Leuven in oude prentkaarten deel 1

Leuven in oude prentkaarten deel 1

Auteur
:   H. Uytterhoeven
Gemeente
:  
Provincie
:   Brabant
Land
:   België
ISBN13
:   978-90-288-0857-7
Pagina's
:   160
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Leuven in oude prentkaarten deel 1'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

VOORWOORD

De samensteller van dit prentkaart boek is sedert 1949 officieel gediplomeerd toeristische gids van de stad Leuven en hij kent dus voorzeker wel zijn onderwerp. Nog langer is hij een verwoed verzamelaar van prentkaarten: hij begon eraan als vijftienjarige en bezit er nu vijftienhonderd alleen al van Leuven. Hij heeft zich echter doelbewust beperkt tot de oudste kaarten en is niet verder gegaan dan de eerste wereldoorlog. De hoogbloei van de prentkaarten (met zelfs reportages van belangrijk geachte gebeurtenissen) valt zowat samen met de "belle époque", de zogenaamde "goeie ouwe tijd" met rustige wandelstraten (waar de kinderen enkel dienden op te letten voor de paarden), operette-uniformen en maxihoeden en -rokken, Een periode die schijnbaar enkel gestoord kon worden door brand, watersnood en ... proletariërs; toen men nog geloofde dat paternalistische liefdadigheid en wetenschappelijke vooruitgang alle problemen konden oplossen en waar het oorlogvoeren steeds ver van huis plaatsvond. Achter dit tijdvak wordt dan plots een definitieve punt gezet door de eerste wereldoorlog

met zijn tot dan ongekende vernielzucht en mensenslachting. Leuven is denkelijk een der meest frappante voorbeelden van die brutale overgang.

Sedert enkele jaren stelt de heer Uytterhoeven ter gelegenheid van de "Leuven-kermis (in september) een deel van zijn kaarten met succes tentoon; telkens werden veel bezoekers geboeid. Wij zijn blij dat thans de gelegenheid geboden wordt aan de Leuvenaars en aan de (oud-)studenten om zelf in het bezit te komen van die zeldzame zichten van "Oud Leuven". Het prettigste van die oude prentkaarten zijn de mensen die erop verschijnen: vrouwen in volumineuze klederdracht, "kwajongens", die voor de "portrettentrekker" poseren; "pandoers" en andere uniformdragers ... (De moderne prentkaarten daarentegen laten wel eens auto's zien maar geen personen meer en het is niet uit die kaarten dat men in het jaar 2000 zal kunnen opmaken dat er rond 1970 minirokjes waren).

Wij wensen u veel kijkgenot toe.

R. Hambrouck m.a., Voorzitter Leuvense Gidsenbond.

INLEIDING

Een mens is van nature een nieuwsgierig wezen en zo hoor ik u bij een eerste doorbladeren van dit werkje reeds mompelen: "Hoe komt hij erbij?" of "Hoe geraakt hij eraan?" U een antwoord bezorgen op deze vragen is mede de opzet van deze inleiding. Wat beoogt een inleiding anders dan een gesprek van de auteur met de lezers, waarbij de eerste zijn bedoeling uiteenzet en de lezersvragen op voorhand tracht te beantwoorden.

Van jongsaf heb ik alle documentatie over Leuven en omgeving zorgvuldig opgespaard en bewaard en zo zag ik in dat oude prentkaarten een rijke bron aan beeldmateriaal bevatten, vooral van dat rijke volksleven, dat men meestal in de geschiedenisboeken niet beschreven vindt. Voor enkele jaren legden een abonnement op enkele verzamelaarstijdschriften en aansluiting bij twee Leuvense hobbyclubs nationale en plaatselijke contacten voor een intense werf- en ruilactie. En haast vanzelfsprekend kwam in het kader van genoemde hobbyclubs bij gelegenheid van Leuven-kermis een aantal tentoonstellingen tot stand: 1969 L.H.c. "Excelsior": Groot Begijnhof, universi-

teitshalle en -bibliotheek. 1970 L.H.c. "Excelsior": Langsheen de Naamsestraat, Statiestraat-Bondgenotenlaan.

1971 L.H.c. "Excelsior": Langsheen de Mechelsestraat, de Grote Markt en Sint-Pieterskerk.

De intense belangstelling van jong en oud op deze tentoonstellingen, en daarbij de vraag van de Euro-

pese Bibliotheek om voor hen een publicatie samen te stellen zijn de onmiddellijke aanleiding geweest tot deze uitgave.

De Leuvense historie bondig samenvatten is geen gemakkelijke opdracht, maar wel een noodzaak. De oudste vermelding dateert van 891, toen keizer Arnulf van Karinthië de Noormannen kwam verslaan nabij Lovon. In 1106 wordt de Leuvense graaf hertog van Brabant en onze stad de eerste hoofdplaats van het hertogdom. Omstreeks 1150 wordt de eerste ringmuur rond Leuven gebouwd en de lakennijverheid komt er tot een hoge bloei, temeer daar de hertogen de handelsweg naar het Rijnland veroverden (Woeringen 1288). Na de sociale onlusten op het eind van de veertiende eeuw werden vele wevers verbannen en kwam de stad de ondergang nabij. De stichting van de universiteit in 1425 brengt een vernieuwde bloei, die vooral van de vijftiende eeuw voor Leuven een glorieeeu w maakte; een ganse reeks colleges uit de zestiende en de zeventiende eeuw, meestal nog verfraaid of herbouwd in de achttiende eeuw getuigt van de welvaart van de Alma-Mater. Het graven van het kanaal van Leuven naar de Rupel (1750) en de nieuwe steenwegen bevorderden de handel en de nijverheid, vooral van de bierbrouwerij en de bloemmolens. Het bestuur van Jozef 11 en de Franse overheersing werden noodlottig voor vele kloosters en tevens voor de hogeschool, maar de Belgische onafhankelijkheid bracht vernieuwde voorspoed met de heropening van de Katholieke Universiteit. In augustus 1914 werd Leuven één van de zwaarst getroffen

steden en ook de tweede wereldoorlog spaarde ons kunst patrimonium niet, maar telkens herrees de stad mooier dan te voren. Leuven groeide uit tot een openluchtmuseum van architectuur met een juweel van een stadhuis, een krans van monumentale kerken en kloosters, een wonderlijk gerestaureerd begijnhof naast de tientallen oude en moderne universiteitsgebouwen. Het typische van Leuven is juist dat het geen doodse stad of stofferig museum is, maar wel een stad vol gonzende, ja soms rumoerige bedrijvigheid; de monumenten uit het verleden staan er ten dienste van de universitaire jeugd, die er aan haar en onze toekomst bouwt.

Dit alles maakt dat Leuven een voorname plaats inneemt onder de Vlaamse kunststeden en nog steeds een bezoek overwaard is. Ik moge daarom uw dienstwillige gids zijn bij een wandeling door het Leuven van 1900-1920 met volgende wegwijzer:

Vertrekkend aan het station wandelen we door de Statiestraat (Bondgenotenlaan) tot aan het Margarethaplein en keren langs de Diestsestraat terug naar de Diestsevest, die we volgen tot aan de Vaart. Na de beklimming van de Keizersberg trekken we langs de Mechelsestraat naar de Sint-Pieterskerk, die we even bezoeken. Doorheen de Brusselsestraat met een ommetje langs de Lei en de Handbogenhof klimmen we tot aan de Brusselsepoort en keren via de Capucienenvoer, Minderbroederstraat en Oude Markt weer naar de Grote Markt, waar we het stadhuis binnenwippen. Langsheen de Naamsestraat met een kleine omweg naar het Paridaens-instituut en de SintJozefskapel bereiken we het Groot Begijnhof, de Volmolen en de Kartuizerij. We volgen de Vesten en komen langs de Frederik Lintsstraat en het Stadspark,

via de Graanmarkt (Herbert Hooverplein) en de Volksplaats (Mgr. Ladeuzeplein) door de Vander Kelenstraat terug in het centrum. Langs de Tiensestraat gaat de tocht tot aan de Tiensepoort om langsheen de Vest terug te keren bij het station. De reeks wordt besloten met enkele varia, waaronder de fameuze overstroming van 1906 zeker niet mag vergeten worden.

Voor het geleverde commentaar heb ik gesteund op de literatuur en op gegevens, die ik mocht vernemen van menig oudere Leuvenaar; ik durf hopen dat vooral zij veel vreugde zullen beleven aan het doornemen van dit boek. Tevens werden de heren Vic Sernpels, voorzitter van de Heemkundige Kring van de Philipsfabrieken, Reginald Hambrouck en Jean Staes, collega 's-bestuursleden van de Leuvense Gidsenbond, bereid gevonden de teksten door te lezen en aan te vullen, waarvoor ik hen hier oprecht wens te danken. Mijn dank gaat tevens uit naar de velen, die mij in meer of mindere mate en soms reeds lang geleden hielpen bij het samenstellen van mijn prentkaartenverzameling; ik ben er echter van overtuigd dat ze nog steeds verre van volledig is. Ik houd mij tevens warm aanbevolen voor bijkomende commentaar, zodat deze publicatie geen eindpunt wordt maar een vernieuwde start voor mijn heemkundige activiteit.

H. Uytterhoeven, Vinkenlaan 20, Heverlee

Wi' ,·t'·

r "

.'

~!

.Eou vain

.I:a Station

1. Wie in de jaren 1900 als spoortoerist Leuven bezocht, kwam voorzeker onder de indruk van de enorme hal, waaronder de treinen binnenstoomden; erg beschadigd door de bombardementen van 1944, werd ze daarna afgebroken. Het sierlijke stationsgebouw uit 1879 naar de plannen van H. Fouquet was in die tijd groots opgevat; enigszins aangepast voldoet het nog steeds aan de moderne behoeften.

10.

LOUVAIN. - PLACE OE LA STATION.

2. De spoorwegen voerden bezoekers en gasten aan; logeer- en eetgelegenheden rezen op rond het plein: "Café des Voyageurs" (met "Garage pour autornobiles"), "Café du Nord", "Café Ostendais" (bières de la Brasserie Zoeten Inval), "Café du Chernin de Fer Vicinal", "Au Cornet", "Hötel de la Vignette", "Hötel de l'Industrie", "Café de la Station", "Hötel du Vieux Ternps", "Hotel du Télégraphe", "Aux Mille Colonnes" .. deze benamingen en andere verder in de reeks laten niet de minste twijfel bestaan nopens de voertaal van de toenmalige Leuvense "commerçanten" en burgerij.

" - 11)11·

La destruction de Louva in (Belgique).

dapres }' lll ussr sticn ,

3. Omdat de Duitsers er op 25 en 26 augustus 1914 tientallen burgers als gijzelaars fusilleerden, werd dit plein omgedoopt in Martelarenplein. Alle omringende huizen gingen toen ook in de vlammen op. Sylvain Vande Weyer, geboren Leuvenaar, lid van het "Voorlopig Bewind en het Congres", was ambassadeur te Londen (1831-74). In 1876 kwam Leopold II ter zijner ere dit eerste Leuvense standbeeld inhuldigen. Op 19 februari 1879 werd dit monument 's nachts in de verf gezet; misschien was het de eerste opgetekende studentengrap.

~ Louvaln Le Monument.

4. In 1923 verhuist Vande Weyer naar de Volksplaats en op 26 april 1925 wordt het oorlogsgedenkteken onthuld in aanwezigheid van koningin Elisabeth, maarschalk Foch en kardinaal Mercier. Architect was A. De Bondt en M. Wolfers beeldhouwde de taferelen, die herinneren aan de Duitse inval, de vlucht van de bevolking, de vernietiging van de stad, de aftocht van de vijand in 1918 en de wederopbouw. In juni-juli 1940 werden werklozen door de Duitsers ingezet om de bas-reliëfs weg te hakken. Weldra moet het monument waarschijnlijk gans verdwijnen.

~ l.ouvaln

Placè des Martvrs et avenue des R.llI~s.

5. Vanaf het station tot aan de Grote Markt werd een kaarsrechte straat gepland: bijna één kilometer lang en zestien meter breed. Tot aan de eerste ringmuur (toen de me Bellevue, thans Jan Stasstraat) rezen er geen problemen en was men klaar in 1849. Voor verdere aanleg tot aan de toenmalige Nieuwstraat (thans Vanderkelenstraat) diende gewacht tot 1864 en pas in 1870 werd het werk voltooid en bereikte men de Grote Markt. Het huidige Fochplein werd pas na 1918 aangelegd.

H. N. à A. 711

6. Zoals we hier uiterst links opmerken, was begin 1900 de straat nog niet volgebouwd. Statige herenhuizen toonden meestal witgepleisterde gevels in Franse stijl met onderaan brede voegen en zware baleons aan de verdieping. Slechts zeer sporadisch troffen we toen een handelszaak in deze helft van de Statiestraat; nu zijn het overwegend winkels en administratiegebouwen geworden. Op de achtergrond nadert de paardetram ; de lijn werd op 4 april 1874 ingereden, terwijl deze exploitatie ophield op 31 mei 1912.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek