Groesbeek in oude ansichten deel 2

Groesbeek in oude ansichten deel 2

Auteur
:   G.G. Driessen
Gemeente
:   Groesbeek
Provincie
:   Gelderland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-0287-2
Pagina's
:   192
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Groesbeek in oude ansichten deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  >  |  >>

Een bijdrage tot de kennis van de geschiedenis van Groesbeek over de periode 1040 tot 1940, van de vereniging "Heemkundekring -Groesbeek"

samengesteld en uitgegeven door G.G. Driessen met medewerking van P. Wilbers

Europese Bibliotheek - Zaltbommel MCMLXXVII

W~OEN

OEKJE

rSBNlO: 90 288 0287 8 rSBN13: 978 90 288 0287 2

© 1977 Europese Bibliotheek - Zaltbommel

© 2009 Herziene uitgave van de oorspronkelijke eerste druk uit 1977

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfihn of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Europese Bibliotheek Postbus 49

5300 AA Zaltbommel telefoon: 0418 513144 fax: 0418 515515

e-mail: pub1isher@eurobib.n1

INLEIDING

Vijf jaar geleden zag het boekje "Groesbeek in oude ansichten" het licht. Een jaar later verscheen "Kent u ze nog ... de Groesbekers". Beide werkjes vonden een gunstig onthaal; ze voorzagen kennelijk in een behoefte. Maar dat niet alléén! Ze hebben zowel bij de mensen die in Groesbeek geboren en getogen zijn als bij de nieuwe inwoners een onmiskenbare belangstelling gewekt voor de historie van ons dorp. Als resultaat daarvan kon onlangs zelfs de Heemkundekring-Groesbeek worden opgericht.

Genoemde boekjes vormden de eerste stappen op de weg van het populair-historisch onderzoek. Dit derde deeltje, dat nauw bij beide voorgaande aansluit, wil een aanvulling daarop zijn; ofschoon het evenmin wetenschappelijke pretenties heeft, graaft het toch al dieper in de historie van ons dorp en er is ook een ruimer gebruik gemaakt van wetenschappelijk verantwoorde bronnen. De geschiedkundige inbreng in dit boekje is grotendeels tot stand gekomen dankzij informatie uit het archief van de Heemkundekring-Groesbeek,

Een andere belangrijke bron van informatie vormde de heemkundige nalatenschap van de heer C. Luijben, in leven gemeente-secretaris van Groesbeek, welke welwillend aan de Heemkundekring-Groesbeek werd afgestaan.

Verder is de samensteller veel dank verschuldigd aan de heer P. Wilbers die weer bereid was de tekst te corrigeren en te stroomlijnen, en aan de heer J. van Deursen, die het copiëren en de montage van de foto's verzorgde. Verdere medewerkers vindt U vermeld achter in dit boekje.

Evenals in beide voorafgaande werkjes wil de samensteller ook in dit deeltje de lezer een indruk geven van het décor waarbinnen en de omstandigheden waaronder de mensen vroeger in Groesbeek hebben geleefd en gewerkt. Deze of gene lezer die vindt dat de inhoud van dit boekje te veel gericht is op de historie van de sociale omstandigheden in oud Groesbeek, verwijzen wij naar het boekje "Kent U ze nog ... de Groesbekers", dat zijn zwaartepunt heeft op het cultureel- en gemeenschapsleven. Zoals reeds werd opgemerkt, wordt in dit boekje tevens een eerste poging gedaan om Groesbeeks verleden op een meer overzichtelijke wijze in kaart te brengen, al zijn wij de eersten om te erkennen dat zelfs naar die norm gemeten deze schets weinig meer dan een eerste verkenning is. Maar dit is het begin, waaraan sinds lang grote behoefte bestond en waarop anderen kunnen voortbouwen. Wanneer dat gebeurt, zal daarin de grootste voldoening van de samensteller gelegen zijn!

De samensteller G.G. Driessen

GESCHIEDENIS VAN GROESBEEK

Dit zeer oud dorp in het rijk van Nijmegen ligt schilderachtig aan het gebergte, werd weleer geschreven Grosebecke, Groesbeeck enz. kan zijn naam ontleenen van BECKE eene beek of eene heuvel en groenen, groes en beteekenen eene groene beek of wel een heuvel of berg met groen bewassen.

De uitgestrekte gemeente bevat het dorp Groesbeek, benevens de gehuchten Drul, Nijerf', Grafwege, St. Anthonis, Bruuk, Heiland, Plak, Heikant en Nederrijksche-Wald en beslaat eene oppervlakte van ruim 4485 bunders. HEERLIJKHEID. Over het oude Rijkswald bij Groesbeek waren eertijds waldgraven of SYNDICI FORESTALES aangesteld, en reeds den 26 Mei 1040 schonk keizer Hendrik III aan den waldgraaf te Groesbeek eene hoeve met toebehooren UNUM MANSUM IN VILLA NOMINE GROESBEECK CUM OMNIBUS SUIS PERTINENTIIS (A.J. Nijhoff', Bijdragen W.A. van Spaen 4.)

De nakomelingen der waldgraven hebben den naam van HEEREN van GROESBEEK aangenomen. Johan heer van GROESBEEK staat in verscheidene brieven tusschen de jaren 1258 tot 1268 vermeld, en zijn naamgenoot bleef in 1291 borg voor Gerard van Oije in dezes geschil met het kapittel der Apostelen te Keulen. (Charterboek van Gelderland.) Johan van Groesbeek ridder was regter in de Duffeld; (Vgl. Deel 1 184.) ten zijnen behoeve werden in 1329 beëedigde kondschappen afgelegd, inhoudende dat de heeren van Groesbeek te alle tijde waldgraven geweest zijn; hij was tevens heer van Heumen en kocht Malden en Beek van Dirk van Hom, heer van Perweijs en Kranenburg. Keizer Karel 4 beleende den 26 julij 1359 heer Johan met het hof te Groesbeek met de kerkgifte en met het waldgraafschap van Kolwald, den hertog van Gelre bevelende hem alle voorregten te laten genieten, die aan zijne voorouders waren beleend; (Spaen 4.57.) intusschen bezaten de graven van Gelre en van Kleef al vroegtijdig eenige regten in het Rijkswald, Zeger van Groesbeek Johan's zoon was wel met andere goederen beleend, doch van de beleening van Groesbeek bestaat geene zekerheid. Bij zijn afsterven werd Johan van Groesbeek ridder in 1405 door den hertog van Gelre met Groesbeek beleend, en na zijn overlijden in 1423 zijn zoon Johan in 1424 met het dagelijksch gericht van het dorp en kerspel van Groesbeek, terwijl het hooge gericht aan den hertog verbleef; heer Johan ontving verder alle goederen, renten en erven te Groesbeek, gelijk hij en zijne voorzaten die van het rijk hielden, dus deed de hertog de beleening als plaatsvervanger des keizers.

Johan was van 1444 tot 1465 burggraaf van Nijmegen, en droeg in 1457 de heerlijkheid aan zijnen broeder Dirk op; doch toen Dirk kinderloos kwam te overlijden, gaf hij dezelve aan zijnen zoon Zeger, die in 1465 van hertog

Arnold de be1eening ontving en in 1497 zijn eed hernieuwde. Zijn zoon Johan in 1513 beleend gaf in 1527 alle steenen van het huis Heumen en ontving daarvoor te leen het hoog regtsgebied van Groesbeek onder voorwaarde, dat de hertog ten alle tijde de hooge heerlijkheid voor 800 gouden Rijnsgl. zal mogen inlossen; Johan was voor 1565 overleden, wanneer zijne vrouw Berta van Goor op de riddercedul te Nijmegen voorkomt.

Reeds in 1549 had hij Groesbeek aan zijnen tweeden zoon Zeger opgedragen, terwijl zijn oudste telg Johan de dorpen Heumen en Malden verkreeg; zijn derde zoon Gerard, prins-bisschop van Luik (Deel I 99.100.) was door zijn vader, die als heer van Heumen een derde gedeelte der tienden van Niel bij Kranenburg en tevens het patronaat der kerk bezat, den 7 december 1526 met de pastorij aldaar begiftigd doch deed omtrent het jaar 1530 daarvan afstand. Zeger van Groesbeek, in 1554 tot 1558 burggraaf van Nijmegen en later gouverneur van Vriesland en Utrecht en luitenant-stadhouder in Overijssel, (Spaen 4.66 - Dr. Nuijens II.d. 1 101.) stierf in 1572; zijn zoon Zeger werd in 1574 beleend en zijn kleinzoon Ernst verkocht in 1610 Groesbeek aan zijn oom Johan van Groesbeek, die eerst kanunnik te Luik was, later als krijgsoverste Spanje diende en vele jaren te 's-Gravenhage gevangen zat. Deze Johan van Groesbeek, door den keizer in grafelijke stand opgenomen, liet eene dochter achter, die met Johan van Merode huwde en vóór haar vader ten grave daalde. De kleinzoon Johan Constant van MERODE werd na zijn afsterven in 1639 beleend, doch het hof van Gelderland zegde hem het volgende jaar het pandschap der hooge heerlijkheid op en verleende die aan Jacob JUNIUS, raad van den prins van Oranje.

Over de wederzydsche regten ontstond een proces en volgens de uitspraak van het hof van 26 July 1648 werd aan Junius het crimineele en aan de Merode het civiele regt toegekend. Waarschynlyk door verkoop kreeg de Merode de heerlykheid van Junius en in 1652 werd zyn broeder Ferdinand Maximiliaan van Merode daarmede beleend. Dezes twee oudste kinderen Frans Egon en Wilhelmina Theresia van Merode stierven kinderloos en zyn jongste dochter Wilhelrnina, gehuwd met den graaf van Brin, kreeg in 1696 Groesbeek by erfenis. In 1699 kwam de heerlykheid Groesbeek door aankoop aan den vryheer van Wachtendonk, wiens beide zonen Johan Wilhelm en Herman Arnold achtereenvolgens daarmede beleend zyn. Deze laatste was heer tot Germenseel, Wyle en Groesbeek en van 1702 tot 1709 landdrost van het land van Ravenstein. Deze heeren bezaten onder Niel een oud en aanzienlyk kasteel, Germenseel genaamd, dat in het einde der XVIII eeuw is gesloopt. Hun erfgenaam Frans Karel, baron van Loë van Wissen, verkocht in 1768 Groesbeek aan de staten van Gelderland voor de somme van f 98000,- behalve nog f 6600,- tot lossing voor het pandschap der hooge heerlykheid.

Bovenstaande geschiedkundige gegevens zijn overgenomen uit "Geschiedenis van het Bisdom 's-Hertogenbosch" door de Eerw. Heer L.H.C. Schut jes, uitgegeven in 1872.

De Heerlijkheid Groesbeek kan na zijn verkoop in 1769 blijven bestaan, maar moet het hoge en lage rechtsgebied laten beheren door de Rekenkamer. Tot 1851 komen er nogal wat staatkundige veranderingen in Nederland; Groesbeek viel echter steeds onder het Rijk van Nijmegen en het Kwartier van Zutphen, of men dit nu betitelde als arrondissement, hoofdschoutamt of distrikt. In 1794 maakte de oorlogsverklaring van Frankrijk een einde aan de zelfstandigheid van het Rijk van Nijmegen. Wij lezen dat in december 1794 de Franse troepen de stad Nijmegen op de prinselijke troepen, de Hannoveranen en de Engelsen, veroveren. Ook Groesbeek komt onder bestuur van de Bataafse Republiek, totdat in 1810 ons land wordt ingelijfd bij Frankrijk. Als Napoleon in 1813 verslagen wordt en de Fransen verjaagd worden kan PrinsWillem overgaan tot het stichten van het Koninkrijk der Nederlanden waarvan hij in 1815 de titel aanneemt van Koning Willem I.

De gemeenten, zoals wij deze vandaag de dag kennen in Nederland, danken hun juridische bestaan onder deze uniforme benaming aan de grondwetsherziening van 1848 en aan de daarop gebaseerde gemeentewet van 1851. Deze regelen eenvormig, wat voordien (behoudens in zekere mate in 1798 en 1814) verschillend geregeld was. In de grondwet van 1814 werden, waar gesproken werd van plaatselijke besturen, alleen bedoeld de stedelijke gemeenschappen. De plaatselijke besturen ten plattelande werden ook niet met de uniforme benaming "gemeente" aangeduid, doch met respektievelijk "heerlijkheden (zoals Groesbeek), distrikten en dorpen". Overigens bezigden de reglementen voor het bestuur ten plattelande wel de benaming "gemeente" als algemene benaming. In 1851 verdwijnt dan ook de Heerlijkheid Groesbeek en doet de Gemeente Groesbeek haar intrede. Tot dat jaar waren het woelige tijden en onze voorouders hebben heel wat trubbelingen meegemaakt en heel wat besturen gekend. Op de volgende bladzijden zullen wij dieper ingaan op de wetenswaardigheden van de Heerlijkheid en later de Gemeente Groesbeek.

Het hierbij afgebeelde wapen van Groesbeek en de daaronder staande Duitse tekst vinden wij in het boek: "Die Dynasten, Freiherren und jetzigen Grafen von Bocholts. Beitrag zur alten Geographie, Rechts-, Sitten- und Culturgeschichte des Niederrheins" door A. Fahne in 1863. Aangaande het wapen lezen wij: "Het gelijknamige geslacht had als wapen een rood uitgevoerd schild, versierd met een golvend zilveren lint en daarboven een helm met een rode hondekop, voorzien van een zilveren halsband. (De kleuren van het schild worden soms ook omgekeerd aangetroffen, dat wil zeggen een zilverkleurig schild met een rood lint.)" In dit boek staan ook: nog drie kleinere wapens van Groesbeek afgebeeld, waarvan de schilden dezelfde vorm hebben als ons huidige gemeentewapen. De heer C. Luijben schrijft hierover: "Het oude wapen van Groesbeek blijkt in de loop der eeuwen onder de verschillende heren van Groesbeek steeds hetzelfde geweest te zijn, doch de versiering was verschillend. Sinds het eerste kwart van de l4e eeuw komt het wapen geregeld voor op de zegels van de heren van Groesbeek. Ook vindt men het afgebeeld in het oudste nog bestaande Nederlandse wapenboek van de Heraut Gelre (eind l4e eeuw). Op een zegel uit 1395 (van Zeger van Groesbeek) komt als schildhoofd voor een rechtstaande hondekop." Het huidige gemeentewapen werd aan de gemeente Groesbeek verleend bij Koninklijk Besluit van 11 december 1937. Dit op verzoek van de toen zetelende gemeenteraad.

Q)rOt1lJtd, Q)rot.lJtcf !fiat fine -ttmfá)lft all 'riet 9)?aaG. int lurmaHlltn ~cr808t~um (idbnn, ~tift ~~mtl)fQtn. 1)0' @efá)le~t, Itlelá)e' lid> 'barna~ fd}t'irb, fit{)rlc in ~}ll'tb fin fl4ttembc~, jilbcrntf ~4n) un'o auf bem ~dmt etnen fot~m -tttlnMfo~f, 'beffen S~a{ö l'a~ [ilberne ~lll{l 3int, (l'ic ~incllltClt jin'o au<t roof)f umgde~rt. 'oer ~<tHD 5Ubn I ba' ~an) !Jtot~). ~(l ~at mil l'en S?alt'id ulIb .I)oemol bie W4>Vtll~f1UWl ullb llil~rf~dnfilt au<t ben ~tanlm Bcmcfnfltm.

In "Stede-Atlas van Nijmegen" en in "Die Burgen im Reich von Nimwegen" door F. Gorissen uit Kleef, vinden wij talloze gegevens over Groesbeek; de onderstaande zaken zijn dan ook voor een groot deel ontleend aan deze twee werken. Door hem is vroeger reeds geloofwaardig gemaakt dat Groesbeek het oord is geweest, waar Theophanu in het jaar 980 haar zoon Otto ter wereld bracht. 1 (De Karolingische of Ottonische Hof moet men in de voorburcht van de Middeleeuwse burcht zoeken; daar waar de "Groes-beek" de Dorpsstraat kruist.) Verder vertoefden de Duitse koningen in Groesbeek toen de Pfalz van Nijmegen in het jaar 1047 verwoest was door Balduin van Rijsel. De Duitse koningen, die in Nijmegen moesten zijn om hun staatszaken te behartigen, woonden in Groesbeek zover achterhaald op 17 sept. 1057 en 21. sept. 1062. Later is door onderzoekingen aangetoond dat de kerk van Groesbeek, de Capella Imperatoris, de oudste kerk op de Keulse diaconaatlijst is. Verder is het mogelijk, dat het Hof en het daaraan klevende kollationsrecht over de Groesbeekse kerk aan de Waldgraven verleend werd. Het is in elk geval zeker dat de organisatie van de Reichshof met alle bijkomende toebehoren in het jaar 1247 aan Graaf Otto van Gelderen verpand werd.

Reichshof en kerk hebben de naam van de beek die daar in de buurt ontspringt; de oudste naamvorm "Villa Gronspech" (l040) is opgetekend door een Oberdeutschen-Kanzleischreiber. 2

De latere Heren van Groesbeek, sinds het midden van de lle eeuw in het bezit van het (woud)graafschap in het Rijkswald, woonden toentertijd in het kasteel Waterrnarbeek (nu "de Meerwijk"). Waarschijnlijk hebben ze dit ten laatste rond het midden van de l3e eeuw verlaten, omdat zij zich toen al naar het dorp Groesbeek noemden. Het kasteel is vermoedelijk in de weiden achter de Reichshof gebouwd. Wanneer dit is gebeurd, zou alleen een opgraving kunnen vaststellen.

De familie Groesbeek bezat als leengoed van het kasteel in Groesbeek de gave van de kerk en het graafschap. Het graafschap stonden ze in de tweede helft van de l4e eeuw af aan de hertogen van Gelderen; daarvoor kregen ze van de Gelderen, uiterlijk sinds 1404, molen en gemaal evenals de lagere rechtbank in leen. De hogere rechtbank verworven ze pas in 1527 en vanaf dat moment ook gingen ze de herentitel "van Groesbeek" dragen (naast die van Heumen, Malden en Beek). Daarnaast was er allodiaal (niet-leenroerig) grondbezit en het door koning Hendrik de Derde verworven "Hof'. 3

Op de foto zien wij de plaats waar omstreeks 980 de bovengenoemde Capella Imperatoris heeft gestaan.

1. Keizerin Theophanu, dochter van de Oostromeinse keizer. Over haar zoon lezen wij in de Winkier Prins: "De Saksische koning Otto Hl (983-1002)". Het grote Duitse rijk (waartoe wij toen behoorden) is ontstaan door de verdeling van het rijk van Karel de Grote in 843 bij het verdrag van Verdun.

2. Villa is het latijnse woord voor boerderij, landhuis.

3. "Hof" of " Hoeve" is oud-Hotlands voor stuk land van bepaalde grootte.

DE BOUW VAN HET KASTEEL

De oudste en voor zover bekend enige aanblik van het kasteel is de perspectivische schets (d.w.z. geprojecteerd op een plat vlak) op de boskaart van Thomas Witteroos uit 1570 (R.A. Gelderland rekenkamer 3) zie hiernaast. Deze schets maakt de volgende bouwgeschiedenis waarschijnlijk. Eerst is er een rond kasteel met woontoren, dan wordt in de l5e eeuw achter de toren een woonhuis gebouwd. Nog later breekt men de woontoren weer af en breidt het huis (uit de l5e eeuw) uit met een woongedeelte. In het midden van de 16e eeuw krijgt de trappentoren een nieuwe kap.

Op de kaart uit 1758-1764 (blz. 3) staat een duidelijke plattegrond van het kasteel getekend. Men betrad, als men van de kerk af kwam en de Dorpsstraat overstak, via een brug het bijna vierkante kasteel. Een tweede gracht scheidde het zeer ruime voorkasteel van het ronde eiland met het hoofdkasteel. De kasteelgrachten kregen hun water uit de "Groes-beek", die ook de onderlangs liggende uitgestrekte visvijvers van water voorzag, voordat hij in het Cranenburgse moerasland uitstroomde.

Verder is over het kasteel weinig bekend. Het verval en later het verdwijnen van het kasteel moet als oorzaak gehad hebben, dat de familie Groesbeek na de dood van Seger van Groesbeek (die op 20 dec. 1571 tijdens de mislukte bestorming van Haarlem aan Spaanse zijde viel) naar de Zuidelijke Nederlanden (later België) getrokken is. Dat de familie zich juist hier vestigde kan het gevolg zijn van het feit dat de zoon Gerard van Groesbeek (1520-1580) bisschop en later kardinaal van Luik geworden was. De manlijke tak is hier uitgestorven. De dochter huwde met Johan van Merode. Van het geslacht Groesbeek getuigen in België o.a. "L'hotel de Groesbeek et de Crix" te Namen (thans museum), het kasteel van Franc-Waret bij Namen en de Bron van Groesbeek bij Spa. Van het kasteel te Groesbeek is in de 18e eeuw nog slechts wat puin over en het is waarschijnlijk dat een van de bijgebouwen later bekend is geworden als "Huize Groesbeek", zie pag. 3. Betreffende de familie Groesbeek en het kasteel alhier lezen wij in het reeds eerder aangehaalde boek van A. Fahne uit 1863 een sage over een schat.

In de hoofdlijn van het geslacht Groesbeek komt in iedere generatie een persoon voor met de voornaam Seger. Daarvoor deze verklaring: volgens een oud verhaal heeft ene Groesbeek in het kasteel Groesbeek een grote schat verborgen, die de duivel in bewaring genomen heeft. Alle tot dan toe toegepaste toverkunsten hebben het niet voor elkaar gekregen de schat los te krijgen. Het enige wat men de duivel heeft kunnen ontlokken, was de bekentenis dat er eens een Seger van Groesbeek geboren zou worden, die de schat te voorschijn zou kunnen halen. Om te voorkomen dat er op een bepaald moment geen Seger was om de schat op te halen en de duivel verder de gelegenheid zou hebben schatbewaarder te spelen, werd het een familie plicht steeds een Seger bij de hand te hebben. In de stamboom van de familie zien wij inderdaad dat er van 1359 tot 1598 steeds Segers geweest zijn.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek