Beusichem en Zoelmond in oude ansichten deel 2

Beusichem en Zoelmond in oude ansichten deel 2

Auteur
:   W.J. Bulten
Gemeente
:   Buren
Provincie
:   Gelderland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4087-4
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Beusichem en Zoelmond in oude ansichten deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

INLEIDING

Wanneer ik mijn jeugd vergelijk met die van de jongeren van thans, kom ik tot de conciusie, dat wij met heel wat minder tevreden moesten zijn. Wij kenden geen vakantiespeelweken, maar wij moesten onszelf zien te vermaken. Dat ging best: vliegeren op het stoppelland, meerijden met een boer of een keer naar de Culemborgse markt. Wanneer je in de zesde klas zat, mocht je mee op schoolreis. Af en toe werd je in de gelegenheid gesteld te gaan logeren bij een oom of tante. Dat was alles. We waren er niettemin gelukkig mee.

Het dagelijks leven was soberder. Schoenen droeg je aileen op zondag, bij feesten of wanneer de schoolfotograaf kwam. Anders liep je op klompen. Door de week aten we altijd bruin brood, 's zondags wit en met Pasen krentebrood. Taartjes zag en at je aileen bij verjaardagen. Aan snoepen werd weinig geld uitgegeven, hoogstens een paar moeizaam verkregen centen per week.

Ons onderwijs was ronduit goed. Op "orde" en tucht gcbouwd. In tegenstelling tot het huidige onderwijs, dat meer kreatief is, was het onze op rationele leest geschoeid. We wisten meer dan thans. We moesten meer kennis vergaren dan de hedendaagse schoolkinderen, want voor velen was het lager onderwijs tevens het eindonderwijs. Slechts enkelen leerden door. Zeer zelden volgde na een middelbare school een universitaire studie. Meestal ging men naar de "Tielse Normaalschool", waartoe geringe subsidies werden verleend. Beusichem (Zoelmond in mindere mate) bracht veel leerkrachten voort. Ze vonden hun weg.

Het hoofd der school nam op een dorp een belangrijke plaats in. Het hoofd der school van Zoelrnond, B.J. Schiphorst (1902-1910) werd na zijn vervroegde pensionering zelfs raadslid. Met de burgemeester, de wethouders, de dorninee, de dokter en enkele notabelen gaf hij de koers aan in het besturen van het dorp. De burgemeester van Beusichem, H.H.G. van Everdingen (1831-1920), was een machtig man. Hij vervulde tevens de functies van gemeentesecretaris, raadslid, dijkgraaf van het polderdistrict Buren en commissaris van de tramwegmaatschappij Tiel-Buren-Culemborg. Hij bekleedde

nog tal van andere ambten. Zijn administratie was keurig in orde. Hij was wat je noemt "bij de tijd" en oefende gezag uit. Mijn vader, de latere gemeentesecretaris R.H. Bulten (1854-1928), zei altijd: "Met grote heren is het kwaad kersen eten. Elke meerdere is je natuurlijke vijand."

De raad bestond uit liberalen en protestant-christelijken. Zij verstonden elkaar opper best. Op godsdienstig gebied vielen ze elkaar niet lastig, hooguit over de zondagskermis. Economisch dachten ze gelijk. Men moet niet denken dat deze raadsleden het algemeen belang niet zagen of niet behartigden. Zij zagen het aileen volgens het patroon van hun tijd. Zij kregen met dezelfde problemen als de huidige bestuurders te maken, aileen in veel mindere mate.

De neringdoenden redden het weI. Zij trachtten 's zomers het geld te beuren van de klanten die ze 's winters had den gepoft:

Zij durfden er wegens hun nering geen politiek op na te houden. De neringdoenden waren vaak onderworpen en stem den op de heersende klasse.

De arbeiders hadden helemaal geen stem in het kapitteI. Er was geen algemeen kiesrecht. Bezaten enkelen dit kiesrecht wel, dan stem den ze voor hun broodheer. Het zou onverstandig zijn geweest tegen hem in te gaan. Er bestond, zoals gezegd, een zekere onderworpenheid ten opzichte van de hooggeplaatsten. Zij toch, en dan vooral de boeren, voedden heel het dorp. Ot van Alphen (1885-1969) colporteerde met socialistische blaadjes. Ze werden gelezen, doch zolang er geen organisatie kwam kreeg men geen voet aan de grond. Wanneer een boer drie arbeiders kon betalen, was hij er zelf bovenop. Men kon van hen makkelijker natuurprodukten loskrijgen dan geld. De boeren waren niet slecht. Zij dachten, dat hun wijze van besturen de enige weg was om een geordende samenleving te behouden. H.J. Beynen (1858-1915) kon geen armoe zien. Hij heeft veel nood gelenigd.

Wie kwamen dagelijks met de ellende in aanraking? De dokter en de dominee. Wanneer men het proefschrift van dr. L. Smit, de vader van de bekende Tielse chirurg dr. Jacob Smit leest, stu it men op erbarmelijke hygienische toestanden.

"Vijfhonderd bevallingen en waarnemingen op het platteland" heet deze dissertatie. Naar ziekenhuizen verwees de gemeente in uiterste noodzaak. Dat kostte geld. Trouwens, de patient zelf gruwde van het ziekenhuis ("het voorportaal van de dood."). Dan maar liever thuis sterven ...

De dominee viel in de smaak wanneer hij met de mensen over hun dagelijks gedoe kon praten. Hun tuin, vee, familieomstandigheden. Het geloof eiste zoveel en daar wilde men liever niet over horen. De dominee was een man van gezag: hij moest de mensen op het goede spoor houden. Ds. G.Th. Gerritzen (1854-1945) was een aardige man, bovendien sociaal voelend. Hij hielp waar hij kon, In 1925 verliet ds. Gerritzen het "predikantengraf" de Betuwe. Hij had veel voor zijn gemeente gedaan, een leesgezelschap gesticht en ervoor gezorgd dat er 's winters een uitlening van de reizende bibliotheken kwam.

De salarissen stegen na de eerste wereldoorlog geweldig, vooral die van de onderwijzers. De dominee kon niet goed begrijpen, dat de predikanten, hoewel academisch gevormd, daarbij achterbleven. Een onderwijzer verdiende v66r 1918 ongeveer zeshonderd gulden's jaars, een hoofd twaalfhonderd en een dominee vijfentwintighonderd. De predikantssalarissen hielden, omdat ze van de kerkvoogdijen afhingen, geen gelijke tred met de Rijkssalarissen. Vele kerkelijke gemeenten wilden niet toetreden tot de Raad van Beheer. Daardoor bleef ds. G.Th. Gerritzen bij zijn emeritaat vijfenvcertighonderd gulden achter. Om het beroepingswerk mogelijk te maken schonk hij de kerkelijke gemcente drieduizend gulden. Toen kon, in 1928, ds. B. Peijsel uit Wolter sum zijn intrede doen,

De verhouding tussen Beusichem en Zoelmond was slecht. Wij durfden als jongens niet in Zoelmond te komen, bang als we waren voor cen pak slaag. Later werden die vcrhoudingcn beter. Men sprak van de .Jioogrnocdigc Beusichemmers" en de "gemoedelijke, gezellige, meer een eenheid vormende Zoelmonders" .

Van de Beusichemmers werd gezegd, dat ze zoveel aan hun

paardenmarkt verdienden dat ze het hele jaar niet behoefden te werken. Dat is overdreven. WeI ontstond door de eeuwenoude, reeds in 1461 in documenten genoemde markt, een handelsstand die wat welvarender werd en die zeer wel wist wat er in de wereld te koop was.

De tijd na 1918 is die van burgemeester H.G. van Everdingen (1877-1964), die in 1917 zijn vader was opgevolgd. Hij heeft veel voor de landbouw gedaan. Hij moedigde het bezoek aan landbouwcursussen aan, bezocht zelf de cursisten en werkte nauw samen met de Betuwse landbouwpionier en onderwijzer L.M. Lievense. Daarnaast heeft hij vee I kleine boeren fmancieel bijgestaan; voor hen was het eenjarig pachtstelsel vaak ruineus. Burgemeester Van Everdingen stichtte het Groene Kruis en zorgde ervoor dat er een wijkzuster kwam. De Cooperatieve Boerenleenbank werd opgericht en een cooperatieve aankoopvereniging ging ter ziele. De Betuwnaar is niet cooperatief ingesteld. Hij werd wel lid, doch hij kocht bij de particuliere graanhandelaar wanneer die goedkoper was. Niettemin werden "arbeiders" "kleine boeren": wie vroeger met een geit of schaap was begonnen, had na 1918 koeien en paarden. Van Everdingen kampte met de verkeerde zuinigheid van zijn voorgangers. Hij heeft niet kunnen volbrengen wat hij wilde, doch hij wist toch nog het nieuwe gemeentehuis tot stand te brengen (1939). Het brandweerwezen heeft hij door het aanschaffen van een motorbrandspuit en het aanleggen van brandputten zeer verbeterd.

Het dagelijks leven wordt na 1918 veel weelderiger. Kerkelijke en wereldlijke autoriteiten raken hun greep op de massa kwijt. De verdere ontplooiing in de vorm van woningbouw, onderwijs en industrie zou voor Van Everdingens opvolger, G.C. van Mourik (1900-heden), burgemeester van 1943-1965, zijn weggelegd. De oorlogsburgemeester R.Th.H. van de Pol (1944-1945) kon uiteraard niets constructiefs verrichten.

Met dank aan hen, die mij ansichten en foto's ter beschikking stelden, en aan de medewerkers van het gemeentearchief, leid ik dit boekje in. Dat het zijn weg vinden moge is de wens van de samensteller.

1. Boven: de kruiende Lek in de strenge winter van 1929. Op 5 februari zette de vorst in en pas half maart ging de Lek open. Ret bouw1and was gehee1 mu1 en had vee1 weg van tuingrond. Onder: aardappelhande1aar Hermanus van der Lingen (geboren in 1880), gehuwd met Teuntje Ploeg (geboren in 1898), kon zijn k1anten niet 1aten wachten. Toen de Lek was gebaand waagden Van der Lingen en zijn vrouw met hun vrachtauto de overtocht. De veerknecht Dries van Doorn (geboren in 1898, nog in 1even) en Manus van der Lingen liepen achter de wagen en Teun zat achter het stuur. De overtocht slaagde. Dit alles gebeurde op 19 februari 1929.

t

-

, ,

~ ~ -. . - r:-~_

.=.--_.

- --: :" ":..-- .,;.-

t ..? '~- _

'-::-- .... "'I!,..--:.- _

'--

-

" '

2. Op deze ansicht zien we een woning die is verdwenen lang v66r de dijkverzwaring in de pen was. Het was het huis van wijlen J.M. Haagsman (1880-1972), wiens vrouw Cornelia van Santen (geboren 1876) op 27 november 1947 overleed. Deze ansicht geeft tevens een stukje landschapsschoon te zien.

3. Deze foto is aangeboden aan ds. G.Th. Gerritzen (1854-1944) ter gelegenheid van diens afscheid als predikant van de Hervormde Gemeente van Beusichem, op 2 juli 1925. Het was een geschenk van de leerkrachten en leerlingen van de zondagsschool. Op de foto herkennen we de zondagsschoolleidsters F.P.A. van Mourik (1899-heden) en haar zuster A.G.H. van Mourik (1903-heden). Verder staan onder anderen op de foto: Neeltje Knobbout (1913-heden), haar broertje Huibert Gerrit (1918-1950) en, rechts, de het zondagsschoolwerk van harte toegedane D.D. van den Heuvel, die in 1893 in Gorinchem werd geboren en die in Utrecht is-overleden,

4. Nevenstaande foto van Jan de Heus (1859-1945) en Elisabeth Wilhelmina Udo (1865-1943) werd genom en voor het Polderhuis aan de Molenkade. Jan en Bet trouwden op 22 januari 1890. De heer De Heus was, naast landarbeider, huiss1achter en orgeltrapper. Het ambt van orgeltrapper was sinds 1810 door het geslacht De Heus vervuld. In 1810 was de orgeltrapper tevens hondenslager. Het salaris bedroeg een buis en tien gulden. Bij zijn gouden jubi1eum werd Jan de Heus koninklijk onderscheiden. Na zijn overlijden voelden zijn zoons niets voor het ambt. Toen is de windvoorziening van het orgel geelektrificeerd.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek