Kent u ze nog... de Zevenbergenaren

Kent u ze nog... de Zevenbergenaren

Auteur
:   B. de Heer
Gemeente
:   Zevenbergen
Provincie
:   Noord-Brabant
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4386-8
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Kent u ze nog... de Zevenbergenaren'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  >  |  >>

INLEIDING

Bij het verschijnen van deze uitgave is een bijzonder woord van dank, gericht aan al diegenen, die mij de benodigde inlichtingen hebben verstrekt om tot een zo compleet mogelijk geheel te komen, zeer zeker op zijn plaats. Een extra woord van dank wil ik richten tot de heren: C. de Gouw, J.J.Th. Molengraaff, Jaq. de Groot, W. Waalboer, A. de Gast, C. de Heer en C. Klasen, want zij zijn mij zeer behulpzaam geweest.

Dat u verschillende verenigingen mist, vindt zijn oorzaak in het feit dat hiervan geen enkele foto en/of informatie was te bemachtigen. Ook heb ik mij vaak moeten beperken met de tekst, omdat er ternauwernood gegevens voorhanden bleken te zijn,

Moge het "Zeuvenbergs Vesje " van Jaq de Groot, er mede toe bijdragen u een indruk te geven van "die goeje ouwe tijd".

Zeuvenbergs Vesje

Kende d'iestorie van di stadje, de Stoof, 't End, 't Achterpadje, d'afgebraand-oef, de zwarte neeger, sehudde mulders, was din't leeger?

Luste potjebraojers mee zult ... ?

Edde ooverlooperke gespult?

Ed op 't kaksehooltje gezeete ...

Oeveul buile petattefrut ken-d'eete?

Kan d'ok beentjeoover sehetse ...

Dweel ou zuster ok de pletse?

Slibberde wei 'ns van den ochte, ...

Vrong d'oe eige deur de boehte?

Oude van 'n potje rikke ... ?

Dan bende van Zeuveberrege! net als ikke ...

Zoehte erte, of deede juine, Dunde peeje, wiede puine?

Stingde wei 'ns tenne aosum ...

Sloeg den bril aon van de waosum?

Wit ok nog wa boogeren is ... ? en knorredeskes op den dis?

Peerde menne, potje baoje, Aosken-oover, en luste kaoje?

Zit ok dikkels op oe ukke bii 't eerebeesjes plukke?

Edde mee de klomp gevoehte? ...

'n Kraans van Paosblommekes gevloehte?

Moes-doe eige wei 'ns errege ...

Dan kom-d'ok van Zeuveberrege. (vervolg op pagina 80)

1. Jacobus J. van Aken was burgemeester van Zevenbergen van 1925 tot 1942. Hij is geboren te Terheijden op 18 maart 1878 en overleden te Zevenbergen op 31 januari 1942. Hij volgde burgemeester K. Vogel op, nadat hij als wethouder enige jaren de gemeente had gediend, De heer Van Aken stamt uit een oude boerenfamilie, doch ging in de handel en werd directeur van de steenfabriek aan de Mark totdat hij benoemd werd tot burgemeester. Hij had een scherp verstand, een vastberaden wil, hij was een vlot spreker en vooral door zijn eenvoud en plichtsbetrachting was hij bemind bij de bevolking. Helaas heeft hij in zijn zestienjarige ambtsperiode de wind niet in de zeilen gehad. Integendeel, meermalen heeft hij zware tegenslagen moe ten incasseren, V ooreerst de crisisjaren vanaf 1930 met algehele werkloosheid, waartegen hij zich echter wel ging wapenen. Vele artikelen verschenen van hem in dag- en weekbladen in zijn functie als voorzitter van onder andere de Ontwateringscommissie van WestBrabant. Het resultaat was het uitvoeren van arbeidsintensieve werken in werkverschaffing, zowel in Zevenbergen als daarbuiten. In 1931 kreeg hij van de raad toestemming tot vervanging van paard en wagen door een vuilnisauto ten dienste van de reinigingsdienst. In 1936 werden aile buitenwegen verhard. Eveneens werden in 1936 en 1938 twintig arbeiderswoningen gebouwd om enigszins in de behoefte te voorzien van de minstbedeelden. De grootste ramp trof Zevenbergen in 1940 door oorlogsgeweld, waarbij zesendertig mensen werden gedood en honderddertig huizen verwoest. Doch zodra de rust was weergekeerd ging burgemeester Van Aken zich inzetten voor herbouw van de verwoeste en beschadigde panden. Door zijn plotselinge dood op 31 januari 1942 heeft hij de herbouw niet kunnen voltooien. Zijn devies was "Brabant, let op Uw zaak".

2. Franciscus van den Dungen werd geboren te Hilvarenbeek in 1864 en maakte met zijn vijf broers en zusters deel uit van het hoofdonderwijzersgezin Van den Dungen. Nadat hem de kunst van schrijven en rekenen was bijgebracht, werd hij jachtopziener in zijn geboorteplaats. Hiermede was zijn grote wens in vervulling gegaan, want hij hield geweldig van de natuur. Doch na een aantal jaren zag hij een oproep van de gemeente Zevenbergen: gevraagd, potige en sterke mannen ter vervulling van de veldwachtersfunctie, moet behoorlijk kunnen schrijven en goed bij de pollen zijn. Voor deze vacature voelde Frans weI iets en omdat hij aan de gestelde eisen voldeed, besloot hij te solliciteren. Hij werd aangenomen en trad in dienst per 8 augustus 1896. Zijn veldwachtersperiode in Zevenbergen, welke precies dertig jaar duurde (het door hem gevraagde vervroegd pensioen werd verleend in 1926) is weI een leven geweest vol afwisseling. Ret meest fijne daarvan was wel, dat hij met een Zevenbergs meisje in het huwelijksbootje stapte, hetgeen in de loop der jaren verder werd bevolkt met drie jongens en drie meisjes. Vooral de eerste jaren heeft hij het niet bepaald gemakkelijk gehad. Er waren in die tijd nogal wat inwoners die iets teveel aan bachus offerden, hetgeen na afloop vaak vechtpartijen, al of niet met mes, tot gevolg had. Neen, de Zevenbergenaren stonden niet in een al te best blaadje. Toch was Frans mans genoeg om in z'n eentje de jaarlijkse kermis te sluiten, niet alleen op de Markt, doch ook in de vele cafe's die Zevenbergen rijk was. Zijn geweldig stemgeluid, zijn gummiknuppel en een flinke persoonlijkheid, boezemden iedereen ontzag in. De grootste kwajongens waren als lammetjes zo mak als moeder riep: "Daer edde Fraans van Dun". Ret nu volgende illustreert wel dat Frans een geweldige krachtpatser moet zijn geweest. In de mobilisatiejaren 1914/18 waren veel rnilitairen in de stad gelegerd, waaronder zich veel Limburgers bevonden. Nadat zeven soldaten zich tegoed hadden gedaan aan de nodige hoeveelheid pilskes, maakten zij een begin met het inslaan der ruiten van pan den gelegen in de Molenstraat. Erg ver met vernielen kwamen zij niet, want al spoedig kwam Frans ten tonele en sloeg veel sneller en harder dan de soldaten verwachtten. Drie konden direct via dr. v.d. Linde naar het hospitaal in Breda gebracht worden. De resterende vier soldaten zag men de volgende morgen op het appel meer gehuld in verband dan in uniform. De plaats des onheils was gemarkeerd met grote bloedplekken. Als een lopend vuurtje ging het door de stad: "Eddet al g'oord, Fraans van Dun heet alleen (de hem vergezellende nachtwaker was, voor de strijd begon, marechausseehulp gaan halen) zeven soldaten afgetuigd". Ondanks zijn barsheid was hij een vriend voor iedereen en een door hem bewezen dienst werd nogal eens beloond met een borreltje dat hij heus wel lustte. Na zes jaar van z'n pensioen te hebben mogen genieten, stierf hij in 1932. Ret bijgaande portret werd door een sneltekenaar in 1920 op de kerrnis getekend.

3. In de zestiende eeuw bestonden te Zevenbergen verschillende gilden, waarvan de voomaamste waren: het schuttersgilde St. Joris (1541), het Bakkersgilde (1659), het Kuijpersgilde (1705), het Bijengilde (1708), het Schippersgilde (1717) en het Schoenmakers- of St-Crispijngilde (1717). Het belangrijkste was het St.-Jorisgilde, dat van 1679 tot 1794 met de officiele naam van "Vroedschap" werd aangeduid. In de steden plachten aanzienlijke ingezetenen zich tot broederschappen of gilden te verenigen, teneinde zich gemeenschappelijk in het schieten met de boog te oefenen. Soms had men meer dan een schutterij in dezelfde stad, die zich dan met verschillende wapens oefenden. Elk schuttersgilde had zijn doelen waar men oefende. Hun taak was voor de veiligheid der stad te zorgen en bij gelegenheid tot erewacht van de vorsten te dienen. Bij de invoering van vuurwapenen werden deze door de verschillende gilden aangenomen en weldra vormden de schuttersgilden een gewapende macht, die veel invloed verkreeg en zelfs in moeilijke staatsaangelegenheden geraadpleegd werd. Met het ontstaan van staande 1egers kwarnen de schuttersgilden in verval en zij kwijnden voort tot 1795, toen zij geheel teniet gingen. Napoleon nam het beste deel van de weerbare mannen voor zijn conscriptie (loting). Het Koninkrijk der Nederlanden nam de instelling van de militie, zoals die onder het keizerrijk had bestaan, over en aan deze instelling werd de voorrang gegeven boven de schutterij, Wettelijke regelingen, zoals de Wet op de Schutterijen van 1827, hebben de, nu tot rijksinste1ling geworden weermacht, nimmer voldoende 1evenskracht kunnen geven. Toch hebben de schutters, als aanvulling op het leger bedoeld, a1s zodanig aan oorlogen van het koninkrijk, zowe1 te ve1de als gedurende de mobilisatie van 1830-1839 (Be1gische opstand) deelgenomen en bij toerbeurt de vestingen in het zuiden van ons land verdedigd. De schutterij bestond uit aile ingezetenen tussen vijfentwintig en vijfendertig jaar, die niet door de wet waren vrijgesteld. In 1903 hadden ve1e schutters dienst gedaan om bij de grote spoorwegstaking te zorgen voor de handhaving van orde en rust. In het algemeen haalde de schutterij met haar ongeoefende leden, die met tegenzin van hun werk waren weggeroepen, niet veel meer uit, zodat zij, na een bestaan van meer dan zes eeuwen in verschillende vorm, voorgoed verdween. De hierbij gegeven foto laat de Zevenbergsche schutterij in 1903 zien, tijdens de bewaking van het stationsgebouw alhier. We zien sergeant-rnajoor Marcel Mol, sergeant Hendrik Goverde, korporaal Jacob J. Maris en de leden: Adrianus van Kaam, Frans Kanters, Thomas Darnen, Jacobus Lokers, Jan v.d. Poel, H. Wijnhof, Jan J. van Hooft en L. den Hartog.

4. Daar er in de jaren twintig individueel niet veel te bereiken was, besloten enkele winkeliers een vereniging op te richten. Dit gebeurde op 1 september 1921, en daar de meesten liever niet in een cafe vergaderden, besloot men voortaan in het Bondsgebouw bijeen te komen, om de problemen gezamelijk op te lossen. Nu, deze waren in mime mate aanwezig. Allereerst ging men de wanbetalers stevig aanpakken. De klant, die niet betalen wilde, werd diverse malen schriftelijk verzocht tot betaling over te gaan. Meende deze om de een of andere reden niets schuldig te zijn, dan kon hij gehoord worden bij het bestuur. Werd hij echter .schul dig" bevonden en wilde desondanks niet betalen, dan werd hij op de zwarte lijst gep1aatst. Deze lijst hing bij e1ke winkelier die lid was, en dat waren de meesten, goed zichtbaar in hun winkel gehangen. Deze methode van "kwaai-geld" innen, is in de tweede wereldoorlog verwaterd, doch had in de loop der jaren duizenden guldens in het laadje gebracht. Inmiddels, en weI op 29 december 1922, had de vereniging koninklijke goedkeuring verkregen en heette zij .Algerneen Be1ang". Toch genoot zij van winkeliers uit de omliggende p1aatsen meer belangstelling dan van de p1aatselijke. Na een vijftienta1 jaren klaagde voorzitter A. de Heer Czn. er over, dat de vergaderingen zo slecht bezocht werden. Het 1aagtepunt was dat er acht van de drieenzestig leden aanwezig waren bij een vergadering waar burgemeester Van Aken een voorlichting gaf. Secretaris Jaspers mocht, ter verlichting van zijn taak geen schrijfmachine a f 125,kopen. "Veu1s te duur", riepen enkele aanwezigen, "ge blef maer schrijve oor, da's goedkoper". Ondanks het pleidooi van vice-voorzitter B. Dirkzwager kwam er geen schrijfmachine. De financiele verslagen van penningmeester A. Sweere, 1aten zien dat de vereniging beslist niet armlastig was. Een saldo van ruim f 400,-, was in die tijd beslist niet gering. Toch kostte het lidmaatschap slechts f 1,- per jaar, hetgeen later werd verhoogd tot f 1,50. Terloops dient te worden opgemerkt, dat Jaspers secretaris is geweest van 11 januari 1931 tot 15 januari 1936, waarna hij werd opgevo1gd door J.G. Ge1eijns. Tot slot wiI ik de Iezer(es) nog in herinnering brengen de diverse winkelweekacties en het organiseren van de St.-Nicolaasoptochten. De felle strijd die gevoerd is om de suikerfabriek in 1932 toch te laten draaien, mogen wij beslist niet vergeten. Rest rnij nog het noemen van de namen van de personen op deze foto. Van links naar rechts, zittend: H. Jaspers, G. Jaquet, A. de Heer Czn., B. Dirkzwager en A. Sweere. Staand: B. Vissers, H. Kramer, W. Jacobs en J.J. van Hooft.

5. Op 27 december 1881 werd Leendert van der Linde geboren te Dirksland. Nadat hij diverse scholen had doorlopen, werd hij huisarts te Waddinxveen, doch kwam per 1 januari 1914 naar Zevenbergen, installeerde zich in een huis op de Markt (thans de winkel van C. van Meer), doch verhuisde enige tijd later naar de Stationsstraat. Daar hij tot 1 mei 1948 huisarts was en een grote praktijk bezat, zullen er met vee1 inwoners zijn die hem niet gekend hebben. Een geweldige hoeveelheid werk kon hij verzetten doordat zijn dagtaak precies was ingedeeld. Precies am half negen spreekuur tot elf uur, vlug koffie drinken bij zijn vrouw, die inmiddels de reisroute had uitgestippeld van de patienten die bezocht moesten worden en dan op de fiets, later met de auto, bezoeken afleggen tot vijf voor een. Om een uur eten, om half twee weer spreekuur. Daarna hield hij zich bezig met allerlei zaken. Vooral tegen St-Nicolaastijd moesten er veel pakjes klaar gemaakt worden om de minderbedeelden te verrassen met een cadeautje waarvan hij wist dat het tepas kwam. Als het 's winters lang of streng vroor, werd een kolenhandelaar opdracht gegeven bij die en die een half mudje kolen af te leveren. Dat voor sommige patienten de rekening wel eens niet werd uitgeschreven of drastisch werd verlaagd, was voor velen geen geheim. Toch was de aanhang die hij verkregen had bij de Zevenbergenaren hoofdzakelijk voortgekomen uit zijn eenvoud, plichtsgevoel, de liefde voor zijn werk en patienten, zodanig, dat zijn vrouw vaak op de tweede plaats kwam. Toch nam hij wel tijd om samen op vakantie te gaan. Eens, rijdend op de Moerdijkbrug, van vakantie terugkomend, zei hij: .Daar ligt Zevenbergen en mijn patienten, 'k voel het als een berg op mij afkomen". Nu, dat voorgevoel was niet misplaatst want toen hij even later thuis was, werd hij geroepen bij vier bevallingen tegelijk. Hij was mede-oprichter van het ziekenfonds A.Z.B.O. en was jarenlang voorzitter. Ieder jaar doceerde hij een E.H.B.O.-cursus, en het Rode Kruis legde ook beslag op de niet al te veel vrije uurtjes, Nadat de praktijk werd overgenomen door zijn opvolger, dokter Van de Erve, was hij nog enige jaren controlerend geneesheer, doch ging zich hoe langer hoe

meer terugtrekken, totdat hij op 6 januari 1959 overleed. .

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek