Ambulances in beeld (1945-1975) / van ziekenwagen tot ambulance

Ambulances in beeld (1945-1975) / van ziekenwagen tot ambulance

Auteur
:   dr K.J.J. Waldeck
Gemeente
:  
Provincie
:  
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-1113-3
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2-3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Ambulances in beeld (1945-1975) / van ziekenwagen tot ambulance'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Inleiding

Ziekenwagens hadden de oorlog overleefd, maar waren nauwelijks meer inzetbaar voor hun taak. In de periode van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog moest het vervoer van zieken en slachtoffers van ongevallen dus ook weer hersteld worden.

De patiënten

De oorlog had ingewikkelde en ingrijpende medicamenteuze (antibiotica bij ernstige infecties) en operatieve (longchirurgie bij tuberculose) behandelingen mogelijk gemaakt. Deze behandelingen konden alleen in het ziekenhuis plaatsvinden. De zieken en gewonden waren meestal al in een slechte conditie als ze naar het ziekenhuis kwamen. Ze moesten daarom liggend worden vervoerd. De ziekenwagen zou daarvoor na de oorlog, ondanks het gebrek aan chassis om deze voertuigen op te bouwen, het aangewezen vervoermiddel worden.

De hulpverlening en de hulpverleners

De hulp aan de patiënten moest zich nog twintig tot vijfentwintig jaar na de oorlog beperken tot het aanleggen van verbanden en spalken en vervoer. Succesvolle levensreddende handelingen, zoals mond-op-mondbeademing en uitwendige hartmassage werden pas aan het eind van de jaren zestig herontdekt.

De bemanning van een ziekenwagen bestond bij de gerenommeerde diensten uit een chauffeur-ziekendrager en een verpleger.

Deze beroepsbeoefenaren waren niet specifiek voor hun taak opgeleid. Veel werd uit ervaring aangeleerd. Buiten de grote steden was het niet ongebruikelijk dat de bemanning uitsluitend uit een chauffeur-ziekendrager bestond, die niet veel meer dan een EHBO-diploma had. Zij hadden hun dagelijks werk meestal als monteur in een garage of als slippendrager bij een begrafenisondernemer. Het kwam ook voor dat de plaatselijke taxichauffeur, bakker of slager een ziekenwagen bemande als dat nodig was. Een dergelijke chauffeur kon niet anders dan de zuurstofkraan, die in het dashboard van de auto was gemonteerd, wat verder opendraaien, als hij de patiënt achterin hoorde kreunen.

De uitrusting en de voertuigen

De uitrusting was tot aan het eind van de jaren zestig zeer sober. Er waren voldoende lakens en dekens aan boord om de patiënt goed te kunnen inpakken. De hulpmiddelen beperkten zich tot een urinaal en een po en wat zandzakjes om langs gebroken ledematen te leggen. Daarnaast bevonden zich aan boord meestal een verbandtrommel voor het aanleggen van verbanden bij opgelopen verwondingen en enkele draadspalken. Tijdens de polio-epidemie in de jaren vijftig verscheen bij de grotere (gemeentelijke) diensten wel een zogenaamde Pulmomaat op de auto om patiënten die een ademverlamming hadden te kunnen beademen. Deze apparatuur was echter ongeschikt om patiënten

met een acute ziekte of een borstletsel na een ongeval te beademen. Eind jaren zestig werden de mond-op-mondbeademing en de uitwendige hartmassage herontdekt. Dit bood nieuwe mogelijkheden voor de hulp aan spoedeisende patiënten buiten het ziekenhuis. Pas na de herontdekking van de mond-op-mondbeademing en de uitwendige hartmassage verschenen afzuigen zuurstofapparaten en nog later meer adequate beademingsapparatuur op de ziekenwagens.

In de eerste jaren na de oorlog waren naast overgebleven vooroorlogse ziekenwagens alleen militaire ziekenwagens, zoals Austins, Fords en Chevrolets, van de geallieerden beschikbaar. Hun chassis werden gebruikt voor de ombouw tot echte burgerziekenwagens. Nadat in 1947 de Marshallhulp op gang kwam, was het mogelijk Amerikaanse personenwagenchassis in te voeren. Nederlandse carrosseriebedrijven, zoals de Gebroeders Visser uit Leeuwarden en Akkermans uit Oud Gastel, bouwden daar unieke ziekenwagenkoetsen op. In de jaren zestig werden zij opgevolgd door min of meer gestandaardiseerde ziekenwagens van Westduitse makelij (Binz uit Lorch en Miesen uit Bonn). De Amerikaanse ziekenwagens konden niet vergeten worden, waardoor voornamelijk Chevrolets met een Nederlandse carrosserie populair bleven.

De organisatie

Tot de jaren zeventig was het ziekenvervoer in handen van de gemeentelijke gezondheidsdiensten, particuliere ondernemers, ziekenhuizen en hier en daar van het Nederlandse Rode Kruis

en EHBO-verenigingen. Van enige structuur was nauwelijks sprake. Iedereen mocht en kon een ziekenwagenbedrijf oprichten. Eisen werden nauwelijks gesteld. Een landelijk alarmnummer bestond niet. Iedere gemeente had zijn eigen nummer, dat niet altijd bemand was. Bij een ongeval kwam soms helemaal geen ziekenauto en soms één uit alle windstreken. Over het vervoer van patiënten werd veel- en zelfs op de plaats van het ongevalgeruzied. De zieke was meer dan eens een lijdend voorwerp, die hoopte levend het ziekenhuis te bereiken.

De ontwikkelingen op het gebied van de spoedeisende hulp bleven bij de overheid niet ongemerkt. Zij nam het initiatief tot de Wet Ambulancevervoer, die in 1971 van kracht werd en in 1976 nog eens herzien werd. Het was een raamwet, die in de loop van de daaropvolgende jaren een aantal uitvoeringsbesluiten zou krijgen, zoals het Eisenbesluit Ambulancevervoer (1976) en het Inventarisbesluit Ambulancevervoer (1978). De ziekenwagen van na de oorlog werd ambulance. De ambulance werd een werkelijk rijdende ziekenkamer, waarin de allernoodzakelijkste handelingen konden worden verricht voordat de patiënt het ziekenhuis bereikte. Er werd weer recht gedaan aan de oorspronkelijke betekenis van het woord ambulance, hetgeen 'hópital ambulante' of rijdend ziekenhuis betekent. Het Eisenbesluit Ambulancevervoer gaf de minimumeisen waaraan een ambulance moest voldoen. Het waren vooral de uitrusting van de ambulance en daarna de kennis en vaardigheden van de ambulancebemanning, die na 1975 sterk zouden verbeteren.

1 Austin K2 Y, 2-ton, 4 x 2 (circa 1942) van het hoofdbestuur van het Nederlandse Rode Kruis. Een groot aantal van deze voormalige Britse legerambulances werd na de Tweede Wereldoorlog aan Nederland geschonken. Deze Austins staan opgesteld in de garage van het hoofdbestuur aan de Fahrenheitstraat, hoek Laan van Meerdervoort in 's-Gravenhage. Vele van deze Austins zouden later van in plaats van legergroen 'vredes' wit gespoten worden.

2 Austin K2 Y, 2-ton, 4 x 2 (circa 1942) van het hoofdbestuur van het Nederlandse Rode Kruis. De oorspronkelijk kanvas deur is vervangen door een vaste deur.

Het kenteken is nu een burgerkenteken van Zuid-Holland. Het rode kruis is nog wel van een klein type. In oorlogstijd bleken grote rode kruizen toch een te mooi doelwit.

3 Austin K2 Y, 2-ton, 4 x 2 (circa 1942) van het hoofdbestuur van het Nederlandse Rode Kruis. In de garage van het hoofdbestuur aan de Fahrenheitstraat, hoek Laan van Meerdervoort in 's-Gravenhage werden de Austins wit gespoten. Ook het rode kruis werd aanzienlijk groter dan in oorlogstijd. Er zou niet meer op geschoten worden.

Het was de bedoeling dat deze Austins werden ingezet bij grootschalige incidenten.

4 Austin K2 Y, 2-ton, 4 x 2 (circa 1942) van het team Rotterdam van het Nederlandse Rode Kruis. Deze Austin heeft zijn kanvas deur nog. Met dit type ambulance konden maximaal vier patiënten vervoerd worden. Dergelijke Austin-ambulances werden door de KLM ook op Schiphol gebruikt.

5 Links: Austin K2 Y, 2-ton,

4 x 2 (circa 1942) van vermoedelijk het Nederlandse Rode Kruis, zoals niet alleen de uitmonstering, maar ook het kenteken doen vermoeden. Deze ambulance werd rond 1948 door de Gebroeders Visser uit Leeuwarden opgebouwd op een chassis van een legerambulance. Ook bij de Arnhemse Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst (G.G. & G.D) heeft

een overeenkomstige Austin gereden.

Rechts: Austin K2 Y, 2-ton,

4 x 2 (1948). Het interieur heeft iets spartaans, dat wordt gecompenseerd door de gemoedelijke glas-in-loodramen met het rode kruis.

6 Chrysler (1948) van de Haagsche Ziekenvervoer Onderneming. Dit bedrijf was eigendom van de broer van de Groningse, maar uit 's-Gravenhage afkomstige, hoogleraar chirurgie Michaël. Het bedrijf was onder andere gevestigd in de Van Aerssenstraat. De brancard werd via de achterklep naar binnen geschoven. Indien er op de brancard een zwangere vrouw lag met een te omvangrijke buik was het niet mogelijk de patiënt via die achterklep naar binnen te schuiven. Overeenkomstige auto's (ook De 50to's) hebben dienst gedaan bij de EPMA (Eerste Particuliere Model Ambulance) in Amsterdam.

7 Ford Fordor (1949) van de firma Vreeling & Troost uit Wolvega, opgebouwd door

de Gebroeders Visser uit Leeuwarden. Het kenteken is uit 195 1. Dit type Ford werd echter gebouwd in 1949 en kon naar Nederland komen als gevolg van de in 1948 gestarte Marshallhulp uit de Verenigde Staten. Het was een strakke, sobere auto nog zonder zwaailichten, spiegels en andere attributen op de buitenkoets.

8 Links: Packard (1949) van het Nederlandse Rode Kruis, vermoedelijk gefotografeerd op de Scheveningse boulevard. De carrosserie was van de Gebroeders Visser uit Leeuwarden. De magistrale neus mocht

nog met een zwaan als ornament getooid worden.

Later werden dergelijke ornamenten verboden, omdat ze bij aanrijdingen met voetgangers en fietsers te gevaarlijk waren.

Rechts: Packard (1949). De brancarddrager is van het type Riemvis, die met grote ronde veren de brancard afveerde. Daarnaast staat een draagstoel.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek