Molens in Utrecht in oude ansichten

Molens in Utrecht in oude ansichten

Auteur
:   drs. H.A. Visser
Gemeente
:   Utrecht
Provincie
:   Utrecht
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-0842-3
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Molens in Utrecht in oude ansichten'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

INLEIDING

Aardrijkskundig bezien is Utrecht - ook wel het Sticht genoemd - het merkwaardigste deel van ons land. Holland - en daarmee is dan Noord- en Zuid-Holland bedoeld - ligt erg laag, lager zelfs dan de zeespiegel en lager ook dan de grote rivieren en de hoofdvaarten. Het wordt door de duinen en de zee- en rivierdijken beschermd en menigmaal zijn bij de doorbraak van een dijk grote delen onder water gegaan.

Maar naar het oosten toe begint de bodem op te lopen. Langzaam gaat deze stijgen, soms geleidelijk, soms met enkele voeten tegelijk. De grond wordt droger en zandiger. De groene, malse weiden veranderen in zware kleigronden en vette bouwlanden en ten slotte zelfs in droge, dorre heidevelden. Voor de lage, diepe polders komen de hoger gelegen bossen in de plaats, eerst het loofhout en later het naaldhout. Aan de ene kant dus het typisch lage Holland en aan de andere kant het hoge Gelderland. Daartussen ligt een gebied van geleidelijke overgang: de provincie Utrecht.

Utrecht, de kleinste provincie van ons land, is niettemin een vrij vlak gebied, met uitzondering van een heuvelrij, die zich uitstrekt tussen enerzijds het Kromme Rijngebied en anderzijds de Eemvallei en de Gelderse Vallei. Deze heuvelrug is voor een groot deel onbebouwd. Alleen langs de oude weg Utrecht-Amersfoort liggen de plaatsen De Bilt en Bilthoven. De bebouwing had vooral plaats aan de voet, aan de weg van Zeist naar Rhenen.

Het meest westelijke deel van de provincie is een laagveengebied, dat gerekend wordt te behoren tot het "Groene Midden", waaronder wordt verstaan het Hollands-Utrechtse poldergebied en een deel van de zogenaamde waarden. Tot deze laatste behoort in Zuid-Holland de Krimpenerwaard en in Utrecht de Lopikerwaard.

Het laat zich verstaan dat een dergelijk gevarieerd landschap

ook een grote variatie in de daar voorkomende molentypen met zich mee heeft gebracht. In grote lijnen zouden we de molens kunnen verdelen in drie soorten: de poldermolens, de korenmolens en de industriemolens. En dan zien we dat de poldermolens behoren bij het westen en het zuidwesten (de Lopikerwaard) van de provincie en nog een enkele in het Kromme Rijngebied, ten westen van de Utrechtse Heuvelrug (foto 71). De korenmolens stonden en staan verspreid door de gehele provincie in en bij de dorpen en stadjes, alsmede in en bij de beide grootste steden Utrecht en Amersfoort. De industriemolens ten slotte, waaronder we verstaan zaag-, olieen andere soorten molens, kwamen op het platteland niet zoveel voor, maar stonden voornamelijk bij enkele grotere en kleinere steden als Utrecht, Amersfoort, Wijk bij Duurstede en Rhenen.

De korenmolens waren oorspronkelijk alle van het type standerdmolen. Bij de voortgang van de ontwikkeling van de molens werden deze standerdmolens in het gebied ten westen van de lijn Hilversum-Utrecht-Vreeswijk na de zestiende eeuw in de meeste gevallen door wipkorenmolens vervangen. In het oostelijk deel van de provincie handhaafden de standerdmolens zich merkwaardigerwijs veel langer. Hier werden ze pas in de achttiende eeuw, maar meestal pas in de negentiende eeuw vrijwel alle door achtkante of ronde, stenen molens vervangen. Dit omdat inmiddels was gebleken dat de laatstgenoemde molens beter voldeden dan de wipkorenmolens. Voornamelijk in de negentiende eeuw werden in het westen de wipkorenmolens weer door achtkante of ronde molens vervangen. Men kan dus stellen dat in het oosten de tussenschakel van de wipkorenmolen werd overgeslagen.

Wat de poldermolens betreft, molens dus, die uit de aard der zaak behoorden bij het polderland van het lage westelijke

deel van de provincie, daarvan is bekend dat het oudste type, de wipmolen, voor het eerst in 1450 in de Utrechtse Lopikerwaard werd ingevoerd. Den Besten vermeldt dat de Lopikerwaard tot 1870 uitsluitend met 40 molens werd bemalen, waarvan er 18 binnen deze waard en 22 in de Krimpenerwaard, dus buiten de provincie stonden. Dat waren bijna allemaal wipmolens en wel van het grote, oorspronkelijke en zuivere type. Gebleken is dat de nog bestaande grote wipmolens in de Alblasserwaard, de Krimpenerwaard en de Vijfheerenlanden in Zuid-Holland, de Tielerwaard in Gelderland, het Land van Altena in Noord-Brabant en de Utrechtse Lopikerwaard een grote onderlinge verwantschap vertonen. Vanuit deze waarden heeft de wipmolen zich in noordelijke richting verspreid en hoe verder hij zich naar het noorden verspreidde, des te meer ging de oorspronkelijke vorm verloren en werden ze ook kleiner van afmeting.

De achtkante poldermolens zijn van later datum. De eerste waren binnenkruiers (omstreeks 1530), maar in de loop der jaren werden ze bijna alle tot buitenkruiers omgebouwd. De laatste poldermolen, die tot het einde van zijn bestaan in 1925 een buitenkruier is geweest, was die van de polder "Holendrecht" te Abcoude (foto 72). Vooral in noordwestUtrecht kwam de achtkante buitenkruier als poldermolen veelvuldig voor. Ronde, stenen poldermolens werden, op een enkele uitzondering na, in deze provincie niet gebouwd.

De provincie Utrecht is, zoals gezegd, onze kleinste provincie en zij herbergt nu ook het kleinste aantal molens. Op 1 mei 1979 waren er dat 28 op een totaal van 954 in het gehele land. Dat is dus nog minder dan drie procent. Maar toch is in het verleden ook in Utrecht op molengebied heel wat te zien geweest. Dit boekje bedoelt daar een beeld van te geven. Aan de hand van 75 foto's en oude kaarten maken we een zwerf-

tocht langs evenzoveel oude, Utrechtse molens en de lezer zal het met de schrijver eens zijn dat men het moet betreuren dat er van dit alles nog maar heel weinig is overgebleven. Men oordele zelf.

VERANTWOORDING

De foto's zijn voor het merendeel afkomstig uit het archief van de schrijver zelf. Een negental werd welwillend ter beschikking gesteld door de heer P. Kribbe te Schiedam en één door de heer J.L. Mulder te Delft. De schrijver is veel dank verschuldigd aan de heer K.M. Dolman te Harmelen - een kenner bij uitstek van de Utrechtse molens -, die hem een aantal gegevens verschafte en die bovendien zo bereidwillig was het gehele manuscript, alvorens dat werd uitgegeven, nog eens kritisch door te nemen. Onjuistheden werden daardoor zoveel mogelijk voorkomen.

GERAADPLEEGDE LITERATUUR

1. "Molenboek provincie Utrecht" door B. Belonje, J. den Besten, K.M. Dolman, J.D.H. van der Neut en W.A.G. Perks. Utrecht 1972.

2. "Zes eeuwen molens in Utrecht" door W.A.G. Perks.

Utrecht/Antwerpen 1974.

3. "De Lopikerwaard", deel 2, de Waterschappen door W.F.J. den Uy!. Utrecht 1963.

4. "Nederland als polderland" door dr. A.A. Beekman.

Zutphen 1932.

5. Weekblad "De Molenaar".

1. RENSWOUDE

Zoals we in onze inleiding tot deze fotoserie al opmerkten, hebben de standerdmolens - ons oudste type windmolen - in de provincie Utrecht het langst stand gehouden ten oosten van de lijn Hilversum, via Utrecht naar Vreeswijk. In de westelijke helft werden ze na de zestiende eeuw veelal door wipkorenmolens vervangen. Welnu, in het oostelijk deel, in Renswoude, dicht bij de grens met Gelderland, troffen we deze open standerdmolen aan, hier nog "in de zeilen" afgebeeld. De foto moet omstreeks de eeuwwisseling zijn genomen, want in 1903 werd de molen afgebroken en door een achtkante stellingkorenmolen vervangen. Ook de hierna volgende foto heeft daarop betrekking.

2. RENSWOUDE

De open standerdmolen van de vorige foto zien we hier nog eens en wel even voor de afbraak in de jaren rond 1903. Blijkbaar kreeg molenaar Gerard van Harten behoefte aan een grotere en hogere molen en derhalve kocht hij de buiten gebruik staande pelmolen "De Jonge Wildeman" te Koog aan de Zaan, liet deze afbreken en te Renswoude als korenmolen weer herbouwen. Erg lang heeft deze achtkante molen daar niet gestaan, want op 24 april 1930 ging hij door brand geheel verloren, waarbij tevens een voorraad van 1500 mud graan en meel door het vuur werd verteerd.

3. NEERLANGBROEK

De standerdmolens in het oostelijk deel van Utrecht leken allemaal erg op elkaar. De bomen van de trap liepen door tot de hoekstijlen van de kast, waardoor de traptreden vrij breed waren. Het takelluifeltje zat in de rechter helft van de kast. Op de foto is dat duidelijk te zien. Het is de gesloten standerdmolen aan de Langbroekerwetering te Neerlangbroek, even ten zuiden van Doorn. Hij werd gebouwd in 1701 en in 1890 aangekocht door molenaar Schoppenhauer, die drie jaar daarna een stoommachine in een gebouwtje naast de molen plaatste (zie de pijp). In 1926 verdween hij door afbraak, waarmee de op een na laatste Utrechtse standerdmolen verloren ging.

X>~~'::--~~i~~:~" ',:-"- ',' t~ ." ~. , - ',"" -, " ~" ~~.~ :.~~~~"-:";';-' -;'.:'. -, _.~ .. r ; - ~, ???? '., -::.~~~ ;--'t..

Leersûm, Molen van Broekhuiien' ' ':

. .

4. DARTHUIZEN, gemeente LEERSUM

De laatste Utrechtse standerdmolen was de "Oog in 't Zeil" in de buurtschap Darthuizen bij Leersum. Hij stond aan de Molenweg en werd daar rond 1750 gebouwd, De molen verkeerde al in een zeer vervallen toestand toen hij, doordat de "kruisplaten" verrot waren, tijdens de storm van 28 december 1954 omwaaide en onherstelbaar beschadigd werd, Herstelplannen die er al waren konden daardoor niet meer doorgaan. Eigenaresse was mevrouw L.H. Stratenus, geboren jonkvrouw Pauw van Wieldrecht, Het was een zogenaamde open standerdmolen.

5. BA VOORT, gemeente LEUSDEN

Behalve de drie reeds genoemde standerdmolens hebben, volgens een voorlopig onderzoek, in deze streek verder nog standerdmolens gestaan te Leusden, Maartensdijk, Rhenen, Amerongen, Baarn, Veenendaal (zie de volgende foto) en te Bavoort, gemeente Leusden, welke laatste we hier zien. Het was een zeer oude molen. Ergens stond het jaartal 1702 ingehakt. In de maalderij, links op de foto, stond een stoommachine opgesteld. Deze maalderij werd, tegelijk met de molen, in december 1917 gesloopt. Ook de molenberg werd afgegraven. De laatste molenaar was C. van Dordt.

6. VEENENDAAL

Dit is de zogenaamde "Nieuwe Molen", vroeger staande in Gelders Veenendaal. Men moet weten dat de provinciegrens tussen Gelderland en Utrecht eertijds dwars door Veenendaal heen liep. Nu behoort de gehele gemeente tot de provincie Utrecht. Ook deze molen was van zeer oude datum en wellicht gebouwd in de zeventiende eeuw. De naam van de molen duidt er op dat daar vroeger nog een oudere molen is geweest. Omdat men veel last van windbelemmering had werd de "Nieuwe Molen" in 1911 gesloopt en vervangen door een hoge, ronde, stenen molen, die dezelfde naam draagt en die er nu nog staat.

7. BENSCHOP

In tegenstelling tot het oostelijk deel van de provincie, werd een aantal standerdmolens in het westelijk deel al vrij vroeg door wipkorenmolens vervangen. Ongetwijfeld houdt dat verband met het veelvuldig voorkomen van wippoldermolens in deze streek en in het aangrenzende Zuid-Holland. Voorbeelden daarvan vond men onder andere te Jaarsveld, Lopikerkapel, Tienhoven, Benschop, Westbroek, Lage Vuursche, Kamerik en Haarzuilens. Als eerste zien we hier de wip korenmolen te Benschop, staande aan de Polsbroekerdam. De molen werd in 1923 gesloopt.

JAARSVELD.

8. JAARSVELD

Niet ver van die te Benschop stond de wipkorenmolen te Jaarsveld, eveneens in de Lopikerwaard. Het was een zeer oude molen, die al vóór 1599 moet hebben bestaan. Hij stond bij de Fuikebrug en werd in 1913 gesloopt. De eigenaar/molenaar was H.A. Brokking. Men ziet de molen hier malen met "twee volle en twee schuine", hetgeen erop duidt dat er zoveel wind staat, dat de molenaar zeil moet minderen. "Zwichten" heet dat met een vakterm.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek