Het Kaatsen in oude ansichten deel 1

Het Kaatsen in oude ansichten deel 1

Auteur
:   J. Lolkama
Gemeente
:  
Provincie
:  
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-0005-2
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Het Kaatsen in oude ansichten deel 1'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

INLEIDING

Weinig mensen zullen het zich nu moeilijk kunnen indenken dat omstreeks de eeuwwisseling het kaatsen in ons land nog de sport was die de meeste georganiseerde beoefenaars telde. En om een ander misverstand direct maar weg te nemen: deze oude sport was toen nog niet alleen op Friesland geconcentreerd: ook in Noord-Holland, met name in de kop van West-Friesland, en op het platteland van Zuid-Holland, vooral in de omgeving van Gouda, werd deze volkssport beoefend. Maar de revolutionaire ontwikkelingen van moderne sporten als voetbal, cricket, hockey en wielrennen hebben de kaatssport ernstige concurrentie aangedaan. Alleen in de noordwesthoek van Friesland bleek ze sterk genoeg te zijn om stand te houden, alhoewel ze haar monopoliepositie daar ten dele moest afstaan.

Omstreeks 1853 zag de toekomst van het kaatsen er bepaald niet rooskleurig uit in Franeker dat van oudsher een centrale plaats innam. Het kaatsen ging in die periode op en neer met de economische toestand in de agrarische sectoren. Ondanks dat het kaatsen in andere delen van Friesland in de lift zat, verminderde de animo van spelers en publiek de voorafgaande jaren zo drastisch dat de ondergang voor de deur leek te staan. Een aantal Franeker notabelen nam het initiatief om dit culturele gebeuren de helpende hand te bieden. Dat het geen eenmalige injectie mocht zijn, was een duidelijke zaak. Apotheker J.W. Bekker kreeg de voorzittershamer en wijnhandelaar en assurantievertegenwoordiger Jan Bogtstra werd secretaris en de grote inspirator achter de schermen. De eerste wedstrijd die de "Permanente Commissie tot Instandhouding van een Buitengewone Kaatspartij in Franeker" organiseerde, werd gehouden op zondag 9 juli 1854. Enkele bijzonderheden zijn nog bewaard gebleven van wat we nu de oudste nationale sportgebeurtenis van ons land mogen noemen. Slechts acht parturen bonden de strijd aan. In de advertentie werd echter een restrictie gemaakt: in een partuur mochten zich niet drie broeders verenigen. Deze beperkende bepaling moet zijn ingevoerd om de overmacht van de gebroeders Boorsma uit Tzummarum en Felkers uit Winsum te kunnen breken. Een jaar later verviel deze clausule. De hoofdprijs in 1854 bedroeg f 36,- voor het winnende trio, dus f 12,- per speler. Vanaf 1856 wordt de wedstrijd op het Sjukelan gespeeld, het meest sfeervolle kaatsstadion waarover de kaatsminnende natie beschikt.

Vermeldenswaard is tevens het feit dat de P.C. in het jaar 1861 niet geheel werd uitgespeeld. Summiere gegevens vermelden geen reden, maar wel dat het "lot" de winnaars had aangewezen.

Een van de meest opvallende kaatsers uit de beginperiode was Auke Miedema uit Zweins. Wat geen enkele andere speler in meer dan honderd twintig jaar historie voor elkaar bracht, presteerde deze voorman van een tichelwerk. Zesmaal achtereen, van 1867 tot en met 1872, won hij deze slijtageslag, waar alleen uitblinkers in technisch en tactisch opzicht staande kunnen blijven. En dat nota bene in een periode waarin nog geen koningsprijs bestond. Op initiatief van de toenmalige commissaris der koningin, mr. B.Ph. baron van Harinxma thoe Slooten, werd in 1883 een oude traditie in ere hersteld. Na 1841 waren de koningsballen voor de spelers uit de mode geraakt. Deze koningsprijs voor de beste kaatser van het prijswinnende partuur - een zilveren bal - wordt vanaf dan weer het droombeeld voor de winnaar. De Leeuwarder Courant, die vanaf haar oprichting in 1752 heel wat bijzonderheden over het kaatsen heeft vastgelegd in advertenties, vertelt ons onder andere dat op 5 augustus 1754 in Grouw de zilveren bal werd verkaatst. De kastelein van Jorwerd wou niet voor zijn collega onderdoen en schreef op 26 september 1775 een wedstrijd uit waarin een gouden bal op het spel stond. De eerste keer dat op de P.C. een koningsprijs werd uitgeloofd - in 1883 - werd Auke Miedema tot koning gekroond. Samen met twee roemruchte latere koningen, Sjirk de Wal uit Dronrijp en Klaas Boorsma uit Zweins, won hij in dat jaar.

In 1888 betraden twee parturen uit Andijk de smaragdgroene grasmat van het Sjukelan om hun krachten te meten met de Friezen. In een ingezonden artikel in de Enkhuizer Courant van 10 augustus 1888 geven de Andijkers een verslag van hun ontmoeting. Over de ontvangst niets dan lof, maar de manier waarop de Friezen opslaan, kan geen goed woord verdragen. De lage snelle opslag moet het ontgelden en uit hun reacties bleek overduidelijk dat dit veel afbreuk aan hun verrichtingen had gedaan.

In 1890 bleek maar eens te meer hoe hecht de band tussen de bevolking en de P.C. was geworden. Een ernstige economische depressie had in de oude academiestad een hongersnood veroorzaakt. De directeuren van de P.C. schroomden geen ogenblik en stelden de gehele opbrengst ten goede aan deze volksvijand nummer een.

Emotioneel was het jaar 1894. In de era waarin de leus vrijheid als een van de grondpatronen van het liberalisme de boventoon voerde, verbood het P.C.-bestuur aan het koningspartuur Johannes Anema (Schingen), Jan Reitsma (Pingjum) en Pieter B. Yetsinga (Arurn) om in deze samenstelling uit te komen. Dit koningspartuur was overigens zijn tijd vooruit. Fabrikant Van der Linden uit Alphen aan den Rijn had f 75,- neergeteld om op een sigarenkistje een foto van dit drietal af te drukken. Sponsoring in de kaatssport is dus bepaald niet iets van de laatste jaren.

Belangrijk op organisatorisch gebied was zonder meer het jaar 1897. Op initiatief van de Franeker kaatsvereniging "Jan Bogtstra", opgericht in 1893, werd op pinkstermaandag een kaatsconcours gehouden. Hieraan namen zeventien verenigingen deel. Dezelfde dag besloten de twintig verenigingen die een afgevaardigde gezonden hadden tot oprichting van de Nederlandse Kaats Bond. Achteraf kan men zeggen dat deze stap de kaatssport veel heil heeft gebracht. Op speltechnisch gebied heerste er een grote choas. De spelregels verschilden van dorp tot dorp en belemmerden een optimale ontplooiing. Een besluit dat zeer vergaande consequenties had, werd in 1904 genomen. Op voorstel van de afdeling Wommels werd de lengte van het perk van vijftien op achttien meter gebracht. Dat betekende, in vergelijking met het traditionele patroon van die dagen, een enorme uitbreiding. De speelvelden en -perken waren veel kleiner van omvang geweest en deze maatregel moest wel invloed op het spel uitoefenen. Bekend is bijvoorbeeld dat in Arum tussen de voor- en bovenlijn eenendertig, in Witmarsum drieëndertig en in Pingjum vierendertig meter speelveld lag, terwijl de afmetingen van de perken veelal kleiner waren dan vijftien meter. Nu werd de officiële afmeting zestig meter, verdeeld in achttien meter perk en tweeënveertig meter speelveld. Het spel onderging langzaam een evolutie waarbij een verplaatsing viel waar te nemen van de uitslag naar de opslag.

In dit boekje "Het Kaatsen in oude ansichten" hebben we getracht een overzicht te geven van de spelers tot circa 1925. Incidenteel moesten we deze jaargrens wel eens even verlengen omdat weinig geschikt fotomateriaal voorhanden was. Wanneer men meer wil vastleggen voor de toekomst is een snelle inventarisatie nu zeker gewenst. Veel dank zijn we verschuldigd aan T. Mercuur uit Franeker die ons als directeur van het "Coopmanshus", een streekmuseum dat een permanente kaatsexpositie heeft, vele foto's voor dit doel afstond. Verder aan kaatsarchivaris D. Zijlstra uit Leeuwarden die ons bij een aantal bijna onoplosbaar lijkende vragen kon helpen.

1. De Bondswedstrijd van 1920 in Dronrijp werd gewonnen door het trio van de Dokkumer kaatsclub "Oostergo". De winnaars waren, zittend van links naar rechts: Germ Koster, Ids Jousma en Klaas Boersma. Deze laatste ruimde nadien zijn plaats voor Klaas Kooistra. De premiewinnaars kwamen uit Oosterlittens. Links zien we J. Boelens, in het midden R.J. Brink en rechts H. v.d. Feer. Er was veel belangstelling die dag in Dronrijp. Het werd voor Dokkum een grote eindzege: 6-1. In de halve finale had Dokkum veel moeite met Oosterend dat met de derde prijs tevreden moest zijn.

2. Sjirk de Wal uit Dronrijp was actief tussen 1870 en 1897. Hij staat als een allround speler te boek. Hier zien we hem met zijn vrouw. Later zou hij naar Duitsland verhuizen. Kaatsarchivaris D. Zijlstra heeft getracht zijn loopbaan te achterhalen. In de kwart eeuw waarin hij kaatste, won hij in totaal f 1.498,50, waarbij we de aantekening plaatsen dat dit waarschijnlijk zestig procent van zijn totaalbedrag zal zijn. Veel uitslagen werden tot 1890 nimmer in de kranten gepubliceerd. In Dronrijp leeft zijn naam nog voort. De plaatselijke kaatsvereniging draagt zijn naam en ook een straat is naar De Wal genoemd.

3. Dit groepje spelers verdedigde de nationale kleuren in 1934 in de Noordfranse stad Lille. De complete jeu de pelote-ploeg was twee keer zo groot. De reis per bus verliep in opperbeste stemming. Van links naar rechts zien we: Andries de Haan (Berlikum), Geert Kracht (Harlingen), George Jellema (Weidum), Klaas Kuiken (St. Jacob) en Frans van den Vliet (Witmarsum). Voor Geert Kracht was het enkele jaren later afgelopen. Hij versloeg zijn schouder waardoor zijn loopbaan als geëindigd kon worden beschouwd.

4. Op Koninginnedag 1919 vond op het oude kaatsland in Harlingen een demonstratiewedstrijd plaats. Twee parturen van de Harlinger kaatsvereniging "De Eendracht" kwamen tegenover elkaar te staan. Op de achterste rij zien we, van links naar rechts: voorzitter J. Yntema, U. Posthuma, S. de Vries en commissaris Kooistra. Zittend: Y. Hamstra, D. Kwast en A. van Veen. Historisch heeft deze foto waarde omdat de kaatsers welke met medailles getooid zijn de eersten waren die de Harlingers een Bondszege schonken. Reeds in 1910 drongen de Harlingers tot de eindstrijd door, maar verloren toen van Leeuwarden. Nadien zorgde een illuster gezelschap ervoor dat "De Eendracht" verreweg de meeste Bondszeges op haar naam kreeg.

5. Alhoewel verschillende pogingen zijn aangewend om het dameskaatsen te activeren, zijn resultaten uitgebleven. Een grote stimulator was de bekende sportpionier Pim Mulier, geboren in Witmarsum. Op zijn advies vond op 26 september 1915 in Harlingen een sportwedstrijd voor meisjes plaats. De hoofdmoot was atletiek en kaatsen. Twee parturen meisjes verschenen binnen de kaatslijnen. De vrouw van de commissaris van de koningin had medailles beschikbaar gesteld. We zien van links naar rechts de heren W. Westra, P. Mulier, M. Werkhoven en S. Piccard (burgemeester van Wonseradeel). De meisjes waren van links naar rechts: Rinske de Zee (Franeker), Eke Blanksma (Achlum), Ine Schurer (Wijnaldum) en Koosje Boersma, Itske Bangma en Geertje Weiland uit Witmarsum. Het Franeker partuur won de eerste prijs.

6. In 1924 kwamen de kransen van de P.C. om de schouders van een compleet Harlinger partuur te hangen. Achteraf mochten ze bepaald niet mopperen. Dat lag niet aan hun capaciteiten doch aan het feit dat het partuur zich niet had aangegeven. Vlak voor de aanvang van de loting deed Anne Smidts dat nog even mondeling. Het aanwijzen van de koning van de partij was een heel karwei. Hans Knol had daar speltechnisch bezien de meeste aanspraak op. Omdat Knol de gehele dag op grijze sokken had gespeeld, oordeelde de commissie dat dit fataal voor het koningschap was. Roukema,die geweigerd had in de finale een gekleurd shirtje te dragen omdat het te klein was, zat er ook naast. Over bleef Klaas de Jager. Vermeldenswaard was dat opslager Knol de gehele dag niet eenmaal poedelde. In totaal sloeg Knol vierhonderd vijfentwintig punten bijeen.

7. Ondanks de miserabele economische toestand in 1932 bleven de echte toeschouwers hun sport toch trouw. We zien hier een momentopname van de P.C. waarbij het meetlint uitkomst moet brengen wie de twee op het spel staande punten zal krijgen. Voor het eerst in de historie van deze wedstrijd - die al van 1854 dateert - was het een uitnodigingspartij. De prijs van negen gouden tientjes ging naar Klaas Kuiken, Sape de Haan en Jan V.d. Ley. Meer dan vierduizend supporters sloegen vanaf het "schellinkje" aan het bolwerk de wedstrijd gratis gade.

8. De "Oldehovedag" van 1922 bracht de twee bovenstaande parturen in de finale. De winnaars laten zich hier zittend vereeuwigen. Dat zijn, van links naar rechts: Jacob P. Dijkstra (Menaldum), André Rienstra (Sneek) en Johannes Bosma (Beetgum). De premiewinnaars waren van links naar rechts: Hans Knol (Harlingen), Pieter He1frich (Wijna1dum) en Siebe Sevenster (Leeuwarden).

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek