Molens in Gelderland in oude ansichten

Molens in Gelderland in oude ansichten

Auteur
:   drs. H.A. Visser
Gemeente
:  
Provincie
:   Gelderland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-1316-8
Pagina's
:   160
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Molens in Gelderland in oude ansichten'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

INLEIDING

De tijd dat in elk Gelders dorp en in elke stad een of meer molens stonden, ligt alweer geruime tijd achter ons. De "top" lag omstreeks 1850: toen was het aantal molens het grootst. Ook de meeste buurtschappen van enige betekenis hadden er één. Er is weinig fantasie voor nodig om zich voor te stellen dat het landschap door al die molens zeer werd verfraaid en een levendige aanblik bood.

Alhoewel dat vaak wordt aangenomen, heeft de opkomst van de stoomkracht toch geen aanleiding gegeven tot het verdwijnen van grote aantallen korenmolens. Veeleer, althans wat de korenmolens betreft, was dat het invoeren van een distributiesysteem door de regering in de Eerste Wereldoorlog, waarbij de oogsten bij de boeren werden ingenomen en aan alle molenaars een beperkte hoeveelheid maalgoed werd toegewezen. Gezien het grote aantal molenaars, kon de toewijzing per molenaar slechts gering zijn. De meelfabrieken, die voorheen alleen buitenlands graan verwerkten, kregen nu voor de vervaardiging van bloem het inlandse toegewezen.

Na de Eerste Wereldoorlog nam het malen weer sterk toe, maar een nieuwe slag trof de korenmolenaars toen de landbouworganisaties ook coöperatieve maalderijen gingen stichten. In vrijwel elke plaats waren zij met hun pakhuizen en hun handel vertegenwoordigd. De hierdoor ontstane vergrote concurrentiestrijd heeft het lot van veel molens bezegeld. Een aantal werd stilgezet, het onderhoud bleef uit en menige molen werd voor afbraak verkocht.

De toepassing van allerlei technische verbeteringen in de jaren dertig, vooral naar aanleiding van een prijsvraag, uitgeschreven door de in 1923 opgerichte vereniging "De Hollandsche Molen", heeft ertoe geleid dat de onttakeling en de afbraak weer wat afnamen. Met name het gebruik van stroomlijnwieken. eerst die van Dekker, later die van Van Bussel en in mindere mate die van Van Riet, Ten Have en Bilau, maakte dat ook kleinere windsnelheden konden worden benut en werd het mogelijk om bij grotere windsnel-

heden zonder zeilen te malen. Kortom, door de aanzienlijke toename van de capaciteit en de gemakkelijke bediening, kreeg het gebruik van de windmolen weer een nieuwe stimulans en zeker kan worden gezegd, dat deze en andere verbeteringen het leven van vele molens hebben gered.

Uiteraard was ook de Tweede Wereldoorlog de directe oorzaak van het herstel en het zelfs na jaren weer in gebruik nemen van een aantal molens. De schaarste en later het ontbreken van dieselolie als motorbrandstof en de onzekerheid bij de elektriciteitsvoorziening gaven aan het bestaan van de wind- en waterradmolens weer een vastere grond. Natuurrampen, zoals de beruchte Novemberstorm van 1940, maar meer nog de oorlogshandelingen in 1944 en 1945, hebben aan vele molens het leven gekost. Een aantal sneuvelde tijdens de gevechten, verbonden aan de bevrijding van ons land. Het aantal dat het slachtoffer werd van zinloze Duitse vernielingen was evenwel aanzienlijk groter. De meeste molens konden niet meer worden hersteld.

In het midden van de jaren vijftig pakten zich nieuwe donkere wolken samen boven de molens, die dit alles nog hadden overleefd. Door de opkomst en de ontwikkeling van grote pluimvee-, varkens- en rundveebedrijven. de z.g. "bio-industrie", trad een belangrijke verandering op in de samenstelling van het boerengemaal. Dat leidde tot de fabricage van samengestelde mengvoeders, waaraan de gevestigde molenaars niet meer konden voldoen. Het gebruikelijke malen met molenstenen en met de kleine verticale mengketels loonde niet meer, de aflevering in zakken werd geleidelijk vervangen door vervoer "in bulk" en zo namen de mengvocderfabrieken, die na de oorlog tot grote ontwikkeling kwamen, meer en meer de taak van de molenaars over.

Omdat door dit alles de bestaansgrond aan vele korenmolens werd ontnomen, leidde dat tot stilstand en verval. Verder onderhoud had weinig zin meer. Maar toen keerde het getij. Algemeen kwam men tot het oordeel dat de nog resterende

molens niet uit het landschap mochten verdwijnen. Menige gemeente nam de stilstaande molen van de molenaar over en met subsidies van rijk, provincie en ook van instanties als "De Hollandsche Molen", de Rabobank en de ANWB werd de restauratie van deze molens ter hand genomen: restauraties, waarvoor de eerdere eigenaars de middelen niet hadden en die bovendien voor hen zinloos waren.

Te betreuren is het wel dat bij een aantal molens, ook bij geheel gerestaureerde, de zich voortdurend uitbreidende bebouwing te dicht is genaderd. De bewaking van de "molenbiotoop", zoals dat tegenwoordig heet, is derhalve belangrijk geworden, mede omdat in een aantal gevallen de opschietende begroeiing van opgaande bomen de molens soms aan het gezicht dreigt te onttrekken. Door deze laatste omstandigheid kan vaak ook het malen worden bemoeilijkt. Overigens is voor dat malen de laatste tijd een legertje amateurmolenaars, meestal vrijwillige molenaars genoemd, beschikbaar gekomen. Sommige korenmolens malen nu meel voor de "warme bakker", waardoor hun bestaan opnieuw zin heeft gekregen.

Gelderland heeft nu een eigen Molenverordening, waarmee de molens tegenwoordig een speciale bescherming krijgen, als aanvulling op de zorg van de Monumentenwet. Door het provinciaal bestuur werd een Gelderse Molencommissie ingesteld en het Molenfonds van de Provincie krijgt jaarlijks een groot bedrag om financiële steun mogelijk te maken. De eigen molendeskundige van Gelderland, de heer J. Mallisse, gaat dagelijks op pad om de belangen van de molens te behartigen en dat in de ruimste zin van het woord. Ten slotte is er nog de "Stichting Vrienden van de Gelderse Molen", gevestigd te Arnhem, die allerlei activiteiten ontplooit in het belang van de molens in Gelderland.

De molens behoren tot onze monumenten en voor de bescherming daarvan is er een Monumentenwet, die dateert van 22 juni 1961. In deze wet wordt bepaald dat het verboden is

om beschermde monumenten te beschadigen, te verplaatsen of hun in- of uitwendige gedaante te veranderen. Zonder toestemming van de betrokken minister mag een monument niet worden afgebroken.

En zo kan dus, al met al, de toekomst van de nog bestaande molens met vertrouwen tegemoet worden gezien.

Verantwoording

Alle in dit boekje opgenomen foto's en kaarten zijn afkomstig uit het archief van de schrijver zelf. Dank is hij verschuldigd aan de heer P. Kribbe te Schiedam, die enkele nog ontbrekende gegevens ter beschikking wilde stellen.

Geraadpleegde literatuur

1. Gelders Molenboek. Zutphen 1968.

2. Jaarboekjes van de Vereniging "De Hollandsche Molen".

3. "De molen in ons Volksleven" door A. Bicker Caarten. Leiden 1958.

4. "Mo1ens in Noord-Brabant" door ing. P.W. E.A. van Bussel. Eindhoven 1979.

5. Weekblad "De Molenaar".

Van dezelfde schrijver verschenen in deze reeks reeds eerder:

De molens van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden De molens van de Hoeksche Waard

De molens van Dordrecht en het eiland Hsselmonde De molens van het eiland Goeree-Overflakkee Molens in Zuid-Holland, deel 2

Molens in Zeeland, deel 2

Molens in Utrecht

Molens in Noord-Holland

Nederlandse molens, deel 2

Nederlandse molens, deel 3

1. HENXEL (gem. Winterswijk)

De standerdmolen behoort tot ons oudste mo1entype. Al in de dertiende eeuw waren ze in ons land bekend: in 1274 wordt er één genoemd in Haarlem en in 1294 in Lochem. Oorspronkelijk kwamen ze door heel Nederland voor. Nu nog alleen in zes van de elf provincies, waaronder Gelderland. Op de foto een Gelderse standerdmolen van het z.g. open type, die gestaan heeft in de buurtschap Henxel, gem. Winterswijk. Hij is door afbraak verdwenen.

2. GROENLO

Standerdmolens komen nu nog voor in de provincies Groningen (1), Overijssel (1), Gelderland (10), Zeeland (4), Noord-Brabant (21) en Limburg (6). In totaal dus 43 stuks, hetgeen ruim 4% uitmaakt van ons totale molenbestand. De tien Gelderse standerdmolens, die nog over zijn, behoren alle tot het z.g. gesloten type, hetgeen wil zeggen dat de standerd, de schoren en de "kruisplaten" met een muurtje of wand zijn omgeven en door een dakje afgedekt. De molen te Groenlo op deze foto was evenwel nog van het open type. Ook hij viel onder slopershanden.

3. MEDDü (gem. Winterswijk)

Toch is het nog niet zo lang geleden dat ook in de andere provincies standerdmolens stonden. Zo werd de laatste Friese, die te Rottevalle, in 1921 door een storm verwoest Door dezelfde oorzaak verdween de laatste Drentse, die te Makkum (gem. Beilen) in 1906. Noord-Holland verloor de laatste (te Enkhuizen) in 1926 en de laatste Utrechtse, die te Darthuizen, stormde in 1954 omver. Met deze opsomming is eigenlijk ook één van de oorzaken genoemd die hebben geleid tot het verdwijnen van zo menige standerdmolen: ze waren minder dan andere molens bestand tegen storm. De hier afgebeelde zogeheten "Hazeveldse molen" te Meddo, gebouwd in 1801, is in 1932 door brand verloren gegaan.

? I

4. ETTEN (gem. Gendringen)

Behalve dat de standerdmolens minder goed bestand bleken te zijn tegen stormen, hadden ze nog een ander bezwaar: het ontbreken van opslagruimte in de molen zelf, de "kast". Dat gemis werd vooral gevoeld na het begin van deze eeuw, toen vele molenaars overschakelden van loongemaal naar handelsgemaal. Het tegen vergoeding malen voor anderen raakte in onbruik en de molenaar ging graan kopen, maalde dat en verkocht daarna het meel. Hier afgebeeld zien we de gesloten standerdmolen te Etten (gem. Gendringen), die in augustus 1932 werd gesloopt.

'f! U~N TE NEEOE, VERW<)EST TiJD.::. CYCLOON VAN 10 A:.J3üST:.JS 1<;25.

. -,

"".::.:.JVV-S V10~ -, GEaouWD IN :"'2:: 'AAMO ,.DE HOLLANDSCHl:: MOLi::N ?

5. NEEDE

De cycloon die op 10 augustus 1925 de Gelderse Achterhoek teisterde en ook Borculo verwoestte, vernielde tevens de standerdmolen op de Needse berg, gebouwd in 1733. Daartoe in staat gesteld door het Nationaal Steuncomité "Stormramp" liet de vereniging "De Hollandsche Molen" op deze plaats evenwel een nieuwe molen verrijzen. Deze laatste werd in gebruik genomen op 3 maart 1927. De bouwwijze van de romp en de kap doen sterk denken aan de Zuid-Hollandse poldermolens. De bouwers waren dan ook A.J. en L. Dekker te Hazerswoude en Moerkapelle (Z.H.).

't Spil broek.

6. 't SPILBROEK (gem. Neede)

Op deze foto zien we een deel van het fraaie Achterhoekse landschap, met de standerdmolen die op de Esch heeft gestaan en wel ten zuiden van de spoorlijn, een 400 meter ten zuidoosten van de kerk. De molen had een naam, hetgeen bij standerdmolens niet algemeen voorkwam, "Paul Kruger", en hij werd in 1920 gesloopt. Het was dus niet de molen die op de Needse berg stond en die men op de vorige foto zag.

7. V ARSSEVELD-SINDEREN

De grote standerdmolen te Varsseveld-Sinderen (gem. Wisch) was er een van het half gesloten type, wat wil zeggen dat boven het onderstel, waarop de kast rust en waarop deze draait, alleen maar een afdak was gemaakt. De zijkanten waren dus open en daardoor waren de vier gemetselde teerlingen duidelijk zichtbaar. Behalve deze molen stond te Varsseveld-Dorp ook nog een geheel gesloten standerdmolen. Beide zijn verdwenen. De hier getoonde molen, die werd gesloopt in 1926, was in zijn soort bijzonder groot. Het was een van de weinige met drie zolders. De naam was "De Nieuwe Molen".

8. ZELHEM

De oude "stenderkast", die we hier met "vier volle" zien malen, is die te Zelhem aan de Hummeloseweg. Het is de zogeheten "Oude molen" aan de westzijde van de weg en een 500 meter ten westen van de kerk van Zelhem. Hij werd gesloopt in 1917 en op zijn plaats kwam de graanmaalderij van Molekamp en Te Pas te staan. Eigenaar van de molen was molenaar Molekamp.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek