Fijnaart en Heijningen in oude ansichten

Fijnaart en Heijningen in oude ansichten

Auteur
:   H. Goulooze
Gemeente
:   Zevenbergen
Provincie
:   Noord-Brabant
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-3226-8
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Fijnaart en Heijningen in oude ansichten'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

IN LEIDING

Waar? Nou daar, ongeveer in het centrum van het wondermooie polderland van noordwestelijk Brabant. Daar, een paar kilometer ten zuiden van het Hollands Diep aan de noordelijke oever van de Mark/Dintel. Daar, aan de Zoomweg (Rotterdam-Antwerpen) en aan de - nog niet gereed zijnde Rijksweg nr. 59 (de verbinding tussen de Rijkswegen 17 en 19). Strikt genomen was die plaatsaanduiding niet nodig geweest, immers de gerneente is de laatste jaren nogal eens "inhet-nieuws" geweest, al was het aileen maar door het zo goed gesitueerde en vee! gevraagde industriegebied aan de Dintelmond.

"Dus een jonge industriegemeente vol jachtige bezigheid en prikkelbare mensen?" vraagt u? Nee, gelukkig niet! Wei wordt er hard en gestaag gewerkt, maar prikkel bare mensen? Nee vergeet u dat maar. In sornrnige opzichten misschien behept met een snufje eilandrnentaliteit, maar veruit overwegend even echte en gernoedelijke Brabanders als hun gewestgenoten van de zandgronden.

Fijnaart en Heijningen, geen tweelingen, wei een twee-eenheid als een Castor en Pollux, een Van Gend en Loos, de een is niet denkbaar zonder de ander. Een gerneente met in hoofdzaak twee woonkernen. In die woonkernen moderne, riante woningen, de wegen en dijken ertussen geven een variatie van statige boerderijen, bungalows, vriendelijke huisjes en oudere villa's te zien. Onder de steeds wisselende en altijd prachtige, weidse polderluchten tonen uitgestrekte landerijen een keur aan landbouwprodukten. Die landbouwgronden worden weer onderbroken door de vele boomgaarden met hun rijkdom aan mooi en gaaffruit. Kortom, een land met een vriendelijk en geschakeerd aanzien, bewoond door een betrouwbaar, nijver en vriendelijk slag mensen. U vindt het allemaal nogal wat chauvinistisch klinken? Best mogelijk, maar zelf een tiental jaren geleden van "boven-de-Moerdijk" gekomen zijnde, hoop ik dan nu toch oprecht tot het einde van mijn

dagen in dit goede land en tussen deze mensen te mogen blijyen wonen.

Fijnaart en Heijningen. Over het ontstaan en de ontwikkeling ervan zou Je in het voorwoord van zo'n boekje graag het een en ander vertellen maar de mij toegerneten ruirnte is daarvoor zo gering, dat ik slechts kan volstaan met het releveren van enkele van de voornaamste wetenswaardigheden.

Om te beginnen. Stelt u zich het tegenwoordige noordwest Brabant, dat daar met zijn polders lijkt te zijn aangedreven tegen de hoge zandgronden in het zuiden, even voor als een groot biesbos, 'een machtig natuurgebied van gorzen en slikken, van stromen en stroompjes, met een ongekende flora, miljoenen vogels van allerlei pluimage en een visstand . . . de armen van geen enkele hedendaagse hengelaar zijn groot genoeg om de maat aan te geven van de vissen (zalm, steur, elft, enz.) die hij toen wei had kunnen vangen.

In het eerste kwart van de elfde eeuw moet hier al van menselijk bedrijf sprake zijn geweest. Monniken van de abdij van Sint-Bernard (bij Antwerpen) lieten in het gunstige seizoen al schapen grazen op de gorzen die niet meer bij elk tij ondervloeiden. Wat later zijn ook zij het, die beginnen met turfsteken en moeren. Dat was voor dit jonge gebied een nogal riskante bezigheid, Het oude veen was met een nog maar dun kleilaagje overslibd, dus het veen was als natuurlijke brandstof gemakkelijk bereikbaar. Bovendien bevatten die veenklonten een hoog percentage aan zout, dat op betrekkelijk eenvoudige wijze uit die kluiten kon worden verkregen. Een wat hoger gelegen gors werd dan met een dijkje - een moerdijk - omkaad en was het eenmaal uitgemoerd, dan liet men de zaak verder maar weer voor wind en vloed liggen, Het gevolg was dat het water, dat zich nog maar zo kort uit deze streken aan het terugtrekken was, weer steeds dieper het land kon binnendringen en dit was dan mede een van de oorzaken die hebben geleid tot een lang voorspelde ramp, de Sint-Elisa-

bethsvloed in november 14:11. Met al het andere was ook het gors genaamd "de Finere", dat in 1380 "ter bedijking met een moerdijk" was uitgegeven, weer geheel onder water verdwenen. De toenmalige heer van Bergen op Zoom, Jan II van Glyrnes, had drommels goed in de gaten dat een goed in cultuur gebracht polderland hem meer gewin zou brengen dan dit biesbosgebied. Zo tegen het einde van de vijftiende eeuw gaat hij er persoonlijk vaak op uit om te zien hoe het met de op- en aanslibbingen gesteld was en hij geeft aanwijzingen hoe dat proces door de mens kan worden versneld. Het moest echter nog tot 1546 duren, eer net gors "de Finere" dermate "opgewasschen ende mit goede cleije beworpen" was dat Jacqueline de Croy, weduwe van Anthony van Glyrnes (kleinzoon van Jan II) als markiezin van Bergen op Zoom met de voorbereidingen voor de bedijking ervan kan aanvangen. In het vroege voorjaar van 1548 zijn die voorbereidingendan zover gevorderd dat de werkzaarnheden kunnen aanvangen en in het najaar kan de polder dan "in den droge" worden opgemeten. Grand voor het bouwen van een kerk en het aanIeggen van een kerkhof stelt zij gratis ter beschikking en daaromheen ontstaat dan weldra het eigenlijke dorp Fijnaart. Naar Jacqueline de Croy krijgt de polder de naam van "Vrouw Jacobsland", een naam die via "Vrouw Jacobsland gesegd den Finert" en "den Finert geseijd Vrouw Jacobsland", leidt tot de naam van "de Oude Fijnaart" voor deze polder. Vrouw Jacob en haar opvolgers hebben het bij de indijking van de Oude Fijnaart niet gelaten, integendeel. Zij zijn met het werk voortgegaan en dat wel in een tempo, waarvoor de hedendaagse scheppers van het industriegebied aan de Dintelmcnd zich waarachtig niet hoeven te schamen. Reeds in 1557 wordt in samenwerking met de prins van Oranje, als heer van de Klundert, overgegaan tot bedijking van de Kleine of Nieuwe Fijnaart en in 1564 de bedijking van de, buiten het bestek van dit boekje vallende, polder de Ruijgenhil. Het lijkt of de na-

tuur de bedijkers nog een handje hielp ook, want steeds meer gorzen en aanwassen worden rijp voor bedijking. Op 28 maart 1581 vindt de bedijking plaats van het gors de Heijningen door Jan van Withem en Margaretha de Merode, markies en markiezin van Bergen. Door de verwarde politieke toestand kon op het laatste moment niet met de werkzaarnheden worden aangevangen. Om zijn sterk Spaansgezinde houding ontzetten de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden het markiezenpaar namelijk uit al zijn rechten en de bezittingen werden verbeurd verklaard. De Staten schenken het markiezaat aan prins Willem van Oranje en door diens toedoen kan dan in het voorjaar van 1583 met de bedijking van de Heijningen worden begonnen. Ook deze polder is in het najaar droog en ingezaaid en gedeeltelijk reeds bevolkt. Zoals in die tijd gebruikelijk, kwam zo'n nieuw gebied tot het tijdstip dat de heer er een magistraat over gesteld had onder de jurisdictie van een ouder, in de nabijheid gelegen, gebied, Zo was Fijnaart voor recht en justitie in de eerste tijd aangewezcn op het gerecht van Standdaarbuiten en werden die van Heijningen gesteld onder de jurisdictie van de Ruijgenhil. Het sarnengaan van Fijnaart met Heijningen dateert van iets latere tijd, doch daarover straks.

Het valt te begrijpen dat de nakomelingen van de afgezette markies Jan van Withem het geen prettig idee vonden dat zij omwille van de dwalingen van Jan en Margaretha voor altijd van hun rechten verstoken zouden blijven. Bij het begin van het twaalfjarig bestand, in 1609, komt de zaak dan ook prompt aan de orde, zowel bij de Staten-Generaal, de raad van Brabant en natuurlijk ook bij prins Maurits. Dat deze laatste er geen fluit voor voelde zich zonder meer uit het markiezaat terug te trekken is ook verstaanbaar, al was het aileen maar om het feit, dat door hem grate bedragen in de verdedigingswerken van de Ruijgenhil (WilIemstad) waren gelnvesteerd, Bij uitspraak van de raad en het 1eenhof van Brabant in 1611

wordt dan bepaald dat de gehele Ruijgenhil zal blijven aan Maurits, doch dat het overige deel van het markiezaat dient te worden teruggegeven aan de rechtverkrijgenden van de oude markiezen. Een belangrijk gevolg hicrvan was, dat Heijningen kwam te vaIlen buiten de jurisdictie van de Ruijgenhil. Op korte termijn werd daarin echter voorzien want op 9 juli 1611 stelt de markies dan een schout, zeven schepenen en een secretaris aan over Heijningen "omme daer uijt sijn naem recht ende justitie te administreeren op gelijcke voet als inden Fijnaert" en hiermede is dan Heijningen een zelfstandig rechtsgebied,

Zoals reeds in het begin gesteld, de mij toegedachte ruimte is klein, te klein om ook nog over de bedijking der andere, tot het grondgebied der huidige gemeente behorende, polders iets te zeggen. Jammer, maar 't is nu eenmaal zoo

De magistraten van Fijnaart en van Heijningen vergaderden, evenals de polderbesturen, in het begin meestal in een herberg, maar ook toen was men we! van mening dat dit geen houdbare toestand was. Daarom maakte Fijnaart het plan een dorpshuis te bouwen, waar al die besturen in terecht konden voor vergaderingen, hun administratie en de berging van hun archieven.Tn 1613 begint men met de bouwvan "een dorpshuijs opde cruijne vanden dijck jegens de dorpsstraete", Ais het ruim een jaar daarna gereed is, blijkt het een fraai gebouw te zijn waarvan de, met de respectieve wapens voorziene, gebrandschilderde ramen zijn geschonken door de markies van Bergen en de onderscheiden polderbesturen. Hoe mooi het gebouw ook moet zijn geweest, het was weI een zorgenkind. Reeds in 1640 was het dak zo slecht, dat aIle leien vervangen moesten worden door pannen, in 1670 moesten grote bedragen besteed worden aan de restauratie van de voor- en achtergevels. In 1759 is het noodzakelijk de voor- en achtergevels geheel uit te breken en te vernieuwen, inclusief aIle kozijnen en tevens aan de zolder en de kap veel

geld te besteden, Deze restauratie duurde bijna drie jaren, Uiteraard werden de kosten van onderhoud van dit dorpshuis door beide jurisdicties gedragen en weI voor tweederde deel door Fijnaart en eenderde deel door Heijningen. Een enkele maal heeft dit aanleiding gegeven tot enige wrijving, Zo bij de laatst genoemde restauratie van 1759 tot 176:!, het geschil loopt dan zo hoog dat de Staten-Generaal er in worden gemengd en deze beslissen dan dat Fijnaart 80% en Heijningen 20% van die restauratiekosten moet betalen. Denkt u nu niet dat dit geschil als een koude douche op de zo goede verhoudingen heeft gewerkt, veeleer moeten we het verzet van Heijningen zien als een vorm van protest tegen de houding van het markiezaat. Wat toch was het geval? Zeker, die van Heijningen hadden vergadergelegenheid in het dorpshuis in Fijnaart, maar dat stond nu ook weer bepaald niet naast de deur. Nee, het liefst had men een eigen dorpshuis en men had daartoe het oog al laten vallen op een geschikt pand "aenden dijck vande Heijninge opden houck vant Slobbegors" en daartoe verlof gevraagd aan de markiezin, doch deze gaf geen toestemming. Dat dit besluit even remmend heeft gewerkt in de goude verhoudingen mag geen wonder worden genoemd. Temeer daar er al zo lang van een groeiende samenwerking sprake was - reeds in 1708 werden voor gezamenlijke rekening twee gerechtsdienaars aangesteld en waren sedertdien verschillende belastingmaatregelen in onderling overleg op gelijk tijdstip en tot gelijke hoogte ingevoerd - zou het bijzonder jammer zijn geweest als het besiuit van de markiezin een verwijdering teweeg had gebracht. In 1764 komen de magistraten dan overeen voortaan al die zaken rakende hun gemeenschappelijk belang in een gezamenlijke vergadering te behandelen en in een gezamenlijk resolutieboek in te schrijven en hetzelfde doet men dan vanaf 1780 met de verzorging der armen. Een enkele maal rijzen er dan nog wat moeilijkheidjes op kerkelijk terrein, maar dan gaat het nog niet om principiele

maar om rnateriele zaken.

Hoewel er in Heijningen ook grond was gereserveerd tot het bouwen van een kerk en het aanleggen van een kerkhof, het is vangeen van beide ooit gekomenen voor kerkgang en begraven bleven die van Heijningen aangewezen op Fijnaart. In die kerkelijke financien gold eenzelfde regeling als in die van het dorp, namelijk tweederde deel der kosten - zowel van onderhoud kerkgebouw als kosten tot instandhouding van de eredienst - waren voor rekening van Fijnaart en voor eenderde deel van Heijningen, Een hooglopend geschil op kerkelijk gebied wil ik niet onvermeld laten en dan betreft het niet een geschil tussen Fijnaart en Heijningen, doch van deze twee tezamen - magistraten en kerkeraad - met de kerkeraad van Willernstad, Wat toch was het geval? In 1726 moesten een jongeman en zijn geliefde enige spoed betrachten in het aangaan van een wettig huwelijk. Daar zij er kennelijk geen lust in hadden in het openbaar hun schuld in dezen te belijden, wendden zij zich tot de Willemstadse predikant, die de ondeugende jongelieden - in strijd met de voorschriften - in ondertrouw opnam. Zowel kerkeraad als magistraat van Fijnaart en Heijningen namen dit niet en riepen de predikant van Willemstad ter verantwoording, doch deze beweerde bij hoog en bij laag dat sinds overoude tijden Willemstad de kerkelijke jurisdictie had over de Heijningen. Dat die overoude tijden in 1611 waren geeindigd wist de goede man echter niet, Zoals vrijwel altijd bij een ruzie, het ene woord haalt het andere uit, dus zo ook hier. Het geschil mondt uit in een proces voor de raad van Brabant dat heeft geduurd van 1727 tot 1731.

De beide jurisdicties Fijnaart en Heijningen, die zich, zoals hopelijk werd aangetoond, gaandeweg ontwikkelden tot een hechte twee-eenheid, bleven tot 1795 onderhorig aan het markizaat van Bergen. In dat jaar worden dan de markizaatgoederen aan de centrale overheid getrokken en de eigenaars van alle heerlijke rechten vervallen verklaard. Het gebied wordt

dan gevoegd bij het, door het centrale bestuur ingestelde, departement van Schelde en Maas. Tot mei 1796 worden dan nog een enkele maal afzonderlijke publikaties gedaan door municipaliteiten van Fijnaart en Heijningen, doch een publikatie van 21 mei van dat jaar wordt dan uitgegeven door de raad der ene gemeente Fijnaart en Heijningen, Daaruit blijkt dan dat de, een enkele maal wei eens knellende, maar tach altijd weer vrijwillig aangehaalde en bevestigde band, dan door hogerhand is gewettigd, terwijl die band tot een onlosmakelijke wordt, wanneer bij Keizerlijk Decreet van 8 november 1810 beiden met elkaar worden verenigd tot de gemeente Fijnaart en Heijningen.

Tot zover in kart bestek iets over het verleden van deze gemeente. Hierin geen indrukwekkende geschiedkundige feiten die met vette letters in de .Jeerboeken voor de geschiedenis des Vaderlands" plegen voor te komen, doch dat neemt niet weg, dat temidden van het grote wereldgebeuren op dit grondgebied een plattelandsbevolking leefde en werkte aan wie dat gebeuren goeddeels, zonder er vaak bewust op te reageren, voorbij ging, maar die tach door moeilijkheden en druk heen, rnisschien weI mede daardoor, zich ontwikkelde tot een rustig, evenwichtig en hard werkend slag mensen. Hoewel deze mensen sterk bodemgebonden zijn, hebben zij de landbouw, toen zij daar hun brood niet meer in konden verdienen, de rug toegewend en hebben zij zich, dankzij hun aangeboren karaktereigenschappen, tot geziene werkers gemaakt in de industriegebieden van de randstad Holland. Zij zijn het waard dat alle pogingen die worden aangewend hen dichter bij hun geliefde grond werk en ontspanning te verschaffen met succes worden bekroond.

Tot slot wens ik u, die dit boekje met plaatjes uit grootrnoeders tijd ter hand neemt, er enkele genoeglijke uren mee toe en . .. voor correcties en aanvullingen houd ik mij graag aanbevolen.

1. Reeds in 1918 was het met het oude gerneentehuis een armoedige zaak en reeds vele jaren was de raad lang niet te spreken over de bouwvallige toestand. Natuurlijk kwamen er plannen voor ingrijpende restauraties of algehele vernieuwing: in 1909 lagen de sloopplannen voor dit gebouw al gereed en in 1920 was de grond voor een nieuw gebouw al gekocht, doch beide keren moesten, om financiele redenen, de plannen worden opgeschort en moest met een opknapbeurtje worden volstaan. Dit heeft geduurd tot 1950, toen het huidige, zeer presentabele - doch ook al weer te kleine - raadhuis in gebruik werd genomen.

--,

2. Het centrum van Fijnaart, de Voorstraat, gelegen tussen het raadhuis en de hervormde kerk. Helemaal rechts op deze in 1905 genomen foto zien we de dorpsveldwachter Jan Termaten, een boom van een kerel, die hoewel hij zijn onafscheidelijke stok nooit gebruikte, toch een onmiskenbaar gezag genoot.

3. Dezelfde Voorstraat en omstreeks dezelfde tijd, doch nu in de andere richting gezien, dus met het gemeentehuis op de achtergrond. De palen in de grasveldjes ter weerszijden van de rijweg herinneren nag aan de tot 1922 plaats gevonden hebbende veemarkten. De overlevering vertelt, dat de bouwer van de kerk met het een of ander .Jiet handje had gelicht" en dieswege werd beboet met het 1everen en stellen van deze marktpalen. Maar of dit verhaal waar is???

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek