Bunnik in grootmoeders tijd deel 2

Bunnik in grootmoeders tijd deel 2

Auteur
:   S.A. van de Gaag
Gemeente
:   Bunnik
Provincie
:   Utrecht
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4901-3
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Bunnik in grootmoeders tijd deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

INLEIDING

Het eerste deel van Bunnik in grootmoeders tijd is dermate aangeslagen dat aan het schrijven van een tweede boekje niet valt te ontkomen. Hiervoor werden vele bezoeken aan oudBunnikers gebracht, waarbij dan vaak fotoalbums en schoenendozen met foto's te voorschijn werden gehaald. Dankzij hun medewerking is het mogelijk geworden deze uitgave te realiseren.

Zo woonde er in de Langstraat 68 ene Jan de Rooij die vrijdags, als zijn dagtaak erop zat, zijn paard-en-wagen voor cafe Van Dam, in de Dorpsstraat, plaatste waama hij het cafe binnen ging om wat geestrijk vocht naar binnen te werken. Jongelui, uit de Langstraat, wisten zo precies wanneer zij hem een poets konden bakken. Daarvoor ontkoppelden zij het tuig waarmee het paard aan de wagen was verbonden. Wanneer De Rooij uit het cafe kwam en met moeite op de bok van de wagen was geklauterd zei hij: "Kom Jan, we gaan naar huis." Het paard bedacht zich geen moment en liep naar huis; de wagen met Jan de Rooij erop bleef staan. Dit tot groot vermaak van de toeschouwers.

In de slachttijd bouwde zijn buurman Jan van Wiggen, die de bijnaam "Spekkieroker" had, ieder jaar in de tuin voor zijn huis een houten stellage om daarin spek te roken. Wanneer hij het hout rokend had gekregen, wist iedereen dat na ongeveer dertig minuten de vlammen er van boven uit zouden komen. De vrijwillige brandweer moest dan in actie komen, maar voordat zij met de oude brandspuit water kon geven viel er al niets meer te blussen. Dit ging uiteraard gepaard met niet mis te verstane adviezen van de omstanders die onder grote hilariteit het schouwspel meebeleefden.

Wanneer het's winters sneeuwde moest Rijk Scherpenzeel het altijd ontgelden. Hij woonde destijds in het boerderijtje aan de Langstraat 33. Het tot laag bij de grond gebouwde dak had op de schoorsteen een afneembare kap. De jeugd maakte een grote sneeuwbal, haalde de kap van de schoorsteen af en plaatste

de sneeuwbal op de schoorsteenpijp. Door de opstijgende warmte smolt de sneeuw en gleed de sneeuwbal naar binnen op het vuur in het fornuis. Met veel gesis en stoom doofde het vuur. Rijk stoof dan naar buiten, maar was nooit vlug genoeg om de jongens te pakken te krijgen.

In de Pruttelsteeg was het in de zomermaanden altijd een gezellige boe!. De bewoners zaten op een bankje of stoel voor het huis en vermaakten zich onder elkaar opperbest. Het was gebruikelijk dat de fanfare St. Cecilia gedurende de zornerrnaanden in de buitenlucht repeteerde en daar meestal de Pruttelsteeg voor uitkoos. Het behoeft geen betoog dat die repetities de stemming verhoogden, zeker wanneer er een valse noot werd geblazen; dan zaten de beste stuurlui aan wal en diende men elkaar over en weer op vriendschappelijke wijze van repliek.

Een kermis zoals wij die nu kennen bestond vroeger nog niet. WeI kwam er iedere zomer een groepje artiesten gedurende drie tot vier dagen Bunnik bezoeken. Het groepje kreeg een plaats toegewezen aan de Loswal waar een tent werd opgebouwd waarin een aantal voorstellingen werd gegeven. Op het programma stond o. a. het optreden van een clown die al snel de stemming erin bracht, een optreden met koorddansers, afgewisseld met een voorstelling met een toverlantaren waarmee ingekleurde glasplaarjes werden getoond. Als liehtbron voor de toverlan taren werd gebruik gemaakt van een carbidlamp die de meestal ronde bee!den duide!ijk op het scherm deed uitkomen. Daarbij werd een toepasselijk commentaar gegeven, dat vaak werd aangevuld door dat van de bezoekers wat de stemming altijd verhoogde. De voorstelling werd besloten met een dressuumummer, uitgevoerd door de paarden die ook de rnateriaalwagens trokken wat echter geen afbreuk deed aan het geheel. Integendeel, de voorstellingen werden altijd goed bezocht en men keek al weer uit naar hun komst over een jaar. Op geregelde tijden gingen blinden de huizen langs om,

door hen zelf gemaakte, borstels, matten en manden te verkopen. In het bijzonder had den zij altijd belangstelling voor het vlechtwerk van mandenmaker Van der Brink, die op de hoek van de Maatschapslaan en de Groeneweg woonde. Hij werkte namelijk linkshandig; de blinden leerden aileen rechtshandig te vlechten. Bij hun bezoek betastten zij zijn werk en verwonderden zich kennelijk over deze manier van vlechten. Van der Brink had zijn werkplaats in een schuurtje achter het huis. Daarin maakte hij diverse soorten manden zoals de schepelmand, gebruikt tijdens het rooien van aardappelen, en wasmanden. Voor de kersenplukkers maakte hij diverse soorten manden waaronder: de hoenderik en het kersenbennetje (voor het per post verzenden van 3 kilo kersen). am besehadiging van de kersen te voorkomen werden op de bodem van het bennetje kersenbladeren gelegd. Nadat het met kersen was gevuld, werd het afgedekt met bladeren en afgesloten met een gevlochten deksel. De bussel die hij vlocht werd ook gebruikt voor bessen.

De rijwielhersteller Jac. Koster uit de Dorpsstraat besehikte zelf niet over een telefoonaansluiting, wat aan een kant weI eens problemen gaf maar ook weer in zijn voordeel werkte. Evenals zovelen kon hij op z'n tijd een borreltje best waarderen. Zijn vrouw was daar echter op tegen en wilde niet dat hij sterke drank gebruikte. Goede raad was duur, dus ging hij eens te rade bij zijn overbuurman Evert Plant (van cafe "Het Wapen van Bunnik"). Daar werd de zaak snel beklonken. Evert lOU hem iedere middag omstreeks twaalf uur komen halen met de mededeling dat er telefoon voor hem was. In het cafe gekomen stond dan zijn borrel al op hem te wachten.

Het meest frappante is echter weI dat zijn vrouw nooit argwaan koesterde en het kennelijk nooit te weten is gekomen. Wanneer er werkelijk telefoon voor hem was en een klant iets bij hem bestelde zei hij: "Ja meneer, dank u wei, ik zal er voor zorgen," en nam daarbij zijn pet af.

Het afnemen van de pet was ook een automatische handeling wanneer je bij de kapper binnen kwam. Vroeger was je daar nooit aileen. Een afspraak maken bestond toen nog niet, je bleef gewoon wachten tot je aan de beurt was. In die tijd was een kapsalon eigenlijk een sociale ontmoetingsplaats waar nieuwtjes werden uitgewisseld en ook vaak aangedikt. Op zaterdag werd in Bunnik alleen geschoren, dus werd er NIET geknipt. De kapper begon 's morgens vroeg al zijn klanten in te zepen en te scheren, om daar pas laat in de avond mee op te houden.

Daar men meestal met een zelfde groep personen bijeen was verliep de wachttijd altijd geanimeerd, watin het bijzonder opging voor de zaterdagavond bij kapper Arie van Dam in de Dorpsstraat. Bij hem ontmoette je dan steevast de volgende dorpsgenoten: Wim Lokhorst, Jan Schaap, Gijs Davelaar, Johan van de Linden, Jan de Kreeft, Rijk Rikse, Jan Jansen en Gijs van 't Hof. Evert Plant was altijd de laatste klant die om elf uur's avonds naar Arie van Dam ging, soms met een verrassing bij zich. Zo tegen elf UUT ging Jan Schaap om een hoekje kijken of Evert een tasje bij zich had. Indien dit het geval was (meestal) dan klopte hij op de deur van de woonkamer en zei tegen mevrouw van Dam: "Evert is er hoor." waarop zij de borrelglaasjes klaar zette. Nadat Evert zijn scheerbeurt had ondergaan werden de glaasjes gevuld en bleef men nog een tijdje gezellig bij elkaar.

Ondergetekende hooptmet deze inleiding en de in dit boekje opgenomen toto's met onderschrift oudere inwoners van Bunnik een plezier te hebben gedaan en nieuwe inwoners inzicht te hebben gegeven hoe men hier in vroeger jaren leefde en werkteo

Arie van der Gaag

1. De Dorpsstraat gezien vanaf de Brink in het begin van deze eeuw. De woningen aan de rechterzijdc van dc straat gaan nag geheel schuil achter hoge, dichtbegroeidc bomen. De linkerkant heeft wat luchtiger bcgrociing. In het pand links op de foto was slager Isaac Vorst gevestigd. Het wegdek, to en nag niet verhard, was voorzien van een laag grind. Aan het einde van de straat is de waning van meester Bosch zichtbaar.

2. Mr. W.J. van Beeck Calkoen was van 9 september 1901 tot 4 oktober 1936 burgemeester van de gemeenten Bunnik, Odijk en Werkhoven. In 1926 werd hem ter gelegenheid van zijn 25-jarig ambtsjubileum een receptie aangeboden in gebouw "De Grondslag". Tijdens de huldiging werd een tegeltableau aangeboden, bestaande uit 20 tegels waarop afgebeeld: het portret van de jubilaris, zijn Iamiliewapen, de drie gemeentewapens, de kerken in de woonkernen alsmede de namen van het huldigingscomite. Zittend, in vol ornaat mr. W.J. van Beeck Calkoen met zijn vrouw, kinderen en familie. Staande, van links naar rechts: wethouders en raadsleden, K. de Kruyf, W. Roelofsen, R. Lokhorst, J. van Leeuwen, K. van Rijn, R. Bus (secretaris), H. v.d. Vecht, dr. Brevee, H. Vernooy en W. van Wijgerden.

3. Gezicht op de Dorpsstraat in 1895. Rechts de woning van Dorus Nieuwerth, van beroep laddermaker. Rechts van het huis is een gedeelte van de schuur zichtbaarwaarin hij zijn werkplaats had. Links het huis van Jan Lam, de schilder. Op de voorgrond links, achter het hekwerk , lag een volkstuincomplex waar iedere deelnemer ongeveer twintig roe grond kon bewerken. De persoon op de foto is Gart de Vreede, van beroep beurtschipper op de Kramme Rijn. Hij voer dagelijks op Utrecht en terug naar Bunnik. Wanneer jongelui hem tegen kwamen begroetten zij hem met: "Ha, die Gart Oorlog," waarop hij altijd nijdig en tierend met zijn wandelstok ging zwaaien en je op moest passen niet door hem geraakt te worden.

2 Gii.

4. Het station te Bunnik, gezien vanaf de Odijkerweg. In het gebouw links beyond zieh de waehtkamer riehting Utrecht, aan de andere zijde van het spoor richting Arnhem. Rechts op de foto de in 1915 gebouwde woningen voor spoorwegarbeiders. De man met het geweer, staande op de weg, is ongetwijfeld de boswachter die toezicht hield op het bos achter het station. Dit bos werd in officiele stukken , .bos van Bloemerwaard" genoemd. Het landgoed Bloemerwaard lag tegenover dit bos aan de Provinciale Grindweg. Door Bunnikse ingezetenen werd het echter het "bos van de burgerneester" genoemd.

5. Ret huis Bringenberg aan de Brink rond 1900. Omstreeks 1890 hadden de Bringenbergs bijna aile arbeiderswoningen in Bunnik in hun bezit. Zij verhuurden de woningen, naar gelang het inkomen van de huurder, voor f 2,50 tot f 4,-- per maand of per jaar. De jaarhuur werd door mevrouw Bringenberg altijd op 6 december (destijds werd de verjaardag van St. Nicolaas op die datum gevierd) opgehaald. Voor de kinderen van de huurders bracht zij altijd snoepgoed mee. Voor hen een ongekende lekkernij, iets wat hun ouders ze nooit konden geven. In bijzondere gevallen gaf zij, nadat de huur was voldaan, het bedrag weer terug met de woorden: "Dat kunnen jullie beter gebruiken." Vanaf 1925 werd in dit pand cafe "Ret Wapen van Bunnik" gevestigd.

6. Een vertrouwd beeld dat iedere vrijdagmiddag overal in Bunnik te zien was. De keuken kreeg dan een extra schoonmaakbeurt, potten en pannen werden bij de pomp geschuurd en schoongemaakt. Let op de houten pomp, het bekende geemailleerde bakje voor groene zeep en de koker met schuurpoeder. Aan de muur hangt een vergiet, dat werd gebruikt om bij de pomp groenten te wassen. Van links naar rechts: moeder Van Soest, Rijtje van Soest, Marie de Geest en haar moeder.

7. Een kijkje op de werf van houthandel Van Dam aan de Stationsweg, omstreeks 1905. Rechts wordt met een lange trekzaag een boomstam bewerkt die dienst moet gaan doen voor het maken van een houten drinkwaterpomp. De boomstam werd daarvoor verankerd op een verstelbare zaagbok met een ketting. Naast de zaagbok liggen reeds enkele gezaagde delen. Na de voorbehandeling werd met een avegaar de opening voor de zuiger en de pompstang erin geboord, waarna de pomp op de plaats van bestemming werd geplaatst.

G,-oet uit BU

IK.

(66)

8. In het jaar 1900 liet W. van Blaricum deze villa, gelegen aan de Smalleweg, bouwen. In 1906 werd deze verfraaid met de aanbouw van een priee!. C. Veth kocht in 1910 dit huis en gafhet de naam van zijn dochter Agatha, waarnahet huis bekend werd als "Villa Agatha". Voor de villa ligt het rolblok van Van Zijl, die dit jaarlijks gebruikte om zijn met graszaad ingezaaid land aan te rollen. In verband met vervoersproblemen liet hij het rolblok daar voor de rest van het jaar maar liggen. Geheellinks is nog een deel van de boerderij van Van Schoor! te zien.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek