Elburg in oude ansichten

Elburg in oude ansichten

Auteur
:   W.L. Schouten
Gemeente
:   Elburg
Provincie
:   Gelderland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-2079-1
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Elburg in oude ansichten'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

INLEIDING

"Die Stadt van Elborgh."

Op een hoge strook grond "de Elle" hadden ze hun huisjes gezet; zij, die hadden moeten vluchten voor de wilde, woeste wateren. Och, die huisjes waren zo klein, van takken gevlochten, met Ieem bestreken en met riet gedekt. In droeve herinnering aan alles, wat ze verloren hadden, leefden zij daar. Ook onder voortdurende bedreiging der uit het noordwesten opdringende zee. Bedreigd ook door rondzwervende rovers uit de wouden der Veluwe.

Ter beveiliging werd een stenen burcht gebouwd. Monniken uit het nabije KarmelietenkJooster hadden daartoe aangeraden en hielpen daarbij. Zo ontstond een kleine nederzetting in de nabijheid van de burcht op de ElIe (Elburg).

Ze leefden op het gebied van de landvorst; al de woeste, onontgonnen gebieden waren diens eigendom; dus waren ze dienstbaar, onvrijen; waren verplicht voor hem allerlei diensten te verrichten, waarbij eigen werkzaamheden moesten achterstaan.

Dan komt het bericht van graaf Otto Il van Gelre, in 1233, dat hun nederzetting tot stad was verheven. Grote blijdschap! Men hoefde niet meer dienstbaar te zijn en had nu een eigen regering met eigen wetten. Hun kinderen zouden niet meer in knechtschap leven. Ze veerden op, als 't ware uit doffe onderworpenheid. Er kwam opleving en vooruitgang naar een meer menswaardig bestaan. De woningtoestanden werden verbeterd. Men ging zich toeleggen op meerdere inkomsten; de boten voor de visvangst werden groter, men ging verder de wateren op, er kwam handel en steeds waagden ze zich verder naar vreemde plaatsen en gewesten. Met durf en energie

werden ze bezield.

Het ging Elburg goed door visserij, handel en scheepvaart. In 1368 werd het stadje opgenomen in het Noordduitse Hanzeverbond; een bond van zeevarenden om elkaar ter zee en overal bijstand te verlenen.

Maar die zee! Die geweldige watervloeden! Op last van hertog Willem van Gulik moest daarom de stad verplaatst worden, wat hoger op. Hij gaf daartoe opdracht aan zijn Richter, zijn zaakwaarnemer hier, Arent tho Boecop. Deze nam een groot stuk - eigenlijk te groot - uit het gebied van de hertog en ontwierp een heel eigenaardig stadsplan; uniek in Nederland, waarschijnlijk in navolging van de vroegere Romeinse legerplaatsen: rechthoekig, rechte brede wegen, rechthoekig gesneden door smallere. Er kwamen dikke hoge muren met rondelen, gevechtstorens en poorten, omsloten door een gracht (1392-1396). De reeds bewoonde Elle viel binnen de stadsmuur. Maar de mensen, die buiten de muren woonden, moesten binnen de stadsmuren komen won en. Die bleven maar het liefst kort bij de ElIe. Een groot deel van de stad bleef onbewoond, bleef leeg: daaraan herinnert nog de naam Ledige Stede. In dat ongebruikte deel kwam een sterk kasteel, waar de hertog met zijn edelknapen kon verblijven, als hij in deze streken ter jacht kwam. Het was een gebouw met dikke muren, kantelen, onderaardse verwulfsels en kelders. In 1396 was het klaar voor de ontvangst van de hertog, die zijn nieuwe stad kwam inspecteren. Een sterke vesting was het geworden, echt om elke vijand ontzag in te boezemen.

Op die Ledige Stede werd ook een kerk gebouwd, eerst nog

van hout, een honderd jaar later van steen. Die kerk was gewijd aan N icolaas, de beschermheilige van de zeevarenden. Bij die kerk kwamen ook kleine huisjes voor arme weduwen, in een hofje. In 1650 werd het gesloten met de bouw van een poortje: het Weduwenhofje.

Dan werd er in 1418 een begin gemaakt met de bouw van een klooster, gewijd aan de heilige Agnes of Agniet, dat uitgroeide tot een groot gebouwencomplex.

Het ging Elburg goed. Telkens kregen de bewoners meer voorrechten van de landvorst: het houden van jaarmarkten, het stapelrecht van vis, uitbreiding van het stadsgebied met omJiggende gronden, de Mheen en het Gooi.

Het ging goed met Elburg en zijn bewoners, totdat. .. ja, totdat door verandering van vaarroutes van Vlaanderen naar de Oostzeelanden Elburg buiten de vaart kwam te liggen. Er kwam stilstand van handel en daardoor achteruitgang. Dan komen daarbij de nadelen door de vele krijgsverrichtingen. Herhaaldelijk werd Elburg gebrandschat: grote bedragen werden afgeperst. Voeg daarbij grote watervIoeden, branden (in 1594 brandde een vierde der stad af), besmettelijke ziekten (cholera) en na 1846 de zgn. aardappelziekte. Uitgezonderd bij enkele families was er veel armoede. Dat is te begrijpen. Wanneer in wintertijden vissers niet meer konden vissen, stonden ineens aIle inkomens stil. Er waren toen nog geen sociale voorzieningen. Wanneer de handwerkbedrijven stil lagen, dan kregen de knechts geen uitbetaling. Vorstverlet kende men niet. Maar werd er in de goede tijd niet gespaard? Een appeltje weggelegd voor de dorst? Hoe kan dat, als een huisvader zaterdags al bIij was f 6,- of f 8,- op tafel te

kunnen Jeggen: heel zijn weekloon, verdiend in lange werkdagen! Dan was het een bange tijd. Gelukkig dat de winkeIiers nog "op de pof' wilden leveren. Maar dat moest later weer aangezuiverd worden. Daarom gingen velen naar Holland grasmaaien ofnaar Drente eek-schillen om wat extra's te verdienen. Gelukkig was er na 1740 het Feithenhof, waarin arme oude Elburgers werden opgenomen. Was er het Coragefonds gesticht door Marie Hermien Corage. Uit de opbrengst van dat fonds werd in de vier dure koude wintermaanden aan arme gezinnen f 2,50 per week uitbetaald. Was er de Diaconie die bijsprong, al wilden velen uit schaamte niet naar de "bedeling". Waren er rijkere burgers, die "Een soepcornite" oprichten, waar voor een kleinigheid erwtensoep kon gehaald worden. Zo was het in de jaren rond 1900. Er was zelfs eens een Franse schrijver, die Elburg rangschikte onder "De dode steden om de Zuiderzee".

Een dode stad? Elburg een dode stad? Neen - vergelijk het oude, romantische stadje met ziin trap-, hals- en klokgevels, met zijn veJdkeibestrating, met zijn unieke .Jceitjesstoepen", omgeven door de prachtig begroeide bolwerken, Jiever met "De Schone Slaapster in het woud." Maar thans ... De Schone Slaapster is gewekt door de klop van de moderne tijd. Nu is er weer nieuw Jeven door industrie, toerisme en recreatie.

Elburg is nu een stad, waar op verrassende wijze de romantische sfeer van de Middeleeuwen samengaat met het fel opbruisend eigentijdse leven.

:.f.tIlURC:.

Tot 5tad verheven 13 Juli 1233 door Otto II, Graaf van Gelre

C;-~/~~

-t- / If ..)0.

Z6 zag Elburg er ruim 700 jaar geleden uit. De Gelderse Vorsten, Otto II en Willem van Gulik hadden het nog niet zo kwaad bekeken, toen zij aan de bewoners op de Elle, bij de stenen burcht, allerlei rechten verleenden: stadsrecht (1233), gemeenschappelijke weidegebieden 't Gooi en de Mheen, jaarmarkten enz. De kleine nederzetting op de Elle werd een sterke vesting. Dat was nodig in tijden dat de Veluwe telkens bedreigd gebied was. Uitdagend steken de torens ornhoog, dringend staan de vuurmonden op de hoeken van de dikke hoge vestingmuren. De SintNicolaaskerk stak nog zijn ranke spits ornhoog, die er in 1639, door onweer getroffen, afbrandde.

5

Naar het plan van Arend tho Boecop, de Richter van Willem van Gulik: allemaal rechte straten, die elkaar rechthoekig kruisen ('t is nog zo), uniek in ons land, werd het stadje gebouwd. Van het centrum, de Vismarkt, kan men in vier richtingen de stad uit. Vroeger waren dat de Goorpoort, de Mheenpoort, de Vispoort, de Oostpoort. Toen het vijandelijk geschut, door het gebruik van buskruit, verdere draagkracht krecg, werd er rondom de stad (± 1580) een tweede, brede gracht gegraven, De uitgegraven aarde kwam tussen de beide grachten in. De binnengracht werd later gedempt en daar kwamen de Doelenlaan, de Bas Backerlaan, de Touwlaan, Parkeerplaats.

Op de Vismarkt was elke dinsdag een drukke markt. En rustig dat het er was! J etje van Kampen kon haar aardewerk zo maar op straat uitstallen. In het hoekhuis woonde Hengeveld, die naast zijn woonhuis, in de Vispoortstraat een manufacturenzaak had. Later is het de uurwerkzaak van Karssen geworden. Het tweede huis rechts, aan de Beekstraat, was lange tijd de pastorie van de hervormde kerk. In het verlengde daarvan waren deftige huizen, waarin o.a. de zusters Van N orel woonden. Nu zijn er de echt stadsaandoende zaken van de gebroeders Van de Pol.

7

8

Als men de Vispoortstraat ingaat, ziet men links "Ret Scheepje", dat vroeger een deftig herenhuis was met koetshuis, stal en een tuin, waarin fraai geboomte stond. Gouverneur-generaal Meyer, de familie Asbeck, burgemeester Rambonnet en de familie Van der Maten woonden er in. Later vestigde E. J. de Vries, die een winkel, tevens cafeetje had bij de Vispoort er een hotel-restaurant in. Dit kreeg de naam "Ret Scheepje", want De Vries was van huis uit een vissersman. Zijn zoon vergrootte het. Waar de tuin was kwam een grote vergaderzaal. Nu is het, van 15 april 1965 af, "De Stadt Elburgh", Ret gebouw met het torentje even verder, is de gereformeerde kerk. Daar was voor 1892 de houthandel van Balk en Idsinga. Sinds 20juni 1969 is het warenhuis van de heer Zwart er gevestigd.

Even verder in de Vispoortstraat staat, op de hoek van de Ellestraat, het gerestaureerde Muntgebouw, waarin nu de kappers- en sigarenzaak van Hulsman is. Daar werd van 1584-1619 Elburgs geld gemunt. V66r het huis is het enige pothuis in Elburg. Vroeger werden de zgn. pothuizen gebruikt als werkplaats voor kJeermakers en schoenmakers, die voor hun werkzaamheden niet veel ruimte nodig hadden. Nu is het pothuis een lief keukentje. Jammer dat mevrouw Hulsman er aileen maar de benen van de voorbijgangers kan zien, als ze aan 't bakken en braden is. De oude stadspomp is verdwenen; gelukkig maar, want de meeste stadspomp en gaven onzuiver drinkwater.

Nu zijn we bij onze stoere Vispoort. Eerst was het een verdedigingstoren; in 1592 "geopend" tot poort om gemakkelijk bij de verlegde haven te kunnen komen. Boven het kleine raampje, links, is een heilsteken of heksenbezem ingemetseJd om heksen buiten de stad te houden. Het kan ook een zgn. Christus-monogram zijn. Enkele meters verderop is eenzelfde figuur ingemetseld, maar veel groter. Aan de spits zijn twee uitbouwsels: een aan de havenzijde voor het bavenlicht, een aan de stadzijde voor een klok, die geluid werd als de beurtschipper op 't punt stond naar Amsterdam te vertrekken. Dan zongen de kinderen vaak bij het gelui:

Birn, bam! bim-bam!

Wie gaat er mee naar Amsterdam?

Daar dansen de boeren met klompjes an.

Dieht bij het heilsteken staat Van Triest netten te breien en de "sim te zetten". Dat kan makkelijk tegen de oude stadsmuur. Willem de Beer voigt de bewegingen van zijn eollega. En ook dr. Olthuis staat vol bewondering toe te kijken. Deze heeft heel veel voor Elburg gedaan, werd daarom tot ereburger benoemd en kreeg een gouden erepenning. Bij het 700-jarig bestaan der stad sehreefhij het "Gedenkboek van Elburg 1233-1933." Bij de feestelijkheden werd een door hem gesehreven lekespel opgevoerd, getiteld "Aleid de Vos van Steenwijk", de slotvrouwe van Old-Putten bij Elburg.

11

12

Even door de Vispoort, rechts, was de mandenvlechterij van J. Janssen. Allerlei manden, wiegen en palingkubben werden er van tenen vervaardigd. Op de wereldtentoonstelling in Brussel (1910) werd zijn inzending bekroond met een eremedaille. Hij staat met zijn vrouw in de deur. V oor hem zijn knechts, staande van links naar rechts: Augusson, een Belg, Hans Jansen, Aart Zwep, Henk van Kleef, een Belg, Bokhorst, Piet Schuyn, een Belg, G. de Gunst, Broekhuizen. In het 't midden: Schuurman, Wissink, Schuurman, Piet Meyer, G. Kruithof, A. Vos. Vooraan:

G. Schenk, HeinJansen, G. Binnenkamp, Van de Weterink,J. Wissink.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek