Nederlandse Molens in oude ansichten deel 2

Nederlandse Molens in oude ansichten deel 2

Auteur
:   drs. H.A. Visser
Gemeente
:  
Provincie
:  
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-0081-6
Pagina's
:   144
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2-3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Nederlandse Molens in oude ansichten deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

INLEIDING

In het bekende weekblad "De Molenaar" verscheen in 1930 een artikeltje onder de kop "De molen te Markelo". Over deze molen, die zo mooi was gelegen in het Twentse landschap, schreef men toen: Zou het niet jammer zijn, als die molen verdween, of ook maar verminkt werd? Dat zou een leemte in het landschap, een hiaat in het panorama zijn! En toch verkeert het bestaan van deze molen in ernstig gevaar. Er werd al lang over gefluisterd en de geruchten werden steeds positiever: de molenaar zou de molen laten afbreken en met een motor gaan malen. Maar gelukkig is het nog niet zover. De molen "de Hoop" werd gebouwd in 1836 en de eerste molenaar was Jan Dam, de grootvader van de latere (in 1930) molenaarsvrouw. Van 1836 tot 1897 is de molen uitsluitend als windmolen gebezigd en wereldschokkende gebeurtenissen heeft Markelo en daarmee de molen in die ruim zestig jaar niet meegemaakt. Het was in 1897, dat er een hulpmotor in de molen werd geplaatst, die het raderwerk in beweging moest brengen, zodra de wind niet krachtig genoeg was om de wieken te doen draaien. De hulpkracht was noodzakelijk om de concurrentie tegen naburige molens te kunnen volhouden.

Die toestand heeft geduurd tot 1924. Toen werd de motor, die allengs was versleten, vervangen door een nieuwe, ook een oliemotor. Bovendien werd er nog een elektromotor bijgeplaatst. Deze twee deden in het vervolg het werk, zodat de wieken sedertdien niet meer hebben gedraaid. De molen zelf werd niet meer onderhouden. De stelling werd onbetrouwbaar en ook de wieken begonnen in slechte conditie te verkeren. Zo is de molen tot 1935 blijven staan. Ondanks de

goede wil van de molenaar, pogingen tot behoud van de gemeente, de Rijksoverheid en de Vereniging "De Hollandsche Molen", konden de middelen tot behoud niet worden gevonden. Tenslotte zag de molenaar geen andere oplossing dan zijn molen te onttakelen en er die delen af te slopen, die geen nut meer hadden, nu er toch niet meer met de wind werd gemalen. Slechts een kale romp als herinnering aan de eens zo fraaie molen bleef over.

Deze geschiedenis, die van de korenmolen van Markelo, is dezelfde als die van zoveel andere molens in ons land. De opkomst van nieuwe krachtbronnen bracht met zich mede dat voor de bemaling van polders, het malen van graan en het zagen van hout, de met windkracht gedreven molen geleidelijk in onbruik geraakte. Men was op die energiebron - de wind - niet langer aangewezen. De ontwikkeling van nieuwe krachtbronnen van velerlei aard luidde een nieuw tijdperk in, dat van de mechanisatie. En de windmolen heeft de ongelijke strijd niet kunnen volhouden. Eerst was het de stoomkracht, later de verbrandingsmotor en de elektromotor, die er de oorzaak van waren dat de molens bij duizenden werden gesloopt.

Als men bedenkt dat er in ons land in 1926 nog een tweeduizend molens waren, waarvan er nu nog maar een negenhonderd vijftig over zijn, dan kan men zich voorstellen welk een stempel het bezit van zoveel molens toentertijd op Nederland drukte. De polderbemaling en het bestaan van allerlei industrieën waren slechts mogelijk bij de gratie van de windmolens. Behalve korenmolens waren er houtzaagmolens, olie-, pel-, snuif-, papier- en nog diverse andere soorten molens. Diepe droogmakerijen, ontstaan uit uitgeveende plassen, werden met één of meer gangen, elk van drie of vier molens, bemalen.

De eerste foto's die van molens werden gemaakt, dateren van het laatste kwart van de vorige eeuw. Een klein aantal van nog wat eerder. De eerste prentbriefkaarten verschijnen zo rond 1890. Tot aan die tijd waren het de landschapsschilders en de tekenaars die de molens in beeld brachten en ons zo een indruk gaven van wat er op dat terrein allemaal te zien was. Bij de prentbriefkaarten moet men bedenken dat poldermolens in het algemeen weinig werden afgebeeld, tenzij ze in of dichtbij de dorpskom stonden en er dan tevens groepen personen of andere gebouwen konden worden weergegeven. Immers, voor een eenzame poldermolen had niemand belangstelling.

Vooral aan het bestaan van deze oude prentbriefkaarten en in mindere mate aan oude foto's, danken wij het nog dat we ons nu een beeld kunnen vormen van zoveel interessante molens, die ons landschap hebben verfraaid en die door hun grote verscheidenheid van aard en type voor ons nu zo'n boeiend onderwerp betekenen.

Het nu voor u liggende boekje is een vervolg op het eerste deel, samengesteld door de heer L. van Lambalgen. De samensteller heeft ernaar gestreefd geen molens op te nemen die alreeds in het eerste deeltje voorkomen. Ook leek het hem interessant uitsluitend reeds verdwenen molens op te nemen en ten slotte is getracht de molens zoveel mogelijk te tonen in het landschap, waarvan zij zo'n belangrijk deel hebben uitgemaakt. Ongetwijfeld zal het de lezer vergaan zoals het de samensteller verging: men krijgt een gevoel van weemoed over zoveel moois en interessants, dat voorgoed verloren is gegaan. Maar de herinnering blijft en om die te helpen levend houden is deze reeks molenboekjes door de verschillende samenstellers opgezet en vervolgens door de uitgever uitgegeven.

Geraadpleegde literatuur
1) De Brabantse Molens. Helmond, 1974.
2) Gelders Molenboek. Zutphen, 1968.
3) Molenboek provincie Utrecht. Utrecht, 1972.
4) Noord Hollands Molenboek. Haarlem, 1964.
5) Molens van Friesland. Leeuwarden, 1971.
6) Langs oude Friese windmolens, door G.J. Wijnja. 1977.
7) Molens in Drenthe in oude ansichten, door H. Blaauw en H. Visser. 1978.
8) Molens in Groningen in oude ansichten, door W.O. Bakker. 1977.
9) Molens in Limburg in oude ansichten, door drs. G.C.M. Egelie.
10) Weekblad "De Molenaar".

Fotoverantwoording
De foto's zijn - op enkele na - afkomstig uit het archief van de schrijver zelf. Die enkele werden welwillend ter beschikking gesteld door de heer 1.J. de Kramer te Leidschendam, van wiens adviezen de schrijver overigens ook een dankbaar gebruik heeft gemaakt.

FRIESLAND

1. Koudum. We beginnen onze tocht langs de Nederlanse molens in de provincie Friesland. En dan eerst een wip korenmolen. Na de uitvinding van de wip-poldermolen werd dit soort molens in de streken waar ze voorkwamen ook voor andere doeleinden, zoals koren malen, gebruikt. Om de vrij beperkte ruimte in de "ondertoren" enigszins te vergroten en tevens om de windvang te verbeteren, werden deze molens meestal op een hogere voet geplaatst dan bij de poldermolens het geval was. Zo ook bij de wipkorenmolen te Koudum, genaamd "De Vlijt". Men ziet de molenaar op de "stelling" staan, de blik op de fotograaf gericht. Helaas werd deze interessante molen in 1938 gesloopt.

2. Harlingen. Een zeldzaam voorkomende molensoort heeft te Harlingen gestaan. Het was "De Twee Gebroeders" van de firma Meinesz, een wip-zaagmolen met zwichtstelling. Een molen die we in deze afmetingen ook zullen aantreffen in Broekerhaven bij Enkhuizen (afbeelding 71). Hij stond aan de zuidkant van Harlingen, bij de Zeedijk. De merkwaardige molen is omstreeks 1894 gesloopt. Boven het woonhuis zien we nog juist de kap en de wieken uitkomen van de voormalige zaagmolen-bovenkruier "'t Fortuyn".

3. Berlicum. Het aantal industriemolens, waaronder worden verstaan oliemolens, zaagmolens, pelmolens, cementmolens, runmolens en dergelijke, is in Friesland vrij groot geweest. Als we ervan uitgaan dat de korenmolens meestal niet tot de industriemolens worden gerekend, dan zijn de zaagmolens het grootst in aantal geweest. Ze stonden in of bij de grotere plaatsen, maar ook op het platteland trof men ze veelvuldig aan. De foto toont de zaagmolen te Berlicum, hier in 1843 gebouwd, nadat zijn voorganger door de bliksem was getroffen en geheel afbrandde. Het is de molen "De Hoop", die in 1930 onder slopershanden is gevallen.

4. Leeuwarden. De rijkdom aan molens was in en om de Friese hoofdstad Leeuwarden wel bijzonder groot. In 1853 stonden hier niet minder dan achtentwintig molens van allerlei soort. Hier een beeld van de Harlinger Trekvaart in het laatste kwart van de vorige eeuw. In de verte (rechts van de mast van het schip) de zaagmolen van Van der Wint te Deinum. Verder, van links naar rechts: de voormalige oliemolens "De Jonge", gebouwd in 1871, "De Fortuin" en "De Kat". Deze laatste is in 1887 per schip over gebracht naar Marie, gemeente Wijhe (Ov.), waar hij als korenmolen weer werd opgebouwd en daar nog aanwezig is.

5. Kootstertille. Dit is de olie- en korenmolen die in Kootstertille heeft gestaan. Kootstertille vindt men ongeveer halverwege tussen Leeuwarden en Groningen, even ten oosten van het Bergumermeer. Duidelijk zijn hier de zelfzwichtende wieken te zien, oorspronkelijk een Engelse uitvinding en vooral in Groningen veel toegepast, in Friesland wat minder. Het bedrijf en de molen van De Vries zijn in 1931 aan de slopershamer ten offer gevallen. Maar voordat het zover was, is eerst deze foto nog gemaakt.

6. Makkum. Nog een Friese oliemolen en wel die bij Makkum. Deze molen was met spanen gedekt en gebouwd in 1764. In 1860 nog werkte men er met negen man personeel. Vanaf de bouw van de molen is de familie Kingma steeds eigenaar van de molen geweest. Zij ook hebben hem, toen het bedrijf niet meer loonde, in 1931 voor afbraak verkocht. Duidelijk vallen ook hier de zelfzwichtende wieken op. Zij geven de molen een regelmatiger gang. Dicht in de buurt stond de zaagmolen van P.D. AHa die kort na 1922 half werd gesloopt. De zaagschuur is nog aanwezig.

7. Hallum. Behalve de grote koren- en pelmolen "Sijtsma's molen", gesloopt in 192 7, stond te Hallum ook nog deze korenmolen, genaamd "Minister Thorbecke", uit 1856. Hij werd bemalen door de gebroeders Kok en is in 1942 gesloopt. De korenmolens in deze noordelijke streek van Friesland hadden vrijwel alle dezelfde bouw: een houten achtkant op een houten onderbouw. Men trof deze molens onder andere ook aan in Ternaard, Blija, Marrum, Ferwerd en Holwerd.

8. Minnertsga. De laatste Friese korenmolen waar we bij stil blijven staan, is die te Minnertsga: "De Welkomst". De voorganger van deze molen is omstreeks 1890 door blikseminslag totaal afgebrand. Daarna werd een bestaande molen uit Leeuwarden overgebracht en hier weer opgebouwd. Het verval kwam al na 1920, toen de molen buiten gebruik en met één roede stond. De oude molenaar Knol was niet meer in staat het bedrijf voort te zetten. Molenaar S. Hogerhuis heeft het na hem nog een aantal jaren geprobeerd, maar in 1947 is de verwaarloosde en zonder wieken staande molen ten slotte toch gesloopt.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek