Oostzaan in oude ansichten deel 2

Oostzaan in oude ansichten deel 2

Auteur
:   J. de Boer
Gemeente
:   Amsterdam
Provincie
:   Noord-Holland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-0096-0
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Oostzaan in oude ansichten deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

INLEIDING

Met veel genoegen heb ik mogen vaststellen dat de kennismaking met het eerste deel voor velen een genoegen geweest is en dikwijls nog is. Het bleek mogelijk een tweede deeltje samen te stellen, waarbij ik wat meer aandacht geschonken heb aan het Zuideinde. Het was een plezierige bezigheid verschillende mensen te raadplegen, gegevens te verzamelen en te vergelijken om tenslotte tot een keuze te komen en tot een rangschikking te geraken. Hartelijk dank aan allen die op enigerlei wijze aan de totstandkoming hebben medegewerkt.

Heeft de vorige inleiding zich bepaald tot een globaal overzicht van de historie van onze gemeente, ditmaal zou ik de aandacht willen richten op de middelen van bestaan, op de wegen en het verkeer. Reeds omstreeks 1850 werden hier tamelijk wat eenden gehouden, welke gevoerd werden met de te kleine vis die na de visvangst in de sloten overbleef. Langzamerhand groeide deze eendenhouderij uit tot een voor velen belangrijk middel van bestaan en tot een vorm van bijverdienste voor ieder die bij zijn woning daarvoor de nodige ruimte had. En er waren talrijke grote erven, die voor weinig anders geschikt bleken te zijn (zie afbeelding 36).

Rond de eeuwwisseling telde men in Oostzaan een achttienduizend eenden, maar ook een zestienduizend kippen. Na de watersnood in 1916 liepen deze aantallen sterk terug (zesduizend en vijfentwintighonderd), maar daarna stegen ze snel. In 1923 telde men dertigduizend eenden en vijftienduizend kippen. Begrijpelijk, dat ook de handel in eieren naar binnen- en buitenland en de handel in pluimvee een grote vlucht nam.

Als gevolg van de verveningen waren hier vele sloten en vaarten - vooral in het Twiskegebied - omgeven door smalle stroken land, ekkers genaamd (zie afbeelding 20). Na 1882 kwam geen vervening meer voor. Later echter weer wel in polder VIII, één van de IJpolders. In de jaren 1903 tot en met 1907 werden daar per jaar omstreeks tien miljoen turven gestoken, echter van slechte kwaliteit. Daarna daalde de opbrengst aanzienlijk.

Ook de veehouderij is een belangrijk middel van bestaan geweest. De melk werd in hoofdzaak naar Amsterdam en Zaandam uitgevent. Later werd de melk ook deels ontroomd. De gebroeders Schaft bijvoorbeeld kregen in 1921 een vergunning ingevolge de hinderwet voor het in werking brengen van een benzinemotor van twee p.k, voor een melkontromer. Ook het mesten van koeien en varkens heeft velen werk verschaft. Het vervoer van vee geschiedde per boot naar Amsterdam, later per trein, maar ook lopend naar en van de markt in Purmerend. Het vervoer, van goederen, maar ook dat van trouwpartijen en begrafenissen, vond gedurende vele jaren praktisch uitsluitend plaats te water en in 't bijzonder door de wegsloot welke daarbij een onmisbare functie vervulde. Het was dus nodig de bruggen over de wegsloot z6 hoog te maken dat er een met hooi beladen "plat" onderdoor kon dan wel het brugdek opklapbaar of draaibaar te bevestigen (zie afbeeldingen 9 en 10).

De wegen waren weinig meer dan voetpaden. Later werden ze verbreed en met grind verhard. In 1859 werd de "gangweg" tot "rijweg" hervormd en in november van dat jaar "ten algemenen gebruike" opengesteld. Omstreeks 1890 werd een begin gemaakt met het aanleggen van een paardepad in het midden van de weg. In 1900 was dit werk voltooid: 7287 meter lang en 55 centimeter breed. Eerst in 1914 werd, vanaf de Overtoom, begonnen met de aanleg van een volledige klinkerbestrating. De grindwegen bleken te stoffig, vooral bij het passeren van automobielen. Ook de bruggen in de weg - in 1898 waren er zesenveertig, lagen vrij hoog. Deels waren het balans- of basculebruggen, maar de meeste bestonden uit losse posten;
vlonders, die verwijderd konden worden voor het doorlaten van beladen schuiten.

De verlichting van de wegen begon uiterst eenvoudig. In 1873 werden vijf petroleumstraatlantaarns aangeschaft. In 1886 waren dat er al twaalf, welke alleen brandden bij donkere maan, van 1 oktober tot 1 april. In 1916 trad een belangrijke verbetering in; honderd één gaslantaarns welke hun licht verspreidden van 1 september tot 1 mei, bij donkere maan, tot half elf... Bij deze - weinige - gegevens zou ik het willen laten. Tenslotte nog enkele verbeteringen van de onderschriften welke in het eerste deeltje voorkomen. Bij afbeelding 4 is sprake van wrakhout van hokken. Vrij zeker ging het om hout dat weggedreven was van de houthandel van Aaltje Veen, op die plaats gevestigd. Afbeelding 5: "Keijzerstraat" moet zijn "Meijerstraat". Afbeelding 34: Als de voorstelling in overeenstemming geweest is met het Bijbelse verhaal dan is hier sprake van vijf en niet van zeven maagden.

Ik blijf mij aanbevolen houden voor opmerkingen, aanvullingen, gegevens en ... voor kaarten en foto's. Tenslotte spreek ik de wens uit dat velen ook aan dit tweede deel enig genoegen zullen mogen beleven.

1. Het vertrek van de "Oostzaan IV", van de "Onderlinge Schroefstoombootmaatschappij", vanaf de Overtoom. U ziet veldwachter H. Spelde en conducteur Jacob Koel. Verder van links naar rechts: Trijntje Flens, Trijntje de Dood, Ali Bindt, Siem Flens, Christina Bindt, Alie Brouwer, Hiltje Brouwer, J. Gediking en machinist Gijs Kuiper. De verlichting van de steiger geschiedt met een olie1antaarn. De foto is vermoedelijk omstreeks 1911 genomen.

2. De boot is zojuist van de steiger vertrokken en vaart nu door het zijkanaal I, één van de kanalen welke bij de drooglegging van een deel van het IJ waren uitgespaard, naar Amsterdam. Op de achtergrond zien we de steiger van de Landsmeerderboot met twee van de vaartuigen van die dienst.

3. De sluis in de Oostzanerdijk, welke de scheiding vormt tussen de polder Oostzaan en het IJ, thans het zijkanaal I, is vermoedelijk omstreeks het jaar 1350 gebouwd. Nadien zijn belangrijke vernieuwingen verricht, het laatste in 1917. De doorvaartwijdte was 3,95 m. In september 1946 werd de sluis buiten gebruik gesteld en in 1965 gesloopt en gedempt. Op de foto zien we twee schuitjes met zogenaamde stadsemmers voor het vervoer van de melk, terugkerend van de Oostzaner boot. Aan het wiel staat sluiswachter Veen.

4. Voordat in 1922 de waterleiding werd aangelegd was het in droge zomers nodig - als de regenwaterbakken leeg waren - op andere wijze in de behoefte aan drinkwater te voorzien. De gemeentewerklieden gingen dan met een plat met vaten water langs het dorp, waarbij ieder voor bijvoorbeeld twee cent per emmer hoogstens twee emmers kon verkrijgen. Het water was ook wel afkomstig uit de Kerkebak. Deze foto is waarschijnlijk genomen bij de Overtoom, met het gezicht op de Oostzanerdijk.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek