Bergentheim in oude ansichten deel 1

Bergentheim in oude ansichten deel 1

Auteur
:   H.J. Hilberink
Gemeente
:   Hardenberg
Provincie
:   Overijssel
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-6106-0
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Bergentheim in oude ansichten deel 1'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Inleiding

Zoals zoveel steden en dorpen over de hele wereld ontstaan zijn aan grote ofkleine rivieren, zo is het oorspronkelijke Bergentheim ook ontstaan aan een riviertje; aan de in Duitsland bij Munster ontspringende Vechte, in ons land de Overijsselse Vecht genoemd.

Deze rivier komt in de gemeente Gramsbergen ons land binnen, stroomt door Hardenberg, langs Bergentheim door Ommen en langs Dalfsen naar Zwolle en mondt daar uit in het Zwarte Water.

Eeuwen geleden kwamen aan de oevers van deze rivier grote zandvlakten bloot te liggen en wanneer daar 's zomers de wind overheen blies ontstonden er zandverstuivingen die aan beide kanten van de rivier duinen vormden, de zogenaamde rivierduinen.

Bekend zijn de .Beerzenbulten", waar in de loop der jaren duizenden kinderen een heerlijke dag doorbrachten toen men nog "met schoolreisje" naar deze verstuivingen ging.

De lag ere gedeelten langs de Vecht kwamen 's winters, wanneer de rivier de regen uit Duitsland moest verwerken, onder water te staan. De rivier liet zodoende elk voorjaar een laagje slib achter. Dit slib zorgde ervoor dat er vruchtbare akkers langs de Vecht ontstonden.

Reeds ver voor het begin van onze jaartelling werden de oevers bewoond. Eerst waren het rond- of verdertrekkende stammen. Uit velerlei vondsten uit de bodem kan men concluderen dar naast veehouden de jacht en de visserij een belangrijke rol speelden in het voorzien van de levensbehoeften van de toenmalige bewoners.

AI in het begin van onze jaartelling schijnt men zich hier blijvend gevestigd te hebben. Het duurt echter tot de middeleeuwen eer we geschreven berichten uit deze streek aantreffen.

Overijssel behoorde in die tijd tot het grondgebied van de bisschop van Utrecht. In een boek van mr. S. Muller Fzn. getiteld "De registers en rekeningen van Het Bisdom Utrecht" deel II 1325-1336 komt een

gedeelte voor dat heet "Het manuaal van den rentmeester van Twente". Bergentheim viel toen onder het rentambtTwente. De bisschop van Utrecht, Floris van Wevelichoven, had veel geld nodig en inde belastingen op velerlei wijze. Soms wordt een geldbedrag genoemd, maar meestal betaalde men, vooral in arme streken, met gerst, tarwe of een varken. Het woord "bedeswijn" komt herhaaldelijk voor. De rentrneester van de bisschop heette Gerard van Bevervoerde en deze heeft het register, waarin alles opgeschreven was, zorgvuldig bewaard. Het origineel bevindt zich thans in het Rijksarchiefte Utrecht. In genoemd boek komt op bladzijde 586 de naam Bergentheim voor. Op die bladzijde staat namelijk (in het Lati]n): "Lijst van mensen en goederen hieronder vermeld en te brengen in de hof van Ootrnersum op Hemelvaartsdag ... (o.a.) te BERGHENTHEM (bij) Tackinc."

Gerard van Bevervoerde, de Twentse rentmeester, was wel degene die in 1385 het register ten behoeve van zijn heer "over"schreef, maar hij was niet de samensteller daarvan. Het origineel dateert waarschijnlijk van het begin van de veertiende eeuw.

Uitgaande van het jaar 1385 "bestond" Bergentheim in 1985 dus 600 jaar. Men heeft dit feit met een groots opgezet evenement gevierd.

Het oude Bergentheim schijnt eenlanggerekte vorm gehad te hebben; men kende een oosteind, een middendorp en een westeind. Deze vorm kunnen we terugvinden in het huidige Oud-Bergentheim: het oosteind bij Schottink en het westeind bij Wiechmink; terwijl we bij Wuestkarnp her "rniddelsdorp" zouden plaatsen, Hier heeft ook de havezate gestaan.

Hidde van Voorst kocht in 1649 het erve Middesdorp van Hendrik van Heerdt en in datzelfde jaar kreeg de boerderij het recht van een adellijke havezate. Hidde vanVoorst bezat ook al de Hagenvoorde bij Wijhe.

Vandaar de naam "heer van Voorst tot Hagenvoorde". Toen hij in 1660 stierf gingen de bezittingen over op zijn zoons. In 1707 ging de havezate Bergentheim over op neef Christoffel van Voorst die het in 1726 verkocht aan zijn broer Gerrit Helmich van Voorst.

In 1 752 ging Bergentheim weer over op een neef, aan Derk Christoffel. Toen deze nc van Voorst in 1782 stierfkreeg zijn zoon TheodarusAnthony de havezate en in 1791 nam diens broer Hiddo het over. Deze Hiddo van Voarst liet zich op de markevergadering van 1791 vertegenwoardigen door burgemeester Pruim. Onder de notulen zet de heer Pruim met prachtige krullen: "I-G. Pruim, als gevolmachtigde van den Heer Baron van Voorst tot Bergentheim".

In 1827 werden de meeste goederen van de Van Voorsts verkocht. Het erve Slot werd verkocht aan E. v.d. Pol, die sinds 1814 op die boerderij woonde.

Het erve Reinders - achter Schottink - kwam in handen van I-H. Kelder en "Het Bouwhuis" werd verkocht aan Harman Bouwhuis, die daar al jaren woonde. Hiddo van Voorst hield alleen .Huize Bergentheim met erf en put" (bij Van de Velde aan de Brinkweg).

In 1840 stierf de baron ongelmwd en daarop verkochten zijn zusters het herenhuis voor f 860 aan Berend Venebrugge en diens oom E. Santman.

In 1842 werd het huis afgebroken en de gracht, die om het huis liep, gedempt. Hierna was er niets meer over van de havezate Bergentheim en het doek was hier voorgoed over de Van Voorsten gevallen.

In het midden van de negentiende eeuw begint de aandacht zich op een ander deel van Bergentheim te richten. De uitgestrekte veengebieden ten oosten van de buurtschap vielen eeuwenlang onder de markegronden van de marke Bergentheim. Het markebestuur had deze gronden met wijs beleid beheerd. De veenafgravingen mochten de verhou-

ding tussen weidegebied voor de schapen en het aantal schapen niet verstoren.

In 1810 was er echter al een Koninklijk Besluit gekomen bij aile markebesturen waarin stond dat de ontginning van woeste gronden bevorderd moest worden. Nog heel lang heeft het bestuur van de marke dit tegen kunnen houden.

In 1847 verschijnt mr. LA. van Roijen ten tonele. Hij krijgt al spoedig een functie in het markebesruur en het duurt niet lang ofbij meerderheid van stemmen wordt besloten om aile markegronden te verdelen. Onverwachte mogelijkheden kwamen Van Roijen te hulp. In 1850 begon de Overijsselse Kanalisatiemaatschappij met de uitvoering van het graven van een kanaal van Almelo naar Coevorden. Bij de planning van het traject van het kanaal heeft men rekening gehouden met de wens van de boeren uit Oud-Bergentheim, die gevraagd Hadden om het kanaal oostelijker te leggen dan gepland was, in verb and met het behouden van de eenheid van hun woongemeenschap met daaraan verbonden de in cultuur gebrachte gronden, die steeds verder in zuidoostelijke richting opgeschoven waren. Het kanaal kwam in 1856 zo'n 700 meter verder van de buurtschap af te liggen dan oorspronkelijk de bedoeling was.

We hebben hier te maken met een zeer belangrijke beslissing voor Bergentheim. Het feit namelijk dat het kanaal op een afstand van zo'n 2000 meter van de buurtschap Oud-Bergentheim werd gegraven, deed een siruatie ontstaan dat dit gedeelte, dat toen nog 90 pro cent van Bergentheim uitmaakte, "los" kwam te liggen van de kanaalstreek. De groei van de buurtschap kwam stil te liggen, terwijl de kanaalstreek vanaf omstreeks 1850 een geweldige groei doarmaakte. Reeds rond 1900 was de bevolking daar dermate toegenomen dat er winkels, kerken en scholen gebouwd moesten worden.

In de [aren vijftig kwam het kanaal naar De Haandrik, bij Gramsbergen, klaar en daarmee de verbinding Almelo-Gramsbergen. Van Roijen had in datzelfde jaar de Van Roijenswijk laten graven, vanafBergentheim naar Kloosterhaar, een afstand van zo'n vijf'kilometer.

Steeds verder trok men het veen in; steeds intensiever yond de vervening plaats. Nieuwe wijken moesten gegraven worden, zowel voor ontwatering als voor afvoer van turf. In totaal heeftVan Roijen in de loop der "veen"jaren zo'n 40 kilometer kanaallengte laten graven.

Na de veenperiode hebben deze kanalen dienst gedaan als waterweg voor het vervoer van fabrieksaardappelen en balen roggestro: de produkten van de dalgronden in de eerste jaren na het in cultuur brengen van de afgegraven veengronden.

Toen echter het vervoer over de weg in de jaren zestig enarm toenarn, ging het vervoer per schip snel achteruit. Zo snel, dat de meeste wijken gemist konden worden en spoedig daarna gedempt werden.

In 1868 was de oprichter van de veenderijen, de heer LA. van Roijen, gestorven en in 1872 werd de vereniging omgezet in de N.VVeenderij erven mr. LA. van Roijen.

De "veen"periode heeft voor Bergentheim zo'n driekwart eeuw geduurd. Zoals overal in de veengebieden heeft ook Bergentheim de verschrikkelijke toestanden van de veenarbeiders gekend: lage lonen, slechte behuizing, gedwongen winkelnering, slavenbehandeling en meer treurige sociale wantoestanden,

De arb eiders in de venen kwamen veelal uit Drenthe of Zuidoost-Groningen. Het waren turf gravers die uit de noordelijker delen van ons land vertrokken omdat daar de vervening min of meer voorbij was. Deze veenbevolking heeft zich lange tijd niet vermengd met de authochtone bevolking.

Tot de Tweede Wereldoorlog is er van beide kanten een zekere terug-

houdendheid te bespeuren geweest. Na de oorlog kwam er een ommekeer in deze verhoudingen. De veenarbeider die via landarbeider omgeschoold werd tot fabrieksarbeider kreeg het gelukkig steeds beter en de standsverschillen, zo die al tot uiting gekomen waren, vielen weg toen er een nivelleringsproces op allerlei terreinen kwam.

Toen in de jaren vijftig de stratenaanleg op gang kwam en er goede huizen gebouwd werden, ontwikkelde Bergentheim zich tot een van de grootste darpen in de gemeente Hardenberg, waar het voor zo'n 3500 inwoners goed wonen is.

1 Rond de Bergentheimer beek en de Mollinkvaart

Bij deze boerderij, waar nu de familie Herbert woont, mondde de Bergentheimer beek in de Vecht uit. Deze beek ontsprong in het Honger Veld, ten noorden van Bruchterveld. De beek boog snel af naar het westen en liep achter de vroegere Bruchter schoollangs in de richting van de Bergentheimer Haar. Tussen de spoorlijn en de Haarweg stroomde ze richting "Slotboer" en kwam ten noorden van timmerman Olsman in de huidige beek. Vanaf deze plek begon men de eigenlijke Mollinkbeek te graven. Men groefin de richting van "Heres", ten westen van de huidige spoorlijn langs tot de Wavinfabriek, dan in de richting van garage Merjenburgh en verder naar "Moscou" om vervolgens door te graven richting Kloosterhaar. Op oude kaarten is deze gegraven waterweg aangegeven als "Mollink- of Turf va art " . Vanaf "Heres" heeft men omstreeks 1856 ook nog een vaartje gegraven naar het "Schapenvonder" aan het Overijsselskanaal. Dit vaartje diende voor afwatering van "Java" - het gebied ten oosten van het kanaal- en voor het vervoer van turf

Berend Venebrugge, de schoonzoon van Hannes Wiegmink en [ennechien Mollink, kreeg in 1829 toestemming van de geza-

menlijke erfgenamen van de marke om de beek te verbreden en uit te diepen. Ook wilde hij bruggen en sluisjes bouwen om zodoende het watertje bevaarbaar te maken voor schuiten die de turf uit het veen konden vervoeren naar de Vecht, waar de turf dan overgeladen werd in zogenaamde Vechtzompen, die richting Zwolle voeren.

Iedere erfgenaam die brandstof wilde afvoeren langs de M61linkvaart was verplicht "voor een schuit ofbok" een gulden en vijftig cent aan het erve Mollink te betalen, teneinde de gemaakte of de te maken kosten te vergoeden.

2 Kruispnnt te Marienberg

Ugt ten oosten van Bergentheim de buurtschap Brucht dan ligt ten westen Marienberg, Marienberg is al bijzonder oud; de oorsprong moeten we zoeken in het begin van de vijftiende eeuw. Leden van de .Broederschap des gemenen Levens" onder leiding van priester johan Clemme zochten een eenzame plaats, ver weg van alle wereldse zaken en kozen hiervoor "die wildernisse te Sibbeculo",

Ze voeren vanaf Zwolle de Vecht op tot Diffelen en vanden aan de rechteroever een goede ligplaats. Hier moet ergens hun eerste onderkomen "Maria-borch" gestaan hebben. Later bouwden ze een kapel, die ze de naam "Mariaberg" gaven. Johan Clemme vond het hier nog niet eenzaam genoeg en trok in zuidelijke richting, waar hij toen de genoemde "wildernisse" vond. Deze gronden behoorden voor het grootste deel aan de boeren van Bergentheim en Beerse. Op de Mariaberg hadden de boeren al voldoende kennis gemaakt met "deze vrome lieden" om een gedeelte van hun woeste grond af te staan.

De monniken hebben voor het vervoer van hun bouwmaterialen een pad aangelegd naar "Sibbeculo" en daarnaast hebben ze

een kanaaltje gegraven langs de Kloosterdijk.

Op de foto zien we het kruispunt van het oude Marienberg Links, tussen de bomen, onderscheiden we de inmiddels afgebroken boerderij van de familie Dilling; voorheen Waayman. Hier staat nu hetT.S.M.-bedrijf.

Rechts zien we de grote boerderij van Hesselink; later Hofstede. Deze boerderij is omstreeks 1990 afgebroken.

Op de foto zien we de gebroeders Hans, die hun nieuwe stier tonen aan enkele buurtbewoners. Van links naar rechts: E.]. Waterink, E. Ribberink en H. van Aalderen. Bekend is dat veel veehouders met hun tochtige koeien mer "met de koe naor de bolle gingen".

3 Hutten in het Bergentheimer veen

Ten oosten van Oud-Bergentheim lagen vroeger de gronden die tot de marke van Bergentheim behoorden. Eerst kreeg je het Bergentheimerveld (vanwaar nu de spoorli]n loopt tot het kanaal) en nog verder naar het oosten - doorlopend naar Sibculo en Kloosterhaar -lag het Bergentheimer veen. Jarenlang werden deze veengebieden gebruikt voor schapenteelt en het verbouwen van boekweit.

Het bestuur van de marke zag nauwlettend toe, dat de regels die op de markevergaderingen vastgesteld waren, nagekomen werden. Deze regels hadden onder andere betrekking op het aantal schapen dat iedere boer mocht laten weiden; op het aantal vierkante meters waar men plaggen mocht steken; op het aantal meters waar men turf mocht graven enzovoort.

Na 1900 werd alles anders aangepakt. De markeverenigingen waren opgeheven en de vervening begon op grate schaal plaats te vinden. Het kanaal was gegraven en de spoorlijn was aangelegd en er vestigden zich veenarbeiders.

Op oude kaarten vinden we de naam Rauwbloksweg, die door de venen liep, en dit gebied werd na 1900 "Java" genoemd.

Hoe men aan deze naam gekomen is, is niet bekend; er bestaan weI allerlei verhaaltjes over, maar deze missen elke grand van aannemelijkheid.

De veenarbeiders, die een zeer karige boterham verdienden, woonden eerst in zogenaamde veenketen, met meer gezinnen bij elkaar. Deze keten werden dikwijls geplaatst door veenbazen die hierin de arbeiders die van verre kwamen, een onderkomen aanboden gedurende de campagne. Had een gezin besloten zich hier blijvend te vestigen dan werd met behulp van vrienden in een nacht een schamele hut gebouwd.

Op nevenstaande foto zijn twee woningen te zien. Waarschijnlijk heeft men eerst de plaggenhut gebouwd en later heeft men een oude keet op de kop kunnen tikken en die ertegenaan gezet. Sanitaire voorzieningen had men niet. Water werd uit de dichtstbij gelegen wijk gehaald. Voor de verwarming had men een oude kachel, waar turf en hout in gestookt werden. Het voedsel bestond hoofdzakelijk uit aardappelen, bruine bonen en ragge (pap). Sommigen hadden een geit die wat melk leverde. Deze toestanden hebben tot in de jaren dertig geduurd.

Ow I

I

/

, ,

° ,

: - .. :.

4 Hutten in het Bergentheimer veen

Op "Java" hebben tot na de Tweede Wereldoorlog deze veenhutten gestaan. De hutten waren vaak half in de grand gegraven om muren uit te sparen en om's winters meer warmte te hebben.

De "muren" boven de grand waren van dikke veenbrokken gemaakt, waarop aan de buitenkant heide en grassen groeiden, zodat de hutten soms moeilijk te zien waren in het veld. Sommige waren zo diep in de grand gegraven dat men erbovenop stond voordat men het in de gaten had.

De toestanden die hier heersten waren onvoorstelbaar. De vaak grote gezinnen moesten zich zien te redden in onderkomens waar men nu nauwelijks vee in onder zou brengen.

Het verhaal gaat dat moeders hun kinderen 's avonds bij het naar bed brengen zodanig inpakten in oude dekens en [assen, dat ze niet met hun oortjes tegen de veenwand aan konden rollen, daar deze anders de volgende morgens vast aan de muur gevroren waren.

Gelukkig hebben deze werkers-in het-veen het in de jaren dertig wat beter gekregen. Het gemeentebestuur van Hardenberg

heeft in 1934 deze streken bezocht en bijna alle "woningen" onbewoonbaar verklaard. De bewoners kregen een nieuwe woning aangeboden in Sibculo. De verhuizing daar naar toe was voor velen niet gemakkelijk. Tientallen jaren hadden ze weinig lief en veelleed gedeeld op "Java" en sommigen van hen wilden hun plekkie niet verlaten. Ze moesten gedwongen worden om naar elders te verhuizen.

Voor sommigen was het eerste verblijf daar zo onplezierig dat ze binnen de kortst mogelijke tijd weer hun "woninkje" ap "Java" opzachten.

Veldwachter De Iong kreeg opdracht hen weer naar Sibculo te brengen, waarna hij de hutten in brand moest steken. Voor "Java" began een andere tijd ...

Op de foto hiernaast: afgevaardigden van het gemeentebestuur bezoeken de hutten op "Java" en verklaren de meeste woningen "anbewoonbaar" .

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek