De Koninklijke Marine in oude ansichten

De Koninklijke Marine in oude ansichten

Auteur
:   F.C. van Oosten
Gemeente
:  
Provincie
:  
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-2069-2
Pagina's
:   160
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'De Koninklijke Marine in oude ansichten'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

INLEIDING

Aan het begin van het vierde kwart van de ~ 9de eeuw was de Koninklijke Marine de zeiltijd bijna ontgroeid en werden zeilschepen aileen nog maar als opleidingsschepen gebouwd. De nieuwbouw bestond uit ijzeren of stalen schepen voortgestuwd door stoommachines, terwijl enkele vaartuigen naast de stoomvoortstuwing ook nog een zeiltuig hadden, om de actieradius te vergroten, en van hout werden gebouwd.

De maritieme visie van Nederland beperkte zich in die dagen tot de kustverdediging en men bouwde hoofdzakelijk monitors, ramschepen en stoomkanonneerboten, en slechts enkele pantserschepen en ongepantserde schroefstoomschepen werden op stapel gezet voor de algemene dienst en voor de dienst in de tropen. Nu was in dit laatste kwart van de 19de eeuw het materieel waarover de marine beschikte niet van al te hoge kwaliteit. Vaak was het zo, dat de minister van marine een aanbouwprogramma in de Kamer presenteerde, dat bestond uit schepen en scheepstypen, die verouderd waren. Uiteraard vie! deze achterstand vooral op bij een vergelijking met schepen in het buitenland. Zo kon het voorkomen dat men zich in het buitenland verbaasd toonde dat een pas gebouwd schip niet voorzien was van een zoeklicht, van torpedonetten en van andere moderne middelen, terwijl deze

in de buitenlandse marines gemeengoed waren geworden.

Toch was de situatie nu ook weer niet zo ongunstig, want op ander gebied was de marine zeer voortvarend om de allernieuwste vindingen aan te schaffen, zoals bijvoorbeeld bij de artillerie en bij de torpedo. Aan het eind van de tachtiger en begin van de negentiger jaren begon de Koninklijke Marine echter met de bouw van werkelijk moderne schepen: voorlopig nog kleine pantserschepen, maar later ook kruisers of pantserdekschepen. Voorts werden vele torpedoboten aangebouwd en in 1891 bezat de Nederlandse marine niet minder dan achtendertig eenheden van dit type schip. Rond de eeuwwisseling werden ook torpedoboten gebouwd voor de dienst in de Oostindische wateren. Voor de bestrijding van deze nieuwe vaartuigen werd een nieuw schip ontwikkeld, de torpedobootjager, waarvan Nederland in 1909 twee op stapel zette naar plannen van Yarrow & Co. te Glasgow.

In het eerste kwart van de 20ste eeuw deden vele nieuwe vindingen hun intrede in de Koninklijke Marine. In de eerste plaats moet de draadloze telegrafie genoemd worden, waardoor voor het eerst in de maritieme geschiedenis directe verbindingen onderhouden konden worden met schepen die ver van huis waren.

In West-Indie en in Oost-Indie werden aan de wal marineradiostations gebouwd. Men begon met het experimenteren met mijnen - ofverspertorpedo's zoals men ze in die dagen noemde - en in 1906 kocht de marine een onderzeeboot, die aanvankelijk voor eigen rekening door de bouwer op stapel was gezet. In 1914 verscheen het vliegtuig in de Nederlandse marine en begon men met de opleiding van de eerste marinevliegers.

Niet aIleen het materieel had grote veranderingen gezien-in hetlaatste kwart van de 19de en het eerste kwart van de 20steeeuw, maar ook op personeelsgebied was het een en ander veranderd. In de grondwet van 1848 was de bepaling opgenomen, dat een gedeelte van de militie voor de dienst op zee kon worden bestemd, maar eerst veertien jaar later werd de wet op de nationale militie aangenomen. De wet op de zeemilitie maakte hiervan deel uit.

In het begin van de zeventiger jaren begon men met het indienststeIlen yah gepantserd materieel om de zeemiliciens binnenslands te oefenen. Meer en meer ging men er ook toe over om oefeneskaders samen te stellen die dan een kruistocht maakten op de Atlantische Oceaan, MiddeIlandse Zee of Noordzee en buitenlandse havens bezochten. Voor scheepsjongens werd

in 1876 te Amsterdam een schip in dienst gesteld, waarop zij onderwijs ontvingen. In HeIlevoetsluis yond de opleiding van machinistenleerling plaats, terwijl in Den Helder de opleiding van kanonniers sinds 1876 plaats yond aan boord van een artillerie-instructieschip. De lijfstraffen werden verminderd en afgeschaft, de traktementen en soldijen werden verhoogd en het vaste korps schepelingen beneden de rang van sergeant werd uitgebreid. Met deze maatregelen hoopte de minister van marine het personeel langer in dienst te houden. Met een wet van 1 april 1875 werden de pensioenen van officieren verbeterd, terwijl ook aan de schepelingen beneden de rang van officier een verhoogd pensioen werd uitgekeerd. N aast de geneeskundige verzorging, die de marineman kreeg, werd ook aandacht besteed aan de geestelijke verzorging en in de twintiger jaren werd het korps vlootgeestelijken in het leven geroepen.

Zeeofficieren en officieren van het korps mariniers kregen hun opleiding op het Koninklijk instituut voor de marine. Voor de marinestoomvaartdienst was de opleiding enigszins verschillend. Officieren voor dit dienstvak werden bij keuze bevorderd uit de le machinist.

In de negentiger jaren werden enkele maatregelen ge-

troffen waardoor de paraatheid van de marine werd opgevoerd. In de eerste plaats werd een regeling getroffen waarbij officieren en onderofficieren reeds in vredestijd werden ingedeeld op de schepen en vaartuigen, die in geval van mobilisatie in dienst waren of in dienst gesteld zouden worden. In 1894 werd de Koninklijke N ederlandsche Marine-Reserve opgericht, zodat de marine in geval van mobilisatie kon beschikken over 1) personeel dat eervol was ontslagen en 2) personeel van koopvaardij en visserij. In 1906 werd een commissie ingesteld, die de organisatie van het personeel van de marinestoomvaartdienst nader moest bezien en waarbij onder andere werd bepaald dat de machinisten niet konden dienen in rangen lager dan die van officier, terwijl stokers gelegenheid moesten krijgen om op te klimmen tot de hoogste rang van onderofficier. Eveneens in dit jaar werd tot een reorganisatie van het korps mariniers besloten en kreeg het personeel van dit korps dezelfde soldijen, voeding en kleding als de overige korpsen bij de zeemacht.

Enkele jaren later werd een nieuwe soldijregeling voor onderofficieren en lager personeel vastgesteld en werd tevens een regelmatige opklimming van soldij om ~e drie jaren voor aIle rangen en standen in vooruitzicht

gesteld. Het vaste korps onderofficieren werd opgeheven.

In 1912 werd bij wet vastgesteld dat de ingelijfden bij de zeemilitie voor diensten buiten Europa bestemd konden worden, een belangrijke doch begrijpelijke beslissing aangezien de vloot immers ook in de kolonien moest kunnen opereren. In verband met het dreigende oorlogsgevaar werd de verdediging van NederlandsIndie nader bestudeerd. Tevens werd aandacht besteed aan de kostenverdeling tussen de staatsbegroting en de begroting van kolonien, Een auxiliair eskader afkomstig uit Nederland kwam hierdoor in de gelegenheid om op elk gegeven ogenblik beschikbaar te zijn om waar dan ook handel end te kunnen optreden.

In de vijftig jaar tussen 1875 en 1925 heeft de marine hoofdzakelijk in de tropische wateren moeten opereren. In Oost-Indie kwam dit neer op de bestrijding van de zeerovers en op de pacificatie van enkele opstandige gebieden. Allereerst Atjeh waar de marine deelnam aan vele expedities tegen de bevolking, die zich tegen het N ederlandse gezag verzette. Schepen van de marine blokkeerden de kust om de handel in wapens tegen te gaan. Strafexpedities werden uitgevoerd tegen de bewoners van dorpen die schepen hadden geroofd

of de bemanning van gestrande koopvaardijschepen hadden vermoord. Ook elders in de archipel was de marine actief. Op de oostkust van Borneo werden mensen die door slavenhandelaars waren geroofd weer in vrijheid gesteld. Ongeregeldheden in de binnenlanden van Borneo, op Celebes en elders werden bestreden. Doch ook buiten het Nederlands gebied was de marine actief, zoals bij de bescherming van de N ederlandse belangen in het buitenland. Dit was onder andere het geval tijdens Armenische ongeregeldheden in het Midden-Oosten, bij de moeilijkheden tussen Griekenland en Turkije, in West-Indie met Venezuela, in China waar mariniers tijdens en na de Boxeropstand het Nederlandse gezantschap te Peking moesten beveiligen, en in vele andere gebieden. Niet vergeten mag worden dat eind 1900 een N ederlands oorlogsschip de president van de Zuidafrikaanse republiek, Paul Kruger, naar Europa bracht waar hij probeerde steun te vinden voor de strijd tegen de Engelsen. Tenslotte bracht de marine altijd assistentie aan de bevolking bij natuurrampen, zoals bijvoorbeeld bij de uitbarsting van de Krakatau, en werd medische hulp gezonden bij epidemieen.

Voorts moeten nog enkele aspecten worden genoemd

waarmee de Koninklijke Marine zich actief bezig meld en nog steeds bezig houdt. In de eerste plaats is de marine belast met het loodswezen, de betonning, bebakening en verlichting, met andere woorden met de waarborg voor de veilige navigatie van schepen in eigen wateren. Nauw hiermee verwant is de hydrografische dienst, die verantwoordelijk is voor de uitgave van zeekaarten. De marine nam deel aan wetenschappelijk diepzee-onderzoek en Nederlandse onderzeeboten verwierven wereldfaam bij zwaartekrachtmetingen. Marinepersoneel was tevens belast met het bepalen en afbakenen van grenzen in de overzeese gebieden, zoals tussen Nederlands Nieuw-Guinea en het oostelijk deel van dat eiland en tussen Suriname en Brazilie. Tenslotte trad de Koninklijke Marine als vertegenwoordiger van de staat der N ederlanden op bij vele feestelijke en ceremoniele aangelegenheden in het buitenland, waaronder de Hudson- en Fultonfeesten in New York in 1908 genoemd moeten worden.

Gelukkig wist Nederland in de Eerste Wereldoorlog neutraal te blijven, doch op zee had men het gevaar van mijnen waardoor enkele N ederlandse schepen - ook van de marine - werden getroffen en slachtoffers eisten.

t

--

1. Ret ramtorenschip Prins Hendrik der Nederlanden, dat in 1866 te Birkenhead te water werd gelaten. Ret schip was aanvankelijk tevens uitgerust als zeilschip en had drie masten met een zeiloppervlak van 1.554 vierkante meter. Ret schip, het eerste pantserschip van de Koninklijke Marine, was bestemd voor de dienst in Oost-Indie. Hij vertrok echter eerst in 1876 naar dit gebiedsdeel, waar hij in 1889 hulp bood aan het Duitse stoomschip Chow-Chow-Foo, aan boord van welk schip een muiterij was uitgebroken. Hij nam in 1894 deel aan de Lombokexpeditie en bracht de gevangen genomen vorst van Lombok naar Batavia over. Rechts op de foto ziet men het wachtschip Kortenaer.

2. In de 19de eeuw is de marine ook nog belast geweest met het beheer van quarantainestations te Wieringen en Tiengemeten, waar bemanningsleden van schepen, die een besmettelijke ziekte hadden, konden worden opgenomen en verpleegd. In de tweede helft van de zeventiger jaren van de 19de eeuw werden de quarantaineplaatsen opgeheven en werd in Wieringen een kruitmagazijn ingericht. Op bijgaande foto ziet men het huis van de beheerder van de quarantaine te Wieringen.

3. De Admiraal van Wassenaer was het eerste fregat met stoomvermogen van de Koninklijke Marine. In 1833 werd hij, als linieschip, op de rijkswerf te Amsterdam op stapel gezet, doch in 1850 uit elkaar genomen en in 1853 opnieuw op stapel gezet, nu als fregat met stoomvermogen. Hij werd in 1856 te water gelaten en heeft daarna enkele reizen gemaakt in eskaderverband. In 1875 werd het schip op de rijkswerf te Amsterdam verbouwd tot opleidingsschip.

4. Deze foto werd genomen aan boord van het fregat Van Galen voor het vertrek naar Curacao op 2 juni 1876. Ret meest opvallende van deze afbeelding is dat de bemanning nog steeds de zogenaamde Schotse muts draagt. Dit was een donkerblauwe wollen muts met een rode pompon en een rood-wit geblokte rand, die in 1877 werd vervangen door een laken muts. De officieren zijn gekleed in de lange jas, het daags tenue, die toen nog korte jas werd genoemd. Links op de voorgrond ziet men de officier van de wacht, die herkenbaar is aan de ponjaard die hij draagt.

-

5. Het raderstoomschip 4e klasse Admiraal van Kinsbergen, dat in 1852 te water werd gelaten. Het schip heeft voornamelijk in Oost-Indie dienst gedaan en verleende op 26 december 1876 hulp aan het schip Rachman dat water maakte. Hij werd op sleeptouw genomen en in veiligheid gebracht. De Admiraal van Kinsbergen is in 1877 te Soerabaja voor de dienst afgekeurd.

~ T ~~"l:<'

6. Het ramsehip Sehorpioen werd in 1868 op een Franse werf te Toulon te water gelaten. Evenals het ramtorensehip Prins Hendrik der N ederlanden, had het sehip nog een zeiltuig, doeh reeds spoedig werd het ramsehip met twee seinmasten uitgerust. Het sehip had een toren met twee getrokken kanons van 23 em. Op de foto ziet men de Sehorpioen met neergeklapte versehansing, zodat met het gesehut gesehoten kon worden.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek