Molens in de Zaanstreek in oude ansichten deel 2

Molens in de Zaanstreek in oude ansichten deel 2

Auteur
:   A.F. Neuhaus
Gemeente
:  
Provincie
:   Noord-Holland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4550-3
Pagina's
:   128
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2-3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Molens in de Zaanstreek in oude ansichten deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

INLEIDING

In geheel Nederland zal men moeilijk een landstreek kunnen aanwijzen waar men meer en beter gebruik van de wind heeft gemaakt dan in de Zaanstreek. Naast belangrijke rederijen voor de overzeese handel in granen, hout en oliezaden, trof men eertijds een ontzagwekkend aantal molens in de Zaanlanden aan. Handel en industrie zijn vanouds twee belangrijke bronnen van welvaart en het industriele gedeelte yond plaats door en met windmolens. Verschillende factoren hebben meegewerkt dat juist in de Zaanstreek het windmolenbedrijf zo'n grote vlucht nam. Allereerst de onbelemmerde winden in dit vrijwel boomloze, vlakke gebied met rondom prachtig vaarwater. Vervolgens de gunstige ligging in de onmiddellijke nabijheid van de voornaamste Hollandse koopstad Amsterdam en niet te verge ten de koene ondernemingsgeest der Zaankanters.

Als eerste Zaanse industriemolen mag de in 1596 per vlot naar Zaandam overgeplaatste primitieve zaagmolen gelden, die Cornelis Cornsz. van Uitgeest een paar jaar eerder had uitgevonden. Dit zaagmolentje werd - na enige ingrijpende veranderingen - ten slotte draaibaar op een werf gezet en in werking gesteld. De plaats waar deze eerste bedrijfsmolen - "De Juffer" genoemd - heeft gestaan is de nog altijd bestaande houtwerf van de firma Wed. G. Gras en Zoon aan de Oostzijde, ten noorden van het viaduct. Dit molentype was constructief sterk verwant aan het standaardmodel en draaide in zijn geheel om een spil of keuning. Vanwege zijn eigenaardige vorm met de aangebouwde vleugels, meestal zwart geteerd, werd het een paltrokmolen genoemd. Ter herinnering aan

de vormgeving van een paltrok, een soort jas zoaIs de gevluchte doopsgezinden uit Rijnland-Paltz in die tijd droegen. De paltrokken werden onderscheiden in balkenzagers en wagenschotzagers. De balkenzagers, die grenen en vurenhout zaagden, waren van drie zaagramen voorzien. Daarentegen werkten de wagenschotmolens met twee ramen. In 1604 bouwde Dirk Sijbrandsz. te West-Zaandam de eerste houtzaagmolen met draaibare kap. Deze bovenkruiers waren dikwijls grote, zware molens. Een windmolen zaagde gemiddeld vijfenveertig balken per dag. De grote exemplaren waren in staat balken te zagen van 5 1/2 voet dik.

Met het verval van de Zaandamse scheepsbouw - in het midden van de achttiende eeuw - bleven er talrijke stilstaan, terwijl een aantal bovenkruiers toen tot andere bedrijven werden ingericht. Zo vertimmerde men "Het Ooster Kattegat" tot oliemolen en "De Reus" te Koog werd van zaagmolen eveneens tot oliemolen verbouwd. Ook de zaagmolen "De Jonker" veranderde omstreeks die tijd in een oliemolen. De olieslagerij was hier in voorbije jaren eveneens een belangrijke tak van nijverheid. Ruim twintig procent van de totale molenindustrie nam het destijds voor haar rekening. Lag de concentratie der houtzagers in West-Zaandam en in mindere mate te Westzaan, de oliemolens waren het meest talrijk te Oost-Zaandam, Wormer en Wormerveer. In 1597 werd door Cornelis Comelisz. van Uitgeest - de eerder genoemde uitvinder van de houtzaagmolen - octrooi aangevraagd voor een oliemolen met rollende stenen. Voordien werd met stampers het oliehoudende zaad gekneusd

en geplet, waarna het in de slagpersen werd uitgeperst. De eerste Zaanse windoliemolen heeft in Zaandijk gestaan en bestond reeds in het jaar 1600. Vooral na de Munsterse Vrede, in 1648, groeide het aantal oliemolens snel. De vroeg gebouwde oliemolens waren dikwijls van klein kaliber en maalden met een slagwerk in hoofdzaak hennepzaad. Toen men kool- of lijnzaad ging verwerken, werden de enkelwerk molens verbouwd en van een volwaardig oliewerk voorzien; met een voor- en een naslag. De verandering in een zogenaamde dubbele oliemolen had dikwijls voor de kleine molens tot gevolg dat in de zeeg van het molenlijf een houten kast moest worden gebouwd ter plaatsing van de nieuw aangebrachte rees (de horizontale balken, waartussen de haaien en stampers op en neer bewegen). Een dergelijke aanbouw kunnen wij bij "De Visscher" op foto nummer 48 waarnemen. De oliemolens waren alle voorzien van een brede deur met steiger. Deze steiger werd gebruikt om de vaten met olie in de schuiten te laden, waartoe ook een houten hijskraan aanwezig was.

De papiermolens herkende men aan de lange droogschuren en schoorstenen, welk aantal aangaf met hoeveel schepkuipen het bedrijf werkte. Oorspronkelijk waren de papiermolens gebouwd tot het fabriceren van grauw, blauw, basterd en bordpapier. Na 1672, toen ve1e Veluwse papiermakers voor het Franse 1eger naar de Zaanstreek uitweken, ging men zich hier ook op het produceren van wit papier toeleggen. De wit papiermolens waren voor die tijd grote bedrijven met ongeveer zestig personeelsleden.

De gortpelmo1ens vertoonden een fors uiterlijk, zwaar

en breed van vorm, in het bijzonder de later gebouwde pelders van voor ongeveer 1750. Het pellen was een zwaar werk, waarvoor veel kracht moest worden ontwikkeld. Het pelderskruis onderscheidde zich daarom vanwege de brede voorzomen en windborden, gecombineerd met een diepe schoot in de hekkens. De rijstpelders waren van veel jongere datum en dateerden van het eerste kwart der vorige eeuw. Deze molens kenden een kort bestaan. Vooral na de bouw van enige stoomrijstpellerijen, in de jaren 1870-1880, vielen zij ten offer aan de moderne techniek. De gortmolens handhaafden zich langer. Eerst zware concurrentie ondervond men door de bouw van stoomgortpellerij "Mercurius" in 1893 en het toenemende aantal Duitse gortproducenten. Ten slotte bleek het "windpellen" niet meer lonend en werden vele pelmolens omgebouwd tot het malen van doppen en stierven ten gevolge daarvan de vuurdood.

De verfmolens had den een schuur met vele luiken om de grondstoffen door de wind te laten drogen (zie foto 64). Een aantal bezat ook een apart staande loods, uitgerust met droogrekken.

De snuif- en specerijmo1ens waren van een klein ere bouw, terwijl de mosterdmo1ens van nog kleiner maaksel waren.

Een tijdperk van ruim 380 jaar industrieelleven heeft de Zaanstreek thans achter de rug. De windmolen vormt een belangrijk stuk van de lokale economische geschiedenis. Tal van nog bestaande Zaanse fabrieken von den immers hun ontstaan in die oude molens.

Weerpad

OOSTZAt.N.

o

Uittrever Van JVijk d:' S.,';t, Oosteaan,

; .

. '-" ..?

?

1. Vanuit Oostzaan start onze molentocht waar de forse korenmolen "Het Oostzaner Wapen" heel lang het Weerpad stoffeerde. Op maandagmiddag 7 juni 1880 werd de molen van Kater door de bliksem geraakt. Er brak echter geen brand uit, alleen binnen aan het hout- en ijzerwerk waren enige brandvlekken te bespeuren. In februari 1920 viel deze trotse wiekendrager in slopershanden, waarmee tegelijkertijd een prachtig stukje dorpsschoon teloorging. Het pakhuis, dat hier rechts achter de molen is te zien, heeft tot op de dag van vandaag stand weten te houden.

2. We zakken nu af naar het Oostzijderveld bij Zaandam en aan de Gouw, ten noorden van de Hanenpadsloot, zaagde de kolossale bovenkruier "De Vrede", die na een opleving van de Zaanse houtzagerij in 1839 voor rekening van Cornelis van de Stadt geheel nieuw was neergezet. Na negen jaren arbeid verbrandde "De Vrede" op 31 mei 1848, maar werd kort daarna door molenmaker Exalto herbouwd. De tweede "Vrede" was een molen van zeer grote omvang en was hoog gebouwd op een stenen onderbouw. In de avond van 1 juli 1899 geraakte "De Vrede" malende in brand en werd een prooi der vlammen. De houtloodsen bleven behouden en zijn nog lang in bedrijf geweest. De brand ontstond ten gevolge van het stuk springen van de amarilsteen van de zagenslijpmachine, waarvan de stukken in een petroleumlantaarn terechtkwamen. Rechts staat pelmolen "De Traanroeier", die in 1902 naar Oudeschild werd overgebracht.

3. Aan de Kerksloot tussen de Gouw en de Weer troffen we "De Gekroonde Hoop" aan, bijgenaarnd "Het Rasphuis". Deze kloeke maalder kon met een flinke wind soms meer dan tachtig balken per dag zagen. Op 7 februari 1898 liep "Het Rasphuis" door een hevige storm uit het noordwesten ernstige schade aan het binnenwerk op, waarna eigenaar Stadlander & Middelhoven tot afbraak besloot. Hij werd nog in datzelfde jaar te Winterswijk herbouwd.

4. We zien hier pelmolen "De Liefde", die achter de Bloemgracht aan de Weer stond. De windbrief voor deze "Liefde" (een veel voorkomende Zaanse molennaam) werd aangevraagd door Cornelis Claesz. Booy en consorten in 1689. "De Liefde", alias "Het Dolhuys", werkte een tiental jaren voor de firma J. Zwaardemaker Hzn., die in het laatst van de vorige eeuw tevens met "Het Wapen van Friesland" en "De Roozenboom" pelde, Na de oprichting van stoompellerij "Alkmaar", in 1900, werd "De Liefde" tot stil staan gedoemd. Hij verhuisde drie jaar later naar Woudenberg, om daar als korenmolen dienst te doen.

5. Stoomhoutzagerij "De Veldvlieger" van Stadlander & Middelhoven wordt hier nog omringd door talrijke wiekendragers. Van links naar rechts zijn te herkennen: "De Windhond" (waarvan slechts een stuk roed is te zien) die in 1889 werd gesloopt daarna het kruis van pelmolen "De Liefde" en vervolgens houtzaagmolen bovenkruier "Het Rasphuis". Meer naar rechts, ter hoogte van het eind van de Bloemgraeht, zien we paltrokzager "De Zalm", eerder "De Vos" geheten en gesloopt in 1895. Uiterst reehts pelmolen "De Traanroeier" en houtzaagmolen "Het Bruine Schaap".

6. Een landelijk aanzien op de huizenrij van de Oostzijde in het jaar 1894. Links ligt het Zuidervaldeurspad en aan het Molenpad domineert de rijzige meelmolen "De Haan", die in 1912 in vlammen opging. Ongeveer in het midden kunnen we de contouren van de Bullekerk aan de Westzijde ontdekken, terwijl uiterst rechts "De Doofpot", de voormalige doopsgezinde kerk, nog te zien valt.

7. In een ongerept, wijds polderlandschap komen de Zaanse windmolens het voordeligst tot hun recht. Hier weer een beeld van het Oostzijderveld met links, ten oosten van de Watering, pelmolen "De Roozenboom", wiens standplaats op het grondgebied van Oostzaan lag. Hij verbrandde op 26 augustus 1899 en was voor de spuiten onbereikbaar. Dan voIgt oliemolen "Het Honingvat", waarachter oliemolen "De Koning William" verborgen gaat. Meer naar rechts zien we, ten oosten van de Gouw, pelmolen "De Drie Gebroeders", veelal "De Poort" genoemd, die in 1904 naar Wierden werd overgebracht. Ten slotte oliemolen "De Woudaap", waarvan de romp met overnaadse planken was bekleed. Op zaterdagavond 30 oktober 1915 vatte ,,'t Apie" vlam en ging reddeloos ten onder.

8. Een pittoresk beeld van de Noordervaldeursloot, waaraan we een vijftal molens zien staan. Het zijn, van voor naar achter: "De Sluiswachter", een verfmolen die in 1897 werd gesloopt. Op dit molenerf staat thans de farmaceutische fabriek Medicopharma. Dan volgen de oliemolens "Het Kaar" en "De Quak". Verder in 't veld "De Zeef", ook weI "Het Huis te Muyden" genoemd omdat de bouwheer van deze molen Gerrit Jansz. Muyden heette. Deze oliemolen werd in 1897 gesloopt. Ten slotte oliemolen "De Kaver", die weer benoorden de Valdeursloot stond en in juli 1898 omver werd gehaald. De boerderij van Klaas en Jan Hollebeek staat links op de voorgrond.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek