Beekbergen in oude ansichten deel 2

Beekbergen in oude ansichten deel 2

Auteur
:   G.B. Wolters
Gemeente
:   Apeldoorn
Provincie
:   Gelderland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-1655-8
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Beekbergen in oude ansichten deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

IN LEIDING

Waren in het eerste deeltje van deze serie de afbeeldingen en de toelichtingen hoofdzakelijk op het dorp Beekbergen gericht, in dit tweede deeltje willen we wat meer aandacht schenken aan de omliggende buurtschappen. We bepalen ons tot de periode tussen 1850 en 1935. Tot de buurtschappen behoren: Engeland, Lieren, Oosterhuizen en Amerika.

Engeland: De buurtschap Engeland is weI heel oud, maar van een dichte bewoning was nooit sprake. Grenzend aan het dorp, bij de enken, stond een grote, oude hoeve, die tevens herberg was en bekendheid genoot onder de naam "Het Roode Hert". De bodem was onvruchtbaar en er was weinig of geen goed water. Engeland ontleent zijn bekendheid voornamelijk aan het Engelanderholt en aan het Sprengengebied. Over het Engelanderholt met het "Herenhul" wordt reeds in het jaar 1227 gerept. Daar werd de rechtspraak uitgeoefend in de "Hoge Bank" of "Klaring". Hieraan is een uitgebreide geschiedenis verbonden en er bestaan talrijke publikaties over. Een ander gedeelte van de buurtschap Engeland geniet een reputatie vanwege het unieke "sprengengebied". Hier haalden de molenstichters eeuwen geleden reeds de benodigde energie vandaan voor hun watermolens (voornamelijk koren- en papiermolens). Men vindt in dit gebied ettelijke zogenaamde sprengenkoppen, gegraven waterputten, die de molenbeken van voldoende water voorzien. Ook voor de voeding van het kanaal Apeldoorn-Dieren wordt het sprengenwater benut.

In latere jaren kwamen er in deze buurtschap wat kleine boerderijtjes bij doordat men in staat was wat heidevelden te ontginnen, maar een volledig bestaan konden deze bedrijfjes niet opleveren. De bewoners waren op allerlei nevenverdiensten aangewezen.

De enken: Het enkenland (vanouds de bouwlanden) ligt niet alleen als een ring om de woongebieden heen, maar vormt ook hier en daar de scheiding tussen die woonkernen onderling. Behalve de Engelanderenk, kennen we de Lierder- en de Oosterhuizerenk. Dit enkenland is al heel oud en stukje bij beetje door de boerenbevolking op de woeste gronden veroverd en gecultiveerd. In feite waren vroeger alle bewoners, zowel die in het dorp als in de buurtschappen, min of meer boer, want de opbrengsten van hun grond vormden toch de basis van hun bestaan. De oude behuizing van het dorp bestond bijna geheel uit boerderijen, die kris kras aan of langs de dorpsweg stonden. Daar de schapenhouderij een belangrijke bron van inkomsten betekende en de mest van deze dieren onmisbaar was voor de humusarme akkers, stonden er veel schaapskooien, zowel in het dorpscentrum als in de buurtschappen.

De enken waren - indien mogelijk en nodig - door enkwallen omgeven. Deze waren soms vrij hoog en doorgaans met eikehakhout bezet. De wallen dienden om de erosie te beteugelen, om de grenzen te bepalen en om het wild zoveel mogelijk buiten de akkers te houden. Buiten deze enkwallen lagen de zogenaamde gemene velden (= gemeenschappelijke gronden), bestaande uit heide met opslag, hakhout, bos en zandverstuivingen. Dit gemeenschappelijk grondbezit was beter bekend onder de naam markegronden, waarop de plaatselijke bevolking rechten kon laten gelden indien zij als geerfden te boek stonden. Deze marken hadden een eigen bestuur en ook een eigen rechtspraak. Het zou te ver voeren om de verdere geschiedenis van de marken uiteen te zetten, te meer daar er over dit onderwerp al zoveel geschreven en gepubliceerd is.

De schapenhouderij: Zoals reeds gezegd was de schapen-

houderij een belangrijk bestaansmiddeJ. Om de schapen vanuit hun kooien naar de gemeenschappelijke gronden te kunnen drijven, had men hier en daar openingen in de enkwallen uitgespaard, waardoor de heidevelden zonder aI te veel omwegen konden worden bereikt. Die openingen werden "driften" genoemd. De Lierderdrift is daar heden ten dage nog een sprekend voorbeeld van.

De woonerven: De oude woonerven zijn nog herkenbaar in Lieren (aan de Lierderstraat en de Molenvaart alsmede in de Krommehoek) en in Oosterhuizen. Hoewel thans vele van de oude hoeven niet meer als boerderij worden gebruikt, kan toch de oude bouwtrant er nog in terugvinden, ook aI heeft men toch de oude bouwtrant er nog in terugvinden, ook al heeft men allerlei verbouwingen en moderniseringen uitgevoerd om er een soort burgerwoning van te maken. De Saksische hoeven blijven kenbaar aan hun lage zijgevels, hun grote daken, met aan de vo or- en achterzijde de wolfskap, de uit baanderdeuren in de achtergevel en de draaibare luiken. Ze staan bijna altijd met de stalzijde naar de weg toe gekeerd.

De redenen om de boerderijen in groepen bij elkaar te bouwen waren vele. De voornaamste waren wei de veiligheid en de onderlinge hulpverlening. Vanaf de woonerven liepen er talrijke weggetjes naar de akkers in de enken. Meestal waren dit gewone karwegen met diepe sporen. De omvang van de boerderijen qua oppervlakte cultuurgrond was maar zeer gering. Men beschikte nog niet over produktieve graslanden en men moest het in hoofdzaak van de bouwlanden hebben. In de buurt van de boerderijen waren wei perceeltjes grasland, maar deze lie ten geen rundveehouderij van enige betekenis toe. Beter werd het toen de kunstmest ter beschikking kwam en de afwatering van de landerijen verbeterd werd.

De ontginning van het natuurbos "Ret Beekbergerwoud"

rond 1870 gaf min of meer de stoot tot de verbetering van de graslanden "over het kanaal". Geleidelijk aan werden de matig vruchtbare "wilde weilanden" door een betere bemesting en verpleging omgezet tot produktieve kavels, waar niet aileen een goede beweiding, maar ook een goede hooiwinning mogelijk werd. Als gevolg hiervan konden de boeren wat meer koeien gaan houden. Daardoor daalde de betekenis van de schapenhouderij. Verder begon het landbouwonderwijs zich te ontwikkelen en kwam een meer doelgerichte veeverbetering van de grond. Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog richtten de landbouwers een aan- en verkoopcooperatie op en waren er inmiddels melkfabrieken ontstaan, die het dagelijkse karnen op de boerderij overbodig maakten. Kortom, de landbouw was flink in opmars en de bestaansbasis in de landbouw verbreedde zich. Toch was in deze streken een veehouder met acht melkkoeien in die dagen al min ofmeer een grote boer. Door de komst van de kunstmest waren de teeltmogelijkheden in de enken ook veel ruimer geworden. De ouderwetse "kruiprogge" (een landras met zeer matige opbrengst) werd bijvoorbeeld vervangen door de veel produktievere Petkuser. De spurrie maakte plaats voor de stoppelkno!. De boekweit verdween helemaal van het toneel.

Daar de organisehe mest vooral voor de lichte enkgronden van grote betekenis was en de schapenhouderij sterk terugliep, stalde men de koeien 's nachts op in de toen nog gebruikelijke potsta!. Deze stal bleef tot ongeveer 1920 in zwang en werd toen geleidelijk aan door de grupstal vervangen. De koeien werden dan overdag naar en van de weilanden begeleid, hetgeen meestal het werk van de wat oudere jeugd was. De dieren liepen los over de weg tot zelfs over het kanaal toe, want daar lagen de meeste graslanden. Sommige gemeentewegen, zoals bijvoorbeeld de Lierderstraat en de

Molenvaart, werden van een laag leem met grind voorzien en dan was er sprake van een "verharde weg". Naast eigendom hadden de boeren veelal ook nog pachtgronden.

Lieren en Oosterhuizen moeten al wel heel oud zijn, want reeds in het jaar 1295 was er al een korenmolen "in de buurtschap Voshuizen". Deze was eigendom van de Gelderse graven en de boeren waren verplicht om uitsluitend daar hun koren te laten malen. Daarom heette zo'n molen dan ook een "dwangmolen". De molen was in latere jaren beter bekend onder de naam "Gasthuismolen" en lag aan de Molenvaart bij de Beekbergerbeek.

Buurtschap Amerika: Deze wijkt opvallend af van de hiervoor beschreven buurtschappen omdat er geen woonkernen zijn en het gebied ook veel jonger is. De grond was er weinig vruchtbaar, er stond veel heide en er waren veenachtige plekken, waar zelfs nog turf gestoken werd. Er stonden niet veel huizen, slechts hier en daar een kleine boerderij of een sobere woning. De bewoners vonden een bestaan in bosarbeid en later ook in de Apeldoornse industrieen (papierfabrieken, wasserijen, enzovoort).

De boerderijen in het dorp: Wie zich verdiept in de oude prenten van het dorp ontdekt nogal wat oude boerderijen, met name in de Dorpsstraat. Vroeger waren ook de dorpsbewoners op de landbouw aangewezen. Hun landerijen grensden aan het dorp en lagen nabij de Hietveldweg, in "Den Haagen", langs het Hogepad en in Engeland. Op een enkele uitzondering na waren het maar kleine bedrijfjes. Daarom had men ook allerlei vormen van nevenverdiensten, zoals winkelier, ambachtsman, kastelein, handelaar, huisslachter, enzovoort. Geleidelijk aan vormde zich een middenstand, die ook de bewoners van de buurtschappen tot hun klantenkring kon rekenen. Maar naarmate de buurtschappen zich ontwikkel-

den, kwamen daar ook winkeltjes en werd het ambacht ter hand genom en, vaak in combinatie met het boerenwerk. Ook kwamen Apeldoornse zakenlui naar dorpskern en buurtschappen om hun waren aan de man te brengen.

Tussen de boerderijen aan en bij de Dorpsstraat werden in de loop der jaren burgerhuizen gebouwd. Soms kwamen deze in de plaats van de oude hoeven. Op oude topografische kaarten zien we de bebouwing hoofdzakelijk tussen "de Smitten berg en de Papenberg", dus min ofmeer rondom de kerk. Behalve de bescheiden woonhuisjes kwamen er enkele villa's, zoals "Groot-Papenberg", "Klein-Papenberg", het "Heethuijs" en "Zonnevang".

Pensions: Een belangrijke bijverdienste vormde vroeger "het houden van pension". Hiervoor werden vaak niet of weinig gebruikte kamers benut om in de zomerrnaanden de gasten te kunnen herbergen. Als vakantieplaats had Beekbergen toen een zeer goede naam en waren het vaak goed gesitueerde stedelingen die hier van de natuur en de rust kwamen genieten. Na de jaren dertig kwam hier verandering in en verdwenen de pensions. De kampeerbedrijven waren in opkomst en hierdoor veranderde het recreatiepatroon. Genoemde bedrijYen vestigden zich voornamelijk in de omliggende boscornplexen.

Instellingen: Tussen het dorp en de buurtschap Lieren kocht de Vereniging tot Stichting van Arbeidskolonies in 1892 een boerderij van de familie Bresser. Omdat deze hoeve vanouds al de naam "Het Hoogeland" droeg, handhaafde men die. Zodoende werd deze stichting een begrip voor het dorp. En omstreeks 1912 was het jonkvrouwe Hartsen die zich hier vestigde en de villa "Groot-Pap en berg" had aangekocht ten behoeve van haar filantropische arbeid. Zij veranderde de naam in "Uniehuis" en weer later in "Zarfath". In de loop

der jaren verwierf genoemde freule nog vele andere panden in het dorp en liet ze enkele nieuwe huizen alsmede een grate dependance, "Het Hietveld", bouwen. Opmerkelijk is het dat de freule ook eigenaresse werd van de oude herberg "De Gouden Leeuw", Ze liet dit van 1677 daterende gebouw (dat de vorm van een grate boerderij had) slop en om er een "Geheelonthouderskoffiehuis" voor in de plaats te zetten (1914).

In het begin van deze eeuw kwam er aan de Loenenseweg in de bossen een herstellingsoord voor tbc-patienten. Dit "sanatorium" had nauwe relaties met de stad Rotterdam. Niet ver vanaf dit sanatorium bouwde men het "Traelstra-oord", waarvan de naam aan een van de voormannen van de teenmalige SDAP herinnert. Het grote gebouw werd in 1957 door brand verwoest, maar werd herbouwd.

Landgoederen: Ten tijde van de opheffing van de marken (Marken wet van 1886) waren er nogal wat kapitaalkrachtige personen en instellingen die complexen woeste grand aankoch ten. Een van de eerste en ook bekendste was de heer B. van Spreekens te Velp, die het natuurbos "Het Beekbergerwoud" in 1869 van de Lierdermark kocht en de ongeveer 180 hectare liet ontginnen ten behoeve van het stich ten van een landbouwbedrijf.

Rond 1905 was het jonkheer Teixeira de Mattos uit Amsterdam die van de Speldermark het bijna 800 bunder omvattende "Grote Zand" aankocht om - zoals hij dat omschreef "van een woestenij een lusthof te maken". Er kwam een groot landhuis met diverse bijgebouwen, omgeven door een park. Het geheel kreeg de naam "Het Spelderholt".

Stichters van andere landgoederen waren onder anderen: dr. J. Ooster ("Bruggelen"), J. ten Sijthoff ("Dennenheuvel"), Jongeboer ("Rauwenhul"), Dolk ("Het Zandbos") en Schermer ("De Munsterman"). Een rnini-landgoed ontstond om-

streeks 1890 op een heideveld nabij het kanaal ApeldoomDieren in de buurt van de Bruggelerbrug. Het werd gesticht door de schrijver-schilder Jacob Winkler Prins en hij noemde het "Idylle".

Door het ontstaan van al deze landgoederen kwam er voor de plaatselijke bevolking wat werkgelegenheid. Vooral daar waar veel bos werd aangeplant.

Ontsluiting: In 1887 werd Beekbergen ontsloten door de aanleg van het .Jokaalspoor van koning Willem III", tussen Apeldoom en Dieren. Dit had een gunstige invloed op de ontwikkeling van het dorp en de omgeving. Ook in het goederenvervoer speelde het stationnetje een rol, zoals bij de transporten van het hout voor de Limburgse mijnen en bij de aanvoer van landbouwbenodigdheden voor de cooperatieve landbouwvereniging te Lieren.

Het kanaal van Apeldoorn naar Dieren werd in 1868 geopend en zolang de spoorlijn er nog niet was, kwamen er gebruiksgoederen voor de landbouw en brandstoffen per vaartuig naar de loswal bij de Woudwegbrug. Het dorp had al een verbindingsweg met Arnhem en Apeldoorn door mid del van de omstreeks 1830 aangelegde straatweg. Per diligence kon men van Beekbergen naar Apeldoorn of naar Arnhem. Een bekende stopplaats was "De Smittenberg".

Moge deze summiere inleiding de lezer wat informatie geven bij het bekijken van de afbeeldingen in dit boekje. En wat de groepfoto's aangaat luidt onze vraag:

Kent u ze nog?

Beekbergen, 30 september 1981

G.B. Wolters

1. Om een overzichtelijk p1aatje van het eerste gedeelte van de Dorpsstraat te kunnen maken, klorn de fotograaf op het dak van "De Smittenberg". Grenzend aan de straat ligt de boerderij van de familie Woudenberg, die afgebroken werd ten behoeve van de nieuwbouw en de aanleg van de Libellestraat. De foto is uit 1925 of daaromtrent.

2. Hoe landelijk het dorp vroeger was toont deze opname. Vanaf de Hietveldweg kijkt men aldus op een deel van het akkerland, dat men zowel tussen de huizen onderling als erachter kon vinden. Rechts het oude dorpsschooltje met daarnaast het brandspuithuisje. Op de akker links staat veld wachter Nieuwenhuis.

3. Een bekend dorpsbeeld van voorheen. Links het winkeltje van mevrouw De Grip-Blorn, beter bekend als "Zwaantje Blom". Haar twee dochtertjes staan bij de weg. Het tweede huis is van veld wachter Nieuwenhuis. Achter in de straat is de timmerwerkplaats van Gijsbert van Tongeren. Rechts de voorgevel van de oude boerderij van Woudenberg en het postkantoortje (later de woning van H. van Tongeren).

,

I ?

- r -;:.. ??

--~" ..-

""":. ' ..

.G'.

4. De pastorietuin omstreeks 1900. Deze winteropname laat ons zien dat de grote tuin maar voor een klein gedeelte in gebruik is als rnoestuin. De vruchtbomen zijn nog heel jong. Mooi is het doorzicht op de koorzijde van de kerk. Ret tuinpad voert naar de Papenberg. Wie de dame met het keeshondje is weten we niet.

Groet uit BEEKBERGEr-i.

5. De villa op de hoek van de Dorpsstraat en de Kerkweg, die in de tweede helft van de jaren zeventig werd gesloopt. Vele jaren was het een dependance van het "Uniehuis". Later was het onder meer doktershuis, hotel-restaurant en ten slotte bejaardenhuis. Ook de mooi aangelegde tuin met de oude treurbeuk moest verdwijnen, tot schade van het dorpsbeeld.

6. De Dorpsstraat omstreeks 1925, toen de gebroeders Wilbrink een winkel met woonhuis had den laten bouwen. Ret was een zaak in ijzerwaren (annex autoverhuur en benzinepomp). Daarnaast het schoenenmagazijn van Evert Blom. Achter de beukebomen de brandstoffenhandel van Jansen van Doorn.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek