De Ahrens-Fox in beeld

De Ahrens-Fox in beeld

Author
:   A.P. van Eijsden
Municipality
:  
Province
:  
Country
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-1139-3
Pages
:   80
Price
:   EUR 16.95 Including VAT *

Delivery time: 2 - 3 weeks (subject too). The illustrated cover may differ.

   


Fragments from the book 'De Ahrens-Fox in beeld'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Ook het koelsysteem van de Ahrens- Fox was uniek. Door middel van een regelkraan kon het koelwater dat de cilinders van de motor had afgekoeld via de waterpomp terug keren naar de radiateur of naar een stel buizen in de waterruimte van de pomp. Deze buizen werden tijdens bluswerkzaamheden gekoeld door het water dat door de pomp ging en tijdens het rijden door de radiateur. Hierdoor was het dus mogelijk de temperatuur van het koelwater van de motor tijdens langdurig bedrijf op peil te houden en omgekeerd kon tijdens het rijden naar een brand - gedurende hevige koude - het pompIichaam verwarmd worden door het koelwater van dit gesloten koelsysteem, zodat bevriezing van de pomp werd voorkomen. Omdat het koelwater door het bluswater werd gekoeld sprak men van 'indirecte koeling'.

Ombouw

In de loop der jaren hebben de Ahrens-Foxen diverse wijzigingen en modificaties ondergaan, zonder dat dit afbreuk deed aan het opvallende uiterlijk. Zo werden onder andere de grote verchroomde koplampen aan weerszijden van de radiateur vervangen door op de spatschermen gemonteerde exemplaren met een wat meer gestroomlijnde vorm. Omdat de chauffeurs last ondervonden van de weerkaatsing van zonlicht of, bij duister, van verlichting die in de geheel verchroomde windketel van de pomp scheen, werden deze later gezandstraald, waarna deze windketels sindsdien mat zilverkleurig waren.

Bij wijze van proef werd na korte tijd in het midden achter de cabine een drietal roterende rode lampen gemonteerd om het voertuig bij een uitruk optisch beter herkenbaar te maken. Hiervoor werd gebruik gemaakt van zogenaamde Rays Roto Signa;s, vervaardigd door Buckeyk Iron & Brass Works te Dayton (Ohio) USA. Een sirene (fabricaat B & M Siren Manufacturing Comp. van de firma]. Gossner te New - York) zorgde voor een akoestisch signaal. Rechts achter de cabine was een groot verchroomd zoeklicht aangebracht, terwijl later aan de linkerzijde een grote blauwe lamp met daarop het nummer werd gemonteerd. De goudkleurige biezen waarmee het donkerrode schilderwerk op onder meer de spatschermen en de motorkap aanvankelijk was afgezet verdween in latere jaren. In verband met een wetswijziging kregen alle Ahrens-Foxen in 1959 een blauwe zwaailamp en een tweetonige (lucht)hoom, zoals nu nog steeds gebruikelijk op brandweervoertuigen. Bij hun aflevering bezaten de Ahrens-Foxen de in die tijd gangbare uitklapbare richtingaanwijzers. Bij de meeste Ahrens-Foxen zijn ook deze attributen later vervangen door knipperlichten.

Nadat in 1937 de A1 bij wijze van proef was uitgerust met een gesloten cabine, ondergingen in 1941 nogmaals drie exemplaren (A3 t/m A5) een dergelijke ombouw. Vanaf die tijd had Rotterdam dus drie Ahrens-Foxen met een open cabine en drie exemplaren met een gesloten cabine (de A1) was, zoals hierna aan de orde komt, in 1940 verloren gegaan). Tijdens de oorlog werd de A2 bij wijze van proef tijdelijk uitgerust met een tweetal slanghaspels aan weerszijden van de opbouwen een grote, afneembare slanghaspel met houten spaakwielen aan de achterzijde. Doel van deze proef was om de Ahrens-Fox, die primair was ontworpen en ingericht voor de bestrijding van grote(re) branden, ook geschikt te maken voor de 'normale' brandbestrijding. De proef voldeed kennelijk niet aan de verwachtingen, want deze voorzieningen verdwenen na verloop van tijd weer en de overige Ahrens-Foxen werden nimmer op deze wijze aangepast.

In bedrijf

Tegen het einde van 1928 kwamen de eerste Ahrens-Fox autospuiten in bedrijf De eerste maal dat een Ahrens-Fox daadwerkelijk werd ingezet was op 20 december 1928 bij een brand in de confectiefabriek van de firma De Vries & Zoonen aan de Poortstraat. Bij de bestrijding van een enorme brand die op 27 april 1929 uitbrak in het meubelmagazijn van de firma Van Reeuwijk aan de Kipstraat werden, naast tientallen vrijwillige bluseenheden en drie blusboten van de Havendienst, niet min-

der dan zes van de zeven aanwezige Ahrens-Fox autospuiten ingezet.

Ondanks de aanschaf van deze hypermoderne autospuiten wijzigde de organisatie van de brandbestrijding nog steeds niet wezenlijk. Nog altijd bleef de leiding van de brandweer en de brandbestrijding in handen van vrijwilligers onder leiding van het College van Hoofdlieden. De ruim 1500 vrijwillige brandweerlieden, verenigd in enkele tientallen bluseenheden, kenden een voor hedendaagse begrippen zeer sterke band en een uitgebreid verenigingsleven, compleet met vaandels, medailles en zelfs muziekkorpsen. Rond 1930 besloot het gemeentebestuur om de nog aanwezige zware handbrandspuiten eveneens te vervangen door de lichtere slangenwagentjes. Omdat voor de bediening van deze slangenwagens minder personeel nodig was werd het aantal geaffecteerden per blus eenheid teruggebracht tot circa twintig man. Slechts in de landelijke randgebieden bleven enkele handbrandspuiten gehandhaafd. De zonder meer antiek geworden slangenwagentjes zouden overigens pas in het begin van de jaren vijftig (!) het veld ruimen.

Stalling

Omdat de Rotterdamse brandweerorganisatie werd gevormd door een vrijwillige brandweer en de zogenaamde Reddingsbrigade (met de De Dion Bouton reservewagens) op het Groote Kerkplein moest voor de stalling, bemanning en bediening van de Ahrens- Foxen een oplossing worden gevonden. De Ahrens-Foxen werden daarom gestationeerd in een drietal gebouwen van de Gemeentelijke Vervoer- en Motordienst (GVMD) aan de Boezemsingel, de Zalmstraat en de Brielschelaan. Aan de Boezemsingel werd ook de autoladder gestationeerd. Met het besturen en het onderhoud van dit materieel werd een vaste ploeg van ervaren chauffeurmonteurs van de GVMD belast. Deze werkten in tweeploegendiensten en hun brandweeruitrusting bestond uit een leren jas, laarzen en een pet.

Detail van de beroemde van gietbrons vervaardigde zuig/perspomp van een Ahrens-Fox met voor de bolvormige perswindketel de verticaal geplaatste vacuüm- of zuigwindketel. Doordat de zuig- en perszijde van de pomp elk een windketel bezaten konden de schokkende bewegingen van de zuig- en persslangen worden opgevangen. Let ook op de persuitlaten met afsluiters, de vele meters (temperatuurmeter, vacuümmeter, manometer en toerentalmeter) en de oorspronkelijke aan de radiateur bevestigde ronde koplampen. Als een Ahrens-Fox moest uitrukken lieten de centralisten van de alarmcentrale een zware claxon loeien, waarna het brandadres telefonisch werd doorgegeven. Onnodig te vermelden dat na de indienststelling van de Ahrens-Foxen de stoombrandspuiten buiten dienst werden gesteld. In 1929 werden voor het laatst paarden gebruikt. Een geopende motorkap toont het imposante motorblok van de Ahrens-Fox met zes cilinders op lijn, goed voor een vermogen van 110 PK. Elke cilinder had - voor die tijd redelijk uniek - één inlaat- en twee uitlaatkleppen. Goed zichtbaar zijn de fabrieksplaat en het dubbel uitgevoerde luchtfilter voor de carburateur. Opvallend is ook de omvangrijke bekabeling voor de ontsteking. Deze ontsteking bestond uit twee geheel gescheiden elektrische systemen, namelijk een Bosch magneetontsteking en een volledige batterijontsteking, elk met een eigen stel bougies. De batterijontsteking was primair bedoeld voor het starten, al gaven sommige chauffeurs er de voorkeur aan om de motor op ouderwetse wijze 'aan te slingeren'. De ontsteking moest onder het rijden handmatig worden bijgesteld, waartoe op het stuurwiel een wijzer was gemonteerd.

De oorlog

Voor Nederland begon de Tweede Wereldoorlog in de vroege ochtend van vrijdag 10 mei 1940. Om 04.13 uur ontving de alarmcentrale van de Rotterdamse brandweer aan het Groote Kerkplein een brandmelding van de portier van het vliegveld Waalhaven. Door de dienstdoende chef werd 'middelalarm' gemaakt en behalve een viertal vrijwillige bluseenheden met hun slangenwagens moest ook de zogenaamde reservewagen en een van de twee Ahrens-Fox autospuiten van de Brielschelaan uitrukken. Bij aankomst op de Waalhaven floten de kogels de brandweerlieden om de oren en bleek dat er veel meer aan de hand was dan een explosie in een hangar en een brandend vliegtuig. De Ahrens-Fox Al was min of meer gestrand ter hoogte van pier S. Nadat de rust ogenschijnlijk was weergekeerd werd besloten om af te leggen op open water, maar nadat een zuigbuis in de Waalhaven was neergelaten begon een nieuw bombardement, waardoor iedereen weer dekking moest zoeken. Een neervallende bom sloeg vlakbij de A1 in, waardoor deze Ahrens-Fox totaal werd verwoest.

Omstreeks 09.00 uur diezelfde ochtend rukte de 42-jarige GVMD-chauffeur Willem Verschoor met de andere Ahrens-Fox vanaf de vuilverbrandinginrichting aan de Brielschelaan uit voor een brandmelding aan de Maaskade. Op de Putschelaan nabij de Pretorialaan werd de Ahrens-Fox vanuit de Johannes Brandstraat beschoten. Verschoor werd daarbij door een kogel in het hoofd getroffen en was op slag dood. Bijzonder triest was het feit dat de schoten werden afgevuurd door Nederlandse militairen, die dachten Duitsers voor zich te hebben.
Of het zien van het voor veel niet-rotterdammers onbekende en bijzondere voertuig daarbij mogelijk een rol heeft gespeeld is onbekend. Later zouden in deze autospuit zo'n vijftig kogelgaten worden geteld. Bij het herstel van de schade aan deze Ahrens-Fox werd gebruik gemaakt van onderdelen van de verniel-de A1. De A4, die was ingezet in het oude centrum nabij het Steiger, kon overigens ternauwernood worden gered van vernietiging door vliegtuigbommen. Licht beschadigd en met de slangen nog aan de pomp gekoppeld werd deze autospuit in een heldhaftige actie uit de gevarenzone verwijderd. Tijdens de verdere bombardementen werden de voertuigen teruggetrokken in het Kralingse Bos om uit het zicht van de vliegtuigen te blijven. Gedurende de meidagen - en in feite tot vele weken daarna zijn de Ahrens-Foxen onafgebroken ingezet voor de bestrijding van de door de bombardementen ontstane grote brand, die vrijwel het gehele Rotterdamse centrum in de as legde.

Organisatiewijzigingen

In die oorlogsjaren werd op last van de bezetter de organisatie van de brandweer in ons land grondig gewijzigd. Rotterdam kreeg op 24 oktober 1940 een beroepsbrandweer, die naar het Duitse model van de Feuerschutzpolizei onder de nieuw opgerichte Staatsbrandweerpolitie ressorteerde. In 1941 werden het grondgebied en het inwonertal van Rotterdam aanmerkelijk vergroot door de annexatie van een aantal randgemeenten. Enkele daarvan beschikten sinds de jaren dertig over een eigen brandweerorganisatie en -materieel. Vijf van deze autospuiten werden in de Rotterdamse brandweerorganisatie opgenomen. De zes overgebleven Ahrens-Foxen behielden de nummersA2 t/mA7, de overige autospuiten werden eveneens genummerd en over de verschillende posten verdeeld.

De uit Schiebroek afkomstige Studebaker /Bikkers autospuit kreeg het opengevallen nummer Al, de overige autospuiten van Overschie en Hillegersberg kregen de nummers A8 t/mA11. Van de brandweer Den Haag werd bovendien tijdelijk nog een autospuit in bruikleen verkregen, die het nummer A12 kreeg. Behalve de Al, die zoals reeds vermeld op de eerste oorlogsdag verloren was gegaan, kwamen de overige Ahrens-Foxen de oorlog goed door. Diverse malen hebben zij in die moeilijke periode bij grotere branden hun capaciteiten kunnen tonen. Vooral bij de branden als gevolg van het tweede grote bombardement op Rotterdam, dat Bospolder- Tussendijken trof op 31 maart 1943, bewezen de Ahrens-Foxen hun nut. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog sleepten de bezetters alles wat 'los en vast zat' uit ons land naar Duitsland. Daaronder bevonden zich, naast onder meer veel spoor- en tramwegmaterieel, ook brandweervoertuigen. De Ahrens-Foxen ontkwamen ondanks hun goede kwaliteiten en grote pompcapaciteit merkwaardigerwijs aan dit lot. of de bijzondere afkomst en constructie van de Ahrens-Foxen daarbij een rol hebben gespeeld kan achteraf niet meer worden vastgesteld.

Een fraai vooraanzicht van de A7 op de Brielselaan in de jaren dertig. Op
de twee grote 5" zuiginlaten van de pomp zijn zogenaamde verzamelstuk ken geschroefd. Hieraan konden slangen worden gekoppeld die op een brandkraan waren aangesloten. Voor het aanzuigen vanaf open water moesten deze verzamelstukken worden afgenomen en konden de grotere zuigslangen aan de 5" zuiginlaten worden gekoppeld. Door de aanwezigheid van twee van deze grote zuiginlaten was het mogelijk om op grotere zuighoogten voldoende water te kunnen aanzuigen. Bij 7,30 m zuighoogte bijvoorbeeld kon met beide zuigslangleidingen nog een opbrengst van 2900 l/ min worden behaald.

Na de oorlog

Na de oorlog werd de organisatie van de brandweer in Rotterdam weer gewijzigd. Weliswaar bleven de vrijwilligers de spil van de brandweerorganisatie vormen, er bleef ook een vaste kern van beroepspersoneel aanwezig. Deze beroepskern bezette de brandweerposten en bemande het daar gestationeerde brandweermaterieel. Het beroepsgedeelte en het materieel van de brandweer ressorteerde onder de Reinigings-, Ontsmettings-, Transport-en Brandweerdienst (Roteb), de opvolger van de GVMD. Alhoewel deze constructie regelmatig tot conflicten leidde, omdat het voorkwam dat vrijwillige bevelvoerders leiding gaven aan beroepskrachten, waren alle Rotterdamse brandweerlieden eensgezind in hun opvatting dat de Ahrens-Fox autospuiten de trots van het korps waren. In 1952 kregen alle Ahrens-Foxen ter vervanging van de tot dan toe gebruikte provinciale kentekens (zie overzicht) een nieuw kenteken. Toen de Rotterdamse brandweer in 1953 de eerste autospuiten aanschafte met een ingebouwde watertank en een gecombineerde hoge- en lagedrukpomp veranderde de rol van de Ahrens-Fox opnieuw zoals in het tijdperk van voor de oorlog, namelijk het leveren van grote hoeveelheden bluswater bij grote(re) branden. Vijf van de Ahrens-Fox autospuiten waren per april 1955 gestationeerd op de toen bestaande brandweerposten: Brielselaan, Zaagmolenkade, Westzeedijk, Stadion en Overschie. Op de drie laatste posten waren de Ahrens-Foxen zogenaamde onbemande autospuiten, waarvoor slechts een chauffeur/pompbediener beschikbaar was. De bezetting werd op het brandterrein zelf gevormd door vrijwilligers. De bemande autospuiten van de hoofdwachten Brielselaan en Zaagmolenkade hadden aanvankelijk nog een volledige bezetting met beroepspersoneel. Een van de Ahrens-Foxen fungeerde als reservevoertuig.

In 1968 volgde een vernummering van het Rotterdamse brandweermaterieel, waaraan ook de Ahrens-Foxen niet ontkwamen. In dat jaar werden de voertuigen vernummerd naar de brandweerpost waar zij waren gestationeerd. Deze kazernenummering, die overigens in 1970 al weer door een ander systeem werd vervangen, geschiedde als volgt:

A2 werd FR (materieeldienst) en daarna F4 (Westzeedijk); A3 werd F1 (Brielselaan) en daarna F6 (Bosland) ;
A4 werd F3 (Overschie);
A5 werd F5 (Stadion);
A6 werd F2 (Baan);
A7 werd F7 (Zaagmolenkade).

De FR was de reserve Ahrens-Fox die gestationeerd was bij de materieeldienst van de brandweer. Kort daarna werd dit voertuig alsnog gestationeerd op de brandweerpost Westzeedijk en kreeg dit voertuig het nummer F4. De F1 werd begin 1969 verplaatst van de brandweerpost Brielselaan naar de post Bosland en dientengevolge vernummerd in F6.

Bij het afscheid van hoofdman Peterson op 10 januari 1967 werd hij aan het eind van de avond verrast met een ritje op de A6. Chauffeur Dirk van Slingeland 'verscheen met zwaaiende lamp en luid dubbeltonige hoorn'. Op de foto is nog net te zien dat er op de portieren van de Ahrens-Fox een naam was aangebracht.

Dit had men in 1956 gedaan om personen te eren die veel voor het korps betekend hadden. De zes overgebleven voertuigen werden genoemd naar:A2 - G. van Sillevoldt Gm.,A3 - J. Rijkee,A4 - H. van Dam,A5 - Dr. Ir. M.F. de Bruyne,A6 William Veder,A7 - A.E.P.M. Driebeek.

In het maandblad van de Rotterdamse Brandweer ('De Brandweerman') stond in november 1967 deze foto, waarin werd aangekondigd dat in de toekomst wellicht ook meisjes en vrouwen een functie bij de brandweer zouden kunnen vervullen. Hoofdman Van Senden laat Hannie van Daal, een veertienjarige brandweer -enthousiast, de werking van een Ahrens Fox zien. Overigens zag men als vrouwentaak in die tijd 'vooral EHBO en het vertrouwd raken met de mobilofoon'.

Nut en roem

In de loop van de ruim veertig jaar dat de Ahrens-Foxen bij de Rotterdamse brandweer in gebruik zijn geweest, hebben zij vele malen hun nut bewezen bij de bestrijding van grote en soms zeer grote branden. De Ahrens-Foxen waren vermaard om hun langdurige bluscapaciteiten. Niet zelden heeft een Ahrens-Fox een hele dag of zelfs meer dagen achter elkaar staan pompen. Het verhaal gaat dat het wegdek waar een Ahrens- Fox enkele dagen onafgebroken had staan pompen vele centimeters was verzakt!
Ook buiten Rotterdam werd soms een beroep op de bluscapaciteiten van de Ahrens-Fox gedaan. De Rotterdamse brandweer is in de loop der jaren verschillende malen de brandweerkorpsen van buurgemeenten te hulp geschoten. Maar ook verder weg, tot in Gouda, Oud-Beijerland en zelfs Middelburg toe, werd met een Ahrens-Fox door het korps bijstand verleend bij het blussen van grote branden.
Het einde van de Ahrens- Fox autospuiten was eind jaren zeventig onvermijdelijk geworden. Dit had diverse oorzaken. De Rotterdamse brandweer bevond zich aan het eind van de jaren zestig in een positie waarin grote organisatorische veranderingen plaatsvonden. Het korps werd een zelfstandige dienst binnen de gemeente en werd losgekoppeld van de toenmalige Roteb. De
B van Brandweer werd gewijzigd in de B van Bedrijfswerkplaatsen. In plaats van de directeur van de Roteb werd voor de zelfstandig geworden dienst een brandweercommandant, B. Vossenaar, benoemd. Deze en vele andere organisatieveranderingen gingen bovendien gepaard met een omvangrijke modernisering van het

brandweermaterieel en er werden vele nieuwe brandweervoertuigen aangeschaft. De techniek was zo ver gevorderd dat er brandweervoertuigen gebouwd konden worden die een vergelijkbare (of zelfs nog grotere) pompcapaciteit bezaten.
Een andere factor was de toenemende verkeersdrukte, waardoor de Ahrens-Fox autospuiten, of beter gezegd de chauffeurs ervan, het steeds moeilijker kregen. De zware (geen stuur- en rembekrachtiging) en ingewikkelde besturing en bediening, alsmede het exorbitant hoge brandstofverbruik waren niet meer van die tijd. Het waren nog steeds prima blusvoertuigen, maar het waren ondingen in het moderne verkeer geworden.
Ten slotte vormde de onderdelenpositie een bron van zorg. Hoe solide ook gebouwd, er ging aan de inmiddels zo'n veertig jaar oude voertuigen wel eens iets stuk. Onderdelen waren niet of nauwelijks meer te krijgen en moesten daarom soms handmatig worden vervaardigd (nagebouwd). Dit ging echter ten koste van de inzetbaarheid en paraatheid, hetgeen binnen een organisatie als de brandweer zwaar weegt.

Uitbeeld

Het tijdstip van buitendienststelling van de Ahrens-Foxen hield dan ook verband met hun technische staat, de onderdelenpositie en de aflevering van hun opvolgers: door de firma Kronenburg in Hedel op Dafchassis gebouwde autospuiten groot vermogen, die in een driejarenplan zouden worden afgeleverd. Als eerste ging de FS (NF-78-31) al op IS april 1969 buiten dienst met een aantal defecten en onbetrouwbaar geworden remmen en stuurinrichting. Onderdelen van dit voertuig werden gebruikt

om andere Ahrens-Foxen rijvaardig te houden. Op 22 oktober 1970 volgde de F7 (NF-78-29). In 1971 gingen nogmaals twee Ahrens-Foxen buiten dienst, namelijk op 12 mei de F4 (NF-7825) en op 25 november de F6 (NF-78-26). In het daaropvolgende jaar volgden ten slotte de twee overgebleven exemplaren, op 29 juli 1972 de F3 (NF-78-30) en op 15 september 1972 de F2 (NF-78-3 2). Een tijdperk was ten einde.
De laatste inzet van een Ahrens-Fox bij de Rotterdamse brandweer vond plaats op 1 april (!) 1972. Dit betrof overigens niet de bestrijding van een grote spectaculaire brand, maar een hulpverlening, namelijk het leegpompen van een ondergelopen kelder in een gebouw van het gemeentelijke energiebedrijf aan de Schiehaven. Weliswaar kwam de forse pompcapaciteit van de Ahrens-Fox hierbij goed tot zijn recht, maar deze fameuze spuiten hadden wellicht een roemruchter finale verdiend.

Bewaard gebleven

Deze Ahrens-Foxen zijn gelukkig niet verloren gegaan. Weliswaar werd de als eerste afgevoerde F5 (NF-78-31), die deels 'gekannibaliseerd' was, naar Engeland verscheept en kwam daarna de nodige omzwervingen in het Lakeland Museum te Blackpool terecht, maar omdat het museum kampte met ruimtegebrek werd dit voertuig onder een dekzeil in een bos gestald.
Het in vrij deplorabele toestand verkerende restant is sinds 1998 weer terug in Nederland en de particuliere eigenaar, een verzamelaar van antieke brandweervoertuigen, hoopt dit exemplaar te kunnen restaureren. De overige vijf Ahrens-Foxen werden alle als museumobject behouden: Zo maakt de NF-78-25 deel uit

van de collectie van het Nationaal Brandweermuseum te Hellevoetsluis en ging de NF-78-26 ging naar het Autotron te Rosmalen. De NF-78-29 kwam terecht bij het Nationaal Automobielmuseum te Raamsdonkveer, terwijl de NF-78-3 0 via de privéverzameling van de heer Sauerbier te Rotterdam verhuisde naar het Brandweer- en Stormrampenmuseum te Borculo. De NF-78-3 2 bleef in bezit van de Roteb en is vooral dankzij de inspanningen van de heer Jan Ras - in rijvaardige toestand - nog steeds in Rotterdam aanwezig.

nummers kentekens fabrieksnr motomr verscheepdatum
Al H-55561 3318 2865 8-03-1928
A2/FR/F4 H-55562/NF-78-25 3314 2858 10-02-1928
A3/F1/F6 H-55563/NF-78-26 3315 2859 12-03-1928
A4/F3 H-55564/NF-78-30 3316 2863 24-02-1928
A5/F5 H-55565/NF-78-31 3317 2864 1-03-1928
A6/F2 H-55566/NF-78-32 3319 2866 20-02-1928
A7/F7 H-55567/NF-78-29 3313 2849 12-03-1928 Bronvermelding:

'Ahrens- Fox: The Rolls- Royce of Fire Engines' (Ed Hass, eigen uitg. USA); 'Ahrens-Fox terug in Rotterdam' (Joris Boddaert, uitg. Roteb en Centrum Beeldende Kunst, 1990); 'Brand in Rotterdam, Facetten van de Maasstad, deel 4' (Ben Swaep, uitg. Wijt & Zn., 1969); 'Rotterdam Brandt', mei 1940 (Jan Broekman, uitg. Wyt &Zn., 1990); 'Rotterdam in vuur en vlam' (René v.d. Beek en Hans Soeters, uitg. RN); '06-11', nummer 5/1984 (uitgave HHS Grave); 'Vuur en Water', 1928.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colophon | Privacy | Disclaimer | Delivery terms | © 2009 - 2019 Publisher European library,