Bergen op Zoom in oude ansichten deel 1

Bergen op Zoom in oude ansichten deel 1

Auteur
:   J.H. van Mosselveld
Gemeente
:   Bergen op Zoom
Provincie
:   Noord-Brabant
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-3335-7
Pagina's
:   160
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Bergen op Zoom in oude ansichten deel 1'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

VERANTWOORDING

Wanneer van een boekje als dit wordt verwacht, dat het een beeld geeft van Bergen op Zoom in grootvaders tijd, is het geen eenvoudige zaak iedereen tevreden te stellen. Er zijn nu eenmaal oude en jonge grootvaders.

Als we voor de oudste beelden dan nog iets verder teruggrijpen in de stedelijke geschiedenis dan de visueIe herinnering van zelfs de oudste levende generatie Bergenaren reikt, nl. tot het jaar 1867, moet daarvoor weI een speciale reden zijn. En die is er dan ook, want van 16 januari van dat jaar dateert de wet, waarbij de vesting Bergen op Zoom werd opgeheven. Die wet betekende voor de gemeente Bergen op Zoornhet beginpunt van een geheel nieuwe fase in haar ontwikkeling. Dank zij het feit, dat van rond dat jaar enkele unieke foto's bewaard gebleven zijn, is het mogelijk hier een indruk te geven van de toen nog geheel door zware vestingwerken omringde stad even voordat de grate vera~deringen, die een gevolg waren van die wet, zich gmgen voltrekken. Met het jaar 1867 als uitgangspunt hebben we getracht Bergen op Zoom te laten zien, zoals het was en werd in een tijdsbestek van ruim vijftig jaren.

Genoemde wet en de daaruit voortgevloeide rnaatregelen om de vesting te ontmantelen schiepen nieuwe groeikansen voor de stad, die sedert de middeleeuwen geen uitbreidingsmogelijkheid meer had gekend. De plattegrond was sedertdien nauwelijks meer gewijzigd.

Was de stad toen door een muur met daarin een aantal poorten en door een gracht omsloten, later kwam daar een steeds uitgebreider vestingsstelsel voor in de plaats, dat in de eerste helft van de achttiende eeuw zijn grootste omvang en sterkte bereikte. Voor de omstreeks 1700 begonnen herziening en vernieuwing van de verdedigingswerken had de befaamde vestingbouwer Menno van Coehoorn de plannen gemaakt. Bergen op Zoom werd zelfs diens meest vermaarde schepping. Het door hem ontworpen vestingstelsel was in 1867 nog nagenoeg geheel intact, doch aan het strategisch be lang van dit soort verdedigingswerken werd rond het midden van de vorige eeuw vrijwel geen waarde meer gehecht. Dat deed de regering in 1867 tot de opheffing van een aantal vestingen besluiten, waaronder Bergen op Zoom.

Het gemeentebestuur, dat aan die besluitvorming niet te pas was gekomen, was uiteraard bijzonder geinteresseerd in wat er met de vrijkomende gronden zou gaan gebeuren. Het deed verschillende pogingen om in de ontmantelingsplannen te worden gekend. Toen een half jaar na de publicatie van de wet in de Staatscourant nog steeds geen antwoord op de verschillende brieven was ontvangen, wees in de gemeenteraad het lid L. A. van Dijk (bierbrouwer) op de noodzaak, dat de gemeente eigenaresse werd van de vestinggronden "die haar tot heden als een keurslijf omsluiten en beletten om hare hulpbronnen al meer en meer te ontwikkelen

en uit te breiden", Op zijn voorstel werd nu een verzoekschrift aan de koning gericht, waarin te kennen gegeven werd, dat er voor de gemeente alles aan gelegen was, dat de vestingwerken niet in de open bare verkoop werden gebracht, doch aan de gemeente in eigendom werden overgegeven.

Of schoon voor de aarzelend op gang gekomen industrievestiging nog wei open terreinen binnen de vesting gevonden werden, was het inwonertal - na omstreeks het midden van de negentiende eeuw een dieptepunt te zijn gepasseerd - voortdurend gestegen en nam het tussen 1860 (7481 inw.) en 1870 (9706 inw.) met bijna 30% toe. Het zag er naar uit, dat de stad binnen afzienbare tijd uit haar vestinggordel zou barsten, De vestingwerken waren intussen door de minister van 001'log overgedragen aan de onder zijn coli ega van Financien ressorterende Dienst van de Domeinen.

Het gemeentebestuur stond bijzonder op de bres voor de' handhaving van de watertoevoer en -afvoer in de Zoom, het Pielekenswater en de vestinggrachten,terwijl het tevens bepaalde terreinen van het Rijk wenste over te nemen voor de bouw van enkele scholen. Die scholen zouden later worden gebouwd aan de rand van de oude stad op de toen inmiddels geslechte vestingwerken. De openbare lagere school aan de Noordsingel kwam gereed in 1873, die aan de Coehoornstraat en die aan de Van de Rijtstraat in J 882 en de RijksH .B.S. aan de Burgemeester StuJemeijerlaan in 1885.

Dit waren allen nieuw aangelegde wegen.

Of schoon ook het verzoekschrift aan de koning onbeantwoord bleef, kwam het gewenste overleg einde 1867 op gang. De Genie nam toen contact op met het gemeentebestuur in verband met de door die dienst ontworpen nieuwe toegangswegen bij de Wouwse-, de Antwerpse- en de Steenbergse poort. Het gerneentebestuur gaf toen de wens te kennen om ook in het verlengde van de Huijbergsestraat een toegangsweg te krijgen in de richting van de spoorwegovergang bij de BaIse baan. Dat zou de Burgemeester van Hasseltstraat worden.

De taak van de Genie met betrekking tot de ontmanteling van de vesting werd kort daarna overgenomen door een speciaal daarvoor door de minister van Financien aangewezen man, ingenieur Frederik Willem van Gendt. Voor de met hem sedert 1868 geregeld plaatsvindende onderhandelingen werd door de gerneenteraad een bijzondere raadscommissie aan het college van burgemeester en we thou ders toegevoegd.

De sloping van de vestingwerken voltrok zich in een periode van ruim twintig jaar. Het was een titanenarbeid, waarbij vele duizenden kubieke meters grand verzet en gemetselde vestingmuren gesloopt moesten worden. Met de afkomende stenen werden heel wat nieuwe huizen vrij goedkoop gebouwd.

Het eerst werden de toegangswegen tot de stad onder-

hand en genomen. Vervolgens kwamen de overige ravelijnen, bastions, tenailles en lunetten langs de zuidkant en bij de haven aan de beurt. Het natte no orderfront bleef tot het laatste bewaard, omdat de demping van de vestinggracht daar een omleiding van de moervaart, de Zoom, noodzakelijk maakte. Met die omleiding, de Zoom tussen het huidige Volkspark en de Oosterschelde, werd in 1885 een begin gemaakt.

Op de geslechte wallen en de gedempte grachten werd een stratenplan ontworpen door de met de ontmanteling van de vesting belaste ingenieur, de reeds genoemde F. W. van Gendt. Tegen de vaak bekrompen opvattingen van het toenmalige gemeentebestuur in verdedigde hij de aanleg van ruime, brede straten en dubbele rijwegen, gescheiden door plantsoenstroken of boombeplanting. Geruggesteund door de minister van Financien - het Rijk was immers eigenaar van de vrijkomende gronden - heeft hij zijn van visie getuigende planologische opvattingen kunnen realiseren. Daarmee ontstond het eerste uitbreidingsplan van de stad dat zo bijzonder goed aansloot bij het bestaande stratenpatroon.

De aan de nieuwe wegen gelegen bouwgronden werden door het Rijk etappesgewijze geveild, de laatste - die aan de noordzijde van de stad bij het Bolwerk - eerst in 1925. De minister stelde op advies van Van Gendt ook eisen ten aanzien van de aard en de hoogte van de bebouwing langs de verschillende nieuwe wegen.

De wegen zelf werden vrij spoedig aan de stad overgedragen. De voornaamste kregen een keibestrating, andere hebben het vrij lang met een sintelverharding moe ten doen.

Een belangrijk initiatief van de stad zelf was de aanleg van het Volkspark op het glacis bij de voormalige Wouwse poort, waarvoor aan de bekende Leuvense tuinarchitect Lieven Rosseels opdracht gegeven werd.

Behalve door Van Gendt werd het nieuwe gezicht van Bergen op Zoom in die laatste decennia van de vorige eeuw in niet mindere mate bepaald door architect C. P. van Genk, Bergenaar van origine, die zijn bouwkundige opleiding in Antwerpen genoten had. Talrijk waren de gebouwen - scholen, woonhuizen, winkels doch ook het A.B.G. en Thalia - die naar zijn ontwerpen tot stand kwarnen, niet aileen langs de nieuw aangelegde straten maar ook in de oude binnenstad, die onder invloed van de algehele economische opleving als het ware een face-lifting onderging.

I n de vijftig jaar volgend op het ontmantelingsbesluit verdubbelde het aan tal inwoners van de gemeente ruimschoots (in 1920 19.558). Op de vrijgekomen vestinggronden rondom de oude stad, vooral die aan de zuid- en oostzijde, ontstonden nieuwe woonwijken, die eigen parochies gingen vormen: in 1906 de St.Jozefparochie aanvankelijk met een hulpkerk aan de St.-Jozefstraat, in 1913 met het definitieve kerkgebouw op de huidige plaats; in 1906 ook de Martelaren-

kerk aan het Bolwerk; in 1917 de O.L. Vrouw van Lourdeskerk op het Fort. Nieuw-Borgvliet was reeds in 1864 van de tot dan onverdeelde parochie Bergen op Zoom afgesplitst.

In de omgeving van de haven, doch ook elders in de stad werden nieuwe fabrieken gebouwd. We noemen in dit verband speciaal de beetwortelsuikerfabrieken van resp. Wittouck (in 1862 gesticht aan de Haven, later overgegaan aan de Cooperatieve Suikerfabriek Zeeland), van Van der Linden & Co (gesticht in 1870 achter het Groot Arsenaal, thans Centrale Potasraffinaderij), van de firma Laane, Rogier, Daverveldt & Co (gesticht in 1870 aan de Bredase straat) en de Maltoserie (gesticht in t 886 aan de Haven, doch spoedig gelikwideerd, waarna de gebouwen betrokken werden door de in 1899 opgerichte Spiritusfabriek). Enkele reeds langer bestaande kachelsmederijen groeiden uit tot ijzergieterijen. Daarentegen kwijnden in diezelfde peri ode de pottebakkerijen, een in de stad zeer oude ambachtelijke nijverheid, en verdwenen ook de zeepziederij, de kunstwolfabrieken, de sigarenmakerijen en het grootste deel der bierbrouwerijen.

Ook de beetwortelsuikerfabrieken waren geen lang leven beschoren. De laatste sloot zijn poorten in 1929. De suikerindustrie heeft echter zeer stimulerend gewerkt voor de opkomst en ontwikkeling van andere industrieen, zoals de spiritus- en potasfabrikage doch vooral van de metaalnijverheid.

De suikerfabrikanten zijn ook de initiatiefnemers geweest van de aanleg van tramwegen, een aanvullend railvervoer op de spoorweg, die reeds in 1863 buiten de toen nog bestaande vestingwallen was aangelegd. Twintig jaar daarna kwam de stoomtramlijn naar Tholen gereed, in 1888 gevolgd door die naar Antwerpen. Naarmate de andere vormen van wegvervoer zich verder ontwikkelden nam de intensiteit van de scheepvaart in de havens af. De getijbeweging en de voortdurende dichtslibbing speelden daarbij geen onbelangrijke roJ.

De economische opleving van de stad in de zeventiger jaren en de vrij snelle toename van het aantal inwoners hadden ook een opbloei van het culturele leven tot gevolg. Die resulteerde onder meer in de stichting van het feest- en ontspanningsgebouw Thalia in 1883. Talrijk waren de verenigingen, die zich met muziek en toneel, met atletiek en sport bezighielden. Niet minder talrijk waren de verenigingen en samenkomsten op religieusparochieel terrein. Het is uiteraard niet mogelijk om in dit kort bestek nader in te gaan op de diverse aspecten van het toenmalig maatschappelijk leven.

Tot slot willen we nog even wijzen op de militaire functie van de stad na de opheffing van de vesting. Het garnizoen werd nadien sterk uitgebreid en van de door de ontmanteling vrijgekornen terreinen werd een groot

dee 1 voor rnilitair gebruik bestemd, in het bijzonder aan de noord- en zuidzijde van de oude stad. Naast de reeds langer bestaande kazernes Markiezenhof en Korenmarkt werd in 1880 het Groot Arsenaal als kazerne in gebruik genornen, terwijl in 1900 een grote nieuwe kazerne voor de veldartillerie werd gebouwd aan de Burgemeester Stulemeijerlaan.

Bij de indeling vanhet beschikbare materiaal aan toto's en prentbriefkaarten is uitgegaan van de vier, nagenoeg met de vier windstreken samenvallende toegangswegen, die de stad vanouds heeft en die thans nog steeds de belangrijkste entrees vormen. Tot in de zeventiger jaren van de vorige eeuw kon het verkeer slechts op die vier punten ook werkelijk de stad binnenkomen. Deze was toen nog omringd door vestingwerken, die voor wat de landwegen betreft op drie plaatsen openingen, poorten hadden nl. de Steenbergse poort als noordelijke-, de Wouwse poort als oostelijke- en de Antwerpse- of Bospoort als zuidelijke toegang. Aan de westzijde tenslotte was de Oosterschelde met de Waterpoort gelegen.

Bij onze wandeling door de stad zullen we deze telkens vanaf die oude poorten betreden, de straten oude en nieuwe bij die toegangen verkennen om tenslotte in het hart van de oude stad te arriveren op de Grote Markt. We beginnen onze tocht bij het oude noorderfrontier, de Steenbergse poort.

Daarbij zullen we telkens waar mogelijk door middel

van foto's ook de mens, de toenmalige stadsbewoner, betrekken. Op de prentbriefkaarten komt deze er meestal nauwelijks aan te pas, maar dat kan men van een stadsgezicht ook niet verwachten.

Dit boekje beoogt op de eerste plaats een kijkboek te zijn. De toelichtende teksten zijn noodzakelijkerwijze beknopt gehouden. Zij die meer willen weten over de betreffende periode van de stadsgeschiedenis, worden verwezen naar de bestaande literatuur, die in ruime mate voorhanden is in de vorm van boekwerken en artikelen.

Voor de samenstelling van dit boekje werd in hoofdzaak gebruik gemaakt van de fotoverzameling van het Gemeente-archief. Bijzonder dankbaar ben ik echter de heer W. J. Jordans, die uit zijn verzameling een welkome aanvulling kon verschaffen (biz. 22, 30, 31, 37, 38,41,46,49,68,71,78-80,88,96,97,101,103,104, 108,119,120,123,134,136-139,157). Hetzelfdegeldt voor de heren K. Goosen (biz. 60, 69, 160) en A. P. C. Laane (biz. 82, 105).

Aan de foto's en prentbriefkaarten gaat ter orientering vooraf een plattegrond van de stad omstreeks 1914. Gaarne wil ik tenslotte mijn erkentelijkheid betuigen aan de heer W. A. van Ham, assistent van het Gemeente-archief, die mij behulpzaam was bij het onderzoek.

Bergen op Zoom, mei 1969.

A

"'-'t

. . 1000. 'i:

Schaal 1. 1 500 >1,,«

",;, 2&i 300 400 B

A

. is

10

Wie vanuit het noorden Bergen op Zoom naderde, of hij nu kwam uit Halsteren, Tholen of Steenbergen, kon de stad slechts via de zgn. Steenbergse Poort binnenkomen. De naam van het middeleeuwse poortgebouw, dat eertijds deze toegang blokkeerde, was overgegaan op de weg, die sedert 1700 via een brug over de gracht met een bocht over de lunet "Steenbergen" liep. Links op deze foto, binnen de wallen de uit de middeleeuwen daterende kapel van het Margrietenklooster, waar de Lutherse Gemeente kerkte; rechts de ingang van de Steenbergse straat.

Die brug lag ongeveer ter hoogte van de huidige katholieke kerk aan het Bolwerk Zuid. Die afstand lijkt hier korter, doch dat is een optisch bedrog. Het is dezelfde brug als op voorgaande foto. Op de achtergrond de eerste huizen van de Steenbergse straat, die later iets verder noordwaarts zou worden doorgetrokken.

11

12

Als in het begin van de tachtiger jaren de gracht gedempt en de wallen geslecht zijn, is het eerste gebouw, dat hier verrijst de Rijks Hogere Burgerschool aan de Burgemeester Stulemeijerlaan. Vanuit deze school is bovenstaande foto genomen. lets links uit het midden het begin van de Steenbergse straat nog zonder zijn nieuwe hoekbebouwing. Geheel rechts de Gevangenpoort. Noordsingel, Oranje-Nassaustraat, Burgemeester Stulemeijerlaan en Bolwerk zijn reeds aangelegd en beplant maar nog onbebouwd.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek