Barger-Compascuum in oude ansichten

Barger-Compascuum in oude ansichten

Auteur
:   F.A. Dijck
Gemeente
:   Emmen
Provincie
:   Drenthe
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4231-1
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Barger-Compascuum in oude ansichten'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

INLEIDING

Door wilskracht en vlijt gedreven en hopend op een vrijer leven. Is hier de eerste Hannoveraan voor honderd jaar van start gegaan.

Wat die man hier heeft volbracht blijft een les voor het nageslacht.

Dit gedicht van H.H. Veringa sr. geeft aan door welke bevolkingsgroep Barger-Compascuum is gesticht. Maar voordat deze gebeurtenis plaatsvond waren hier ruim drie eeuwen aan voorafgegaan, waarin vele verdragen en tractaten zijn gesloten tussen de Republiek der Vereenigde Nederlanden en het bisdom Munster, later het koninkrijk Hannover.

De naam Barger-Compascuum wil zeggen: de gemeenschappelijke weide van de boeren van Noord- en Zuid-Barge en die uit het Duitse Haren en Langen. Het lag middenin het enorme Bourtanger Moeras en daarom duurde het vrij lang voordat hier de grens tussen Nederland en Duitsland definitief werd vastgesteld. Het eerste conflict hierover is uit 1545 en werd beslecht door afgevaardigden van de bisschoppen van Munster en Utrecht. De laatste omdat Drenthe hiervan een leen was. Hierna begon de frequentie van de geschillen toe te nemen, hetgeen de aanleiding werd dat in 171 7 de Staten-Generaal aan ingenieur de la Rive de opdracht gaf, om deze uithoek van het land te gaan verkennen, tijdens welke missie hij het Zwarte Meer ontdekte. Drost en Gedeputeerde Staten van Drenthe gaven daarop aan landmeter Jan Egberts Without de opdracht om deze streek in kaart te brengen. Tijdens de onderhandelingen met Munster, om de juiste grens vast te stellen, eiste Munster dat de rivier de Runde als grens moest worden aanvaard. De Runde was tevens de westgrens van het

Barger-Compascuum. De Republiek daarentegen maakte aanspraak op een gebied tot vierhonderd el ten oosten van het Hebelermeer (nu Duits). Van dit meningsverschil is de huidige rijksgrens het uiteindclijke resultaat, dat in 1765 werd bereikt. De gemeenschappelijke weide bleef gehandhaafd en uit angst voor een inval vanuit het oosten werd het moeras nat gehouden en niet vrijgegeven voor bewoning.

Na 1850 begon de Bargermarke zijn enorme veenvoorraden te verkopen en zo werd ook het Barger-Compascuum te koop aangeboden. De vraagprijs bedroeg f 90.000,-. De gezamenlijke inwoners van het Duitse Swartsenberg besloten om de ongeveer achttienhonderd hectare grote oppervlakte te gaan kopen, maar tijdens de onderhandelingen met hen bleek het door vier kopers, namelijk L.O. Tonckens, mr. C. Hiddingh, jonkheer A.W. van Holthe tot Echten en H. Gosselaar, te zijn gekocht voor f 85.000,~. Deze gang van zaken maakte de verstandhouding met de Duitse grensboeren er niet beter op, met als gevolg dat er opnieuw strubbelingen en vechtpartijen met de Drenten ontstonden. Dit liep zo hoog op dat er in de Tweede Kamer aan de minister van Buitenlandse Zaken werd verzocht om te bemiddelen in het geschil over het Com pascuum met Hannover. De minister voldeed aan dit verzoek. Ondertussen zaten de vier kopers niet stil. Ze lie ten een grote oppervlakte boekweitakkers aanleggen en stichtten in 1861 op de westelijke oever van de Runde het prille begin van het huidige Barger-Compascuum. Hier is dan de eerste Hannoveraan "van start gegaan"!

In het jaar 1866 werd met Hannover een nieuw verdrag gesloten, waarin het weiderecht van hun boeren werd afgekocht. Hiertoe werd langs de gehele grens een strook grond van vierhonderd vijftig hectare aan hen in eigendom afgestaan

en kon het gehele Barger-Cornpascuum voor bewoning worden vrijgegeven, welk feit als stichting van de plaats wordt beschouwd. In datzelfde jaar werd het koninkrijk Hannover door Pruisen opgeslokt. Om verschillende redenen konden velen zich niet met de nieuwe machthebber verenigen en trokken in westelijke richting de grens over, van wie de meesten zich in het Compascuum vestigden en de verbouw van boekweit ter hand namen. Een uiterst sober maar tevreden leven was hun dee!.

Het leven uit die begintijd heeft enkelen van hen ge inspireerd om hun ervaring, in de vorm van een boek, op schrift te steilen zoals: "Kleine Hein", geschreven door G.H. Vocks en "Aan het einde van de wereld", door E.G. van Bolhuis. Van Bolhuis was hier gedurende de Eerste Wereldoorlog schoolhoofd en zijn boek veroorzaakte bij het verschijnen nogal wat deining in "Kerkenveen".

Omstreeks 1914-1918 begon hier ook geleidelijk aan de vervening op gang te komen. Deze was enkele eeuwen eerder vanuit Groningen en Hoogeveen ingezet en beiden von den hun eindpunt in Barger-Cornpascuurn. Ze bracht ook nieuwe elementen aan in de samensteiling van de bevolking. Want waren de eerste bewoners overwegend rooms-katholiek, de vervening bracht personen van uiteenlopende levensopvattingen, in hoofdzaak hervormd. Langzaam maar zeker werd de hoogveenbewoner door de veenafgraving van zijn akkers verdreven om een nieuw, stenen huis op de dalgronden te betrekken. Nu, in 1978, is bijna al het veen afgegraven en het heeft als turf menig Nederlands huis verwarmd.

In 1966 werd door een groep enthousiaste dorpsbewoners het Veenmuseum opgericht. Hier worden de laatste tweehonderd hectare veen gekoesterd als een relikwie uit de beginjaren van

.. 't aole Com pas" . Dit museum trekt jaarlijks vele tienduizenden bezoekers uit binnen- en buitenland. Sinds 1939 maakt ook het buurtschap Klazienaveen-Noord deel uit van BargerCompascuum. Hier zijn de laatste jaren steeds woningen afgebroken zonder dat er weer nieuwe voor in de plaats kwamen, met als gevolg dat het trotse kerkje van dominee De Weerd langzamerhand aileen dreigde te zullen blijven staan. Gelukkig blijkt dat aan de leegloop een eind zal komen. Met het op korte afstand aangeplante Oosterbos en in de rug het Veenmuseum werkt de buurt zich hopelijk uit het dal weer omhoog van waaruit het is gekomen.

Buiten de drie kerken die Barger-Compascuum rijk is, heeft het geen monumentale gebouwen, fabrieken of bedrijven gehad. Vanwege de alom toenemende milieu-verontreiniging is dit achteraf gezien misschien wei een geluk geweest. Zo is dan in een eeuw tijd de bescheiden akker van de boekweitboer uitgegroeid tot een grote vlakte van enkele mammoctbedrijYen, waar met de modernste middelen rationele landbouw wordt bedreven.

Maar soms heeft de mens de behoefte om eens terug te kijken in het verleden, waarbij deze oude en soms verfomfaaide foro's toe willen bijdragen en aan de hand waarvan we een indruk kunnen krijgen hoe het er voor een halve eeuw in ,,'t aole Com pas" uit zag.

We zuilen geen namen noemen, want we zullen zeker de fout begaan om iemand te vergeten, die misschien een kleine maar toch uiterst belangrijke bijdrage heeft verleend aan het totstandkomen van dit boekje. Daarom ieder, die ook maar de geringste medewerking heeft gegeven, onze hartelijke dank.

1. We beginnen bij de molen aan de Postweg, aehter het huis dat nu door G.H. Lubbers wordt bewoond. De molen werd in 1876 gebouwd voor Jan Westen en ging in 1883 over naar J.B. Wilken. Nadat de wieken vanaf 1936 hun werk voorgoed had den gestaakt, werd in het oorlogsjaar 1943 de tot bouwval geworden molen gesloopt. In het grote huis met bakkerij hebben vele bakkers hun ambaeht uitgeoefend. Het geheel brandde bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, in 1914, tot de grond toe af. Op deze van 1900 daterende foto zien we uiterst links de mulder met zijn kneeht. Van het middelste groepje moet de linker persoon pastoor Boermans zijn, dan de familie Eilering en uiterst reehts post bode Hermelink, die in het huisje woonde dat reehts nog is te zien.

2. Deze tekening van "meester" Kuis is het enige waardoor we ons nog een beeld kunnen scheppen van de bijna legendarische dorpsherberg van Jan Berend Wilken. Het linker gedeelte was de boerderij, via het klompenhok kwam men in de gelagkamer en de deur in het midden gaf toegang tot de winkel. Links van het huis stond de nu nog aanwezige schuur, die in 1873 en 1874 als noodkerk voor de rooms-katholieke eredienst werd gebruikt. In 1921 brandde de herberg tot de grond toe af. Op de oude fundamenten werd een nieuw cafe gebouwd, dat inmiddels ook al is verdwenen.

3. We slaan bij Wilken linksaf en lopen door het Pastoorsbos naar het houten rooms-katholieke kerkje op het veen. In dit bos, met zijn bomen, struiken en planten in vele soorten, genoot een grote concentratie van de moeras-rozemarijn grote bekendheid bij vele wetenschappers. Deze struik komt, voor zover bekend, in geheel ons land nu niet meer in het wild voor. Op deze van 1902 daterende foto zien we de kerk met pastorie. Het geheel werd in 1874 door de broers Willem en Harm Groninger gebouwd. In het binnenvallende zonlicht is nog juist het altaar te zien.

4. Het lukte niet om alle namen te achterhalen van deze kinderen, die hier in 1902 met meester Beekhuis voor de eerste, houten school "op het portret" zijn gekomen. De namen die we kennen zijn, van links naar rechts, op de eerste rij: nummer 4. Hendrik Zwake, 5. Berend Wosten, 6. Hendrik Wehkamp en 7. Herman Wosten, Tweede rij: 1. Lena Zwake en 4. Engeltje Wosten. Derde rij: 1. Griet Alers, 3. Marie Heller, 4. Griet Wilken, 5. Sientje Hake, 6. Marie Berends, 7. Tecla Hartmann en meester Beekhuis. Bovenste rij: 2. Heinrich Berends, 3. Hendrik Scholte-Albers, 4. Catrien Zwake en 6. Leida Zwake. Dat het beroep van onderwijzer toen ook wel zijn schaduwzijde had, bleek doordat Beekhuis eens van een van zijn leerlingen een messteek in zijn zitvlak kreeg!

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek