deze Schippers en de nodige ambagtslieden, leeft het gemeen meestendeels van de linnen-weeverij: en dit heeft niet al-

leen plaats in de Stad, maar ook in het omliggend Landgerigt; dermate, dat men binnen de eene en het andere, reeds in den jare 1753, over de duizend getouwen heeft geteld, welk getal sedert niet zal zijn verminderd."

Veel minder rooskleurig is het beeld, dat in 1785 werd gegeven door de Almelose arts Dr. J. W. Heppe. Hij noemde de weyers .Jevenszukkelaars" en beschreef de stad als voIgt: "Op straat waterpompen met onzuiver, stinkend, brak water; de vele secreten zijn aIle buiten de huizen achter aan de gragten waarin ook gestort worden aIle vuilnis en vuiligheden en wier stinkend water niet anders kan aflopen dan wanneer de sluize wordt geopend. Daarbij zomers veelal de onlijdelijke stank van het rottende vlas in de reute". Binnen de huizen was het niet veel beter: "De weeverswoningen aIle in kleine benauwde huisjes, waarin maar een keuken waar het geheele gezin woont en slaapt, twee of drie aan en op elkander staande bedsteeden. De vloering dier huisjes is van leem of gebakken steen, de weefkamer ligt lager, voorzien van kleine glazen, die zelden geopend worden uit vrees voor droog worden der gaarns en daarin staan twee of drie weefgetouwen en daarin de stank van de zuure rottige sterke brij in deselve".

De huisweverij bleef nog lange tijd in zwang; in 1800 schreef Goldberg, Agent van Nationale Oeconomie

der Bataafsche Republiek in zijn rapport over Almelo "dat de weverijen gebrek aan werkvolk hebben, er thans ook wel 400 stoelen zijn en 6 a 700 weyers voor de fabrieken werken" en "dat het doorgaande dagloon des zomers en's winters is 8 st.".

In 1816 waren er, blijkens een staat, opgemaakt en ondertekend door enige .Koop-Iieden en Fabrikeurs" 35 weverijen voor linnen-, merselje- en servetgoed, met samen 500 arbeiders. De weverij werd dus meer gecentraliseerd, en toen de reiziger Harm Boom, die zijn indrukken neerlegde in "Mijne Reisportefeuille", in 1846 Almelo aandeed, bezocht hij o.m, de "fabrijk der Heeren Hofkens, onder 't vriendelijk geleide der eigenaars, die voor de spinnerijen ongeveer 275, voor de calicots ongeveer 800 Ii 1000 werklieden bezig houden, ... " maar voor de ",belangrijke fabriek der Heeren Bavink en Zoon" werkten 20 arbeiders in de damastweverij, "terwijl er buitenshuis aan 't vervaardigen van servetgoed, linnen, marseille, luijergoed en calicots nog circa 400 arbeiders 't brood verdienden". Harm Boom was een goed waarnemer en verslaggever; dingen die hem niet aanstonden, zette hij rustig in zijn reisverslag. Zo had hij geen goed woord over voor het Gerechtsgebouw en yond hij, dat van de achterbuurten "Schokland in gemeenheid uitrnunt" terwijl de boeren er om hun bedrijfsmethoden ook niet erg gunstig afkwamen. Over de stad schreef hij: "De hui-

zen zijn over 't algemeen net, doch niet hoog, en staan op voetstukken die de nabijheid der Gildehauser steengroeven verklappen. Ze hebben in 't uiterlijke familietrekken, waarvan de ongunstigste op 't voorhoofd liggen, en getuigen van de welvaart harer bewoners."

In 1875 bezocht de Rotterdamse Doopsgezinde predikant J. Craandijk onze stad, twintig jaren nadat de kanaalverbinding met Zwolle tot stand was gekomen. Hij zag de bloei, die Almelo nadien ten deel was gevallen door dit kanaal, "dat zoovee1 goeds gewerkt heeft en nog bij voortduring werkt. Dit kanaal, met de pakhuizen en fabrieken, met de woningen en de villa's aan zijn kaden, met de schepen in zijn haven, geeft aan deze zijde van Almelo een meer Hollandsch dan Twentsch karakter. Hier ligt ook het stationsgebouw; hier verrees in weinige jaren als een nieuwe stad, die weI, als Enschede, den stempel onzer moderne steden draagt, maar ruirner, regelmatiger en veel levendiger is. En in het andere deel van Almelo, - de lange, tamelijk brede hoofdstraat, waarachter enkele zijstraten en achterbuurten zich verbergen, is in de gevels der nette, vaak deftige en aanzienlijke heerenhuizen minder pracht, maar veel meer afwisseling te vinden." Met Craandijk zijn we beland in het tijdperk, waarin de fotografie opgang is gaan maken. Dan verschijnen de eerste prentbriefkaarten en hebben we dus een re-

gelrechte aansluiting op dit boekje .Almelo in oude ansichten", op welke nog menige herinnering aan de boven geschetste economische en sociale toestanden is vastgelegd. De rangschikking der afbeeldingen volgend, maken we als het ware drie "tochten" door Almelo. Eerst bekijken we de Grootestraat met alles wat er dicht ornheen te vinden was. Daarna gaan we in een ruimere cirkel om het oudste stadsgedeelte heen (M arkts traat -V eemarkt -Zagekoele- W ierden sestraa t -S tation en omgeving-Spoorstraat-De Bodden-OranjestraatHuis Almelo) om tenslotte het nu volgebouwde boerenland te bezoeken.

Vooral voor wat de stad betreft, was het in 1936 verschenen boekje "Almelo Vroeger en Thans" van J. Okker een rijke bran van gegevens; terwijl ook het boekje "In en om Almelo" door mr. R. E. Hattink (1903) veel bijzonderhden verschafte. Beide uitgaven zijn thans zeer zeldzaam, zodat overname van gegevens bij de foto's niet overbodig, maar veeleer gewenst leek.

Het selecteren van ongeveer 150 toto's uit een voorraad van vele honderden is een moeilijke zaak; ieder zou het weer anders gedaan hebben. Misschien ligt hierin een aanleiding, voor wie dan ook, eens een werkje samen te stellen van Almelo's stadsgeschiedenis in engere zin, en dan ook aan de hand van het vele afbeeldingenmateriaal, dat nog voorhanden is.

De Kerkstraat in 1915. De Nederlands Hervormde Kerk dateert in zijn huidige vorm uit 1738; alleen het hoge koor is van veel ouder datum. De toren had aanvankelijk een pyramidevorrnige, stompe spits. Naderhand liet de gravin van Almelo, Sophia Juliana van Castell Rudenhausen, na de dood van haar man, de thans aanwezige spits op de toren zetten. Ze deed dit uit heimwee naar haar geboortestreek, Zuid-Duitsland, waar deze vorm veel voorkomt. De melkbus staat voor het 11Uis van slijter Geist, waar nu het "Broekenhuis" is.

Oude huisjes aan 't Hof van Gulick omstreeks de eeuwwisseling. Het zijn zogenaamde wevershuisjes, waar gezinnen werkten, woonden en sliepen, vaak in een en hetzelfde vertrek, sams in 2 of 3 boven elkaar gelegen bedsteden.

Grootestraat Oude Eind, ornstreeks 1890. Rechts op de hoek het hotel-cafe van G. Veerenhuis, later betrokken door Derksen uit Rijssen, daarna door Vredenbrecht. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbouwde Bens het tot het vroeger bekende "Hotel Centraal". Op de plaats van het winkeltje links (met houten gevel) staat thans het pand van Piet Klerkx, daarnaast van Van Buuren. Rechts hiervan het huis van Bendien van de hoge stoep, dat nag niet zolang geleden door brand gedeeltelijk werd vernield.

11

12

Groote Straat Oude Eind. Het tweede huis van reehts, waar nu Sijgers gevestigd is, op de hoek van de Ootmarsgang, was omstreeks 1860 de woning van Almelo's burgemeester, A. M. Dikkers, die ook bankier was en later agent van de Nederlandsehe Bank. Na 1907 woonde er advoeaat H. J. ten Bruggeneate. Later werd het tot R.K. Ziekenhuis ingerieht, daarna tot Diaeonessenhuis. De naam Ootmarsgang stamt van de naam Jan Othmar Coster die er eens eigenaar van was.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek