Chevrolet C10

Chevrolet C10

Auteur
:   A.P. van Eijsden en J.W. Hofs
Gemeente
:  
Provincie
:   Zuid-Holland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-1289-5
Pagina's
:   128
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Chevrolet C10'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  >  |  >>

Inleiding

Vrijwel ieder kind dat in de jaren zestig en zeventig opgroeide in Rotterdam, zal met ontzag terugdenken aan de enorme politieauto's die daar toen in gebruik waren. De Chevrolet Cl O's, die in niets leken op de surveillanceauto's waarin de meeste andere Nederlandse agenten rondreden, zoefden in die jaren door de Maasstad. Ze leken onstuitbaar op weg naar ongeluk en misdaad en het was bijna ondenkbaar dat iemand aan de bestuurders van deze vervaarlijke voertuigen kon ontsnappen.

Ruim twintig jaar lang heeft de CIa het beeld van de Rotterdamse gemeentepolitie bepaald. Veel (oud- ) politieagenten denken daarom nog steeds met weemoed terug aan de tijd waarin zij met deze fameuze Amerikanen door Rotterdam reden om toezicht en veiligheid te garanderen en hulp te bieden waar dat nodig was.

Het begin

In het begin van deze eeuw verrichtten de toenmalige Rijksen gemeenteveldwachters hun werkzaamheden nog voornamelijk te voet. Daardoor stonden de 'dienders' nog dicht bij het publiek. Maatschappelijk gezien was mobiliteit een begrip dat men nauwelijks kende. Binnen de grote steden verplaatste men zich over grotere afstanden per paardenomnibus ofper (paarden) tram en voor het reizen door

het land was men over het algemeen aangewezen op de (stoom)trein. Na de Eerste Wereldoorlog nam de behoefte aan mobiliteit echter snel toe. Automobielen en bussen verschenen in groten getale en het straatbeeld werd alsmaar drukker. Toegegeven, files en parkeerproblemen, zoals we die vandaag de dag kennen, bestonden nog niet, autosnelwegen trouwens evenmin.

De diender te voet, lopend door zijn wijk, vaak via een vastgestelde route, was kenmerkend voor het beeld van de politie in de stad. Wel had de Rotterdamse politie in 1895 een Bereden Brigade opgericht, zodat sindsdien ook de politieman te paard in de stad te zien was. Voor het vervoer van arrestanten tussen de politiebureaus en het parket van de Officier van Justitie werd gebruik gemaakt van door paarden getrokken arrestantenwagens. Pas in 1914 kregen de eerste politiemensen in de Maasstad de beschikking over een dienstfiets. Daarbij moeten we dan wel bedenken dat de stad in die tijd nog lang niet die omvang had zoals tegenwoordig het geval is.

Na de Eerste Wereldoorlog groeide de stad snel, de haven werd steeds verder uitgebreid en als gevolg daarvan ontstonden, met name op de Linker Maasoever, veel nieuwe woonwijken. Op 7 juni 1920 volgde de oprichting van de Motor-Controle-Dienst, waaruit de latere Verkeerspolitie is

voortgekomen. In aanvang bestond deze eenheid uit enkele agenten, die met een Harley-Davidson motor met zijspan konden rijden. In 1926 was deze groep, die toen al de Motorbrigade werd genoemd, uitgebreid tot zo'n 14 man. In 1922 werden er ook drie Indian motoren in gebruik genomen. De Motorbrigade had als primaire taak het toezicht op het drukker wordende verkeer en de handhaving van de nieuw ingestelde verkeersregels. Maar ook bij het beteugelen van onlusten en relletjes werden de motoren met zijspan ingezet.

In september 1920 kreeg de hoofdcommissaris van het Rotterdamse politiekorps de beschikking over een eigen dienstauto en in 1924 kreeg hetVerkeers- en Vervoerswezen, waarvan de Motorbrigade sedert 1923 deel uitmaakte, de beschikking over een drietal Renault personenauto's. In de daarop volgende jaren groeide het aantal surveillanceauto's waarover het korps kon beschikken gestaag. Zo werden de Renaults geleidelijk aan door Fords vervangen en in 1938 kwamen er drie gesloten overvalwagens ter beschikking.

Dumpvoertuigen

Tijdens de Duitse bezetting van 1940 tot 1945 werd het merendeel van de politievoertuigen, evenals de paarden van de Bereden Brigade, gevorderd. Na afloop van de oorlog was de politie dus weer op voet- en fietssurveillance aangewezen. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog nam het autobezit en -gebruik echter in sneltreinvaart toe. Boven-

dien was de stad in de oorlogsjaren sterk uitgebreid, als gevolg van de annexatie van een aantal omliggende gemeenten in 1941 (Overschie, Schiebroek, Hillegersberg en IJsselmonde) .

De behoefte aan gemotoriseerde vormen van vervoer en surveillance bij de politie was dan ook evenredig. Omdat het verkrijgen van nieuwe voertuigen in de eerste jaren na de oorlog zo goed als onmogelijk was, werd aanvankelijk een aantal verschillende auto's en motoren gevorderd die in de oorlogsjaren door burgers op allerlei plaatsen verborgen waren gehouden.

Daarna moest men zich, evenals de overige overheiddiensten en de transportsector, behelpen met voertuigen uit legerdumps. Zo werd onder meer een vijftal Willys Jeeps en een tweetal Bedford bestelwagens aangeschaft. De legergroene kleur werd vervangen door donkerblauw met

het opschrift 'politie'. De open jeeps konden provisorisch worden afgedicht met een huif In 1947 werden nog twee Dodge 'Beeps' aangekocht die dienst deden als (open) manschappenvoertuigen. Vooral op de vele slechte wegen, die de stad in die naoorlogse opbouwperiode kende, bleken deze dumpvoertuigen prima te voldoen. Comfort boden ze nauwelijks, maar dat was in die tijd van minder belang. In 1948 kreeg de Rotterdamse politie zijn eerste radiowagen, een Ford-A, terwijl in 1949 de eerste Volkswagen 'Kever' zijn intrede deed. In datzelfde jaar werden bovendien nog twee radiowagens voor de Verkeerspolitie aangeschaft. Dit waren Ford stationwagons met typisch Amerikaanse houten

lij sten op het koetswerk.In 195 1 werd de Radio Surveillance Brigade, kortweg RSB, opgericht. Deze dienst beschikte

bij haar oprichting over zeven auto's en 45 man personeel. De voertuigen waren uitgerust met een - naar hedendaagse maatstaven tamelijk primitieve - radiozend- en ontvangstinstallatie en stonden in permanent contact met de Centrale Meldkamer in het hoofdbureau van politie aan het Haagseveer. Telefonische meldingen met een spoedeisend karakter werden door de meldkamer aan zo'n RSB-eenheid doorgegeven.

Ter plaatse aangekomen kon de bemanning direct de eerste maatregelen treffen en via de mobilofoon eventuele bijzonderheden aan de meldkamer doorgeven. De verdere afhandeling van zo'n incident geschiedde vervolgens

door het personeel van de betreffende afdeling dat zich dikwijls te voet of per fiets naar de plaats des onheils moest begeven.

De eerste voertuigen van de RSB waren donkerblauwe Willys Overland]eeps met een gesloten opbouwen een luidspreker op het dak. In 1955 werden deze vervangen door donkerblauwe Ford F 1 00 bestelwagens, aanvankelijk nog uitgerust met een sirene. Aan de luidspreker op het dak werd later een van binnenuit bedienbare schijnwerper toegevoegd. De Ford Fl 00 was een grote Amerikaanse stationwagon met veel bergruimte, een 6-cilinder motor en een automatische transmissie.

Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat de gemeentepolitie Maassluis al in 1954 een Ford F 1 00 als sur-

veillanceauto in gebruik had genomen.In 1959 werd de Radio Surveillance Brigade opgeheven, omdat de politieafdelingen toen zelf over surveillanceauto's met een mobilofooninstallatie konden beschikken.

De Chevrolet C 10

Tegen het einde van de jaren vijftig leverde Ford het type Fl 00 uitsluitend als piek-up met een open laadbak. In ons land werd daarop door een carrosseriebedrijf te Oud-Beijerland een gesloten opbouw vervaardigd. Omdat de laadvloer van de pick-up's hoger lag stak deze opbouw echter zo'n 20 cm boven het cabinedak uit. Deze ombouw voldeed in de praktijk niet. Het 'rammelde' nogal en bovendien was hij tamelijk kostbaar, zodat daarvan maar een stuk of zes exemplaren werden gebouwd, waarvan de laatste in 1962 in gebruik werd genomen. Al snel werd omgezien naar een mogelijke vervanger. Dit moest een voertuig zijn dat goed handelbaar was in het stadsverkeer, maar bovendien de nodige ruimte bood voor het transport van (brom)fietsen en arrestanten.

De opvolger van de Ford F 10 0 werd gevonden bij Fords concurrent General Motors en wel in het kort daarvoor door Chevrolet geïntroduceerde type lil-ton Commercial, dat in 1962 de ChevroletApache verving. Het nieuwe model was in vele uitvoeringen leverbaar. Zowel qua opbouw als qua laadvermogen. De aanduidingen 10,20 en 30 stonden voor respectievelijk lil, 3/4 en 1 ton laad-

vermogen. Ten opzichte van de Apache-modellen had de carrosserie van de nieuwe modellen een volledige gedaantewisseling ondergaan, waarbij met name de grille en de motorkap duidelijk zichtbaar verschilden met die van de Chevrolet Apache.

Type-aanduidingen

Chevrolet leverde het chassis in een groot aantal opbouwvarianten. Zo konden de lichte trucks onder meer geleverd worden als Step-Side piek-up, Fleetside piek-up en Extended-Cab piek-up, als Sport Utility Wagon (een pickup met een hardtop, zoals de later bekende Chevrolet 'Blazer'), als Panel Delivery (gesloten bestelwagen) en als zogenaamde Carryall Suburban. Deze naam is afgeleid van het woord suburb (voorstad). In de jaren dertig ontstond in de USA een trend om van de stedelijke gebieden te verhuizen naar kleinere, landelijker voorsteden. Daarmee nam de behoefte aan mobiliteit en vervoersmogelijkheden toe en werd de van een personenauto afgeleide stationwagon populair. Met een stationwagon kon 'alles' (carry all) worden vervoerd. De Carryall Suburban was in feite een stationwagon op een licht truckchassis.

De eerste zes exemplaren van de Chevrolet Custom 10 (C 1 0) werden in 1963 in Rotterdam afgeleverd. Deze voertuigen waren uitgerust met een 6-cilinder motor en hadden evenals de Ford F 1 00 de in de USA al gebruikelijke automatische versnellingsbak.

Deze eerste Cl 0 's werden nog donkerblauw gelakt, maar hadden al wel een wit dak met daarop een zwaailamp en een schijnwerper, alsmede een witgelakte grille, witte bumpers en dito velgen. Opvallend aan deze eerste Cl O's was de panoramische voorruit, zoals ook het voorgangermodel, de' Apache', bezat. De richtingaanwijzers aan de voorzijde waren weggewerkt in de motorkap boven de grille, terwijl de achterlichten driehoekig van vorm waren. Alle Cl 0 's die bij de Rotterdamse politie in gebruik waren hadden aan de achterzijde de zogenaamde paneldoors, grote dubbele openslaande deuren.

De Chevrolet Cl 0 zou ruim twee decennia lang het beeld bepalen van de Rotterdamse politie. Uiteraard werden uiterlijk en techniek van dit voertuig in de loop van deze twintig jaar regelmatig gewijzigd. Het imago van het Rotterdamse korps bleef echter al die jaren gehandhaafd als dat van het politiekorps met de grote Amerikaanse auto's.

Het waren dan ook met recht imposante voertuigen, die met het kenmerkende, brommende geluid van de zware motor indruk maakten. Menige wets- of verkeersovertreder zag bij het zien van een Cl 0 af van een poging om zich aan zijn aanhouding te onttrekken.

De geüniformeerde dienst van alle afdelingen van de Rotterdamse politie beschikte over een aantal van deze Cl O's, die voornamelijk werden ingezet voor de assistentie-surveillance. De bemanning van deze voertuigen werd door de meldkamer naar allerlei incidenten gedirigeerd waarbij onmiddellijk politie-ingrijpen noodzakelijk was.

In 1969 werd een proef genomen met twee kleinere surveillanceauto's, een Ford Excalibur en een Chevrolet G 10 Chevyvan. Deze busjes waren zoveel mogelijk als de Cl 0 opgebouwd en ingericht. Op het dak kwamen nog de luchthoorns van de tweetonige sirene, omdat daarvoor achter de grille geen plaats was. In tegenstelling tot de CIO waren deze twee voertuigen echter van het frontstuurtype. Beide voertuigen rouleerden enige tijd langs alle politieafdelingen. De inwendige stahoogte van deze twee voertuigen was weliswaar hoger dan die van de vertrouwde Cl 0 's, maar de wegligging werd als beduidend minder ervaren. Het ontbreken van de lange 'neus' alsmede de aanwezigheid van de motor tussen bestuurder en bijrijder, wat voor veel lawaai en warmte zorgde, droeg ertoe bij dat deze proef mislukte. De tijd was er nog niet rijp voor. De politie Rotterdam zou nog ruim tien jaar aan de vertrouwde Cl 0 blijven vasthouden.

De Chevrolet Cl 0 's werden door de politie Rotterdam gekocht bij GM-dealer Pietersen, lange tijd gevestigd op de Nieuwe Binnenweg. Dikwijls kocht men er een stuk of twaalf tegelijk. Op een gegeven ogenblik had men er mede als gevolg van de ontwikkeling van de Amerikaanse dollarkoers - eens twintig stuks in voorraad opgeslagen. Door de jaren heen had het korps zo'n 45 tot maximaal 60 exemplaren tegelijk in bezit, waarvan er zo'n 30 tot 40 bij de verschillende politieafdelingen rondreden. Deze

Cl O's deden maximaal zo'n vijf jaar of circa 300.000 km dienst alvorens te worden afgevoerd. In totaal moet de ge-

meentepolitie Rotterdam, in de ruim twintig jaar dat men over de Chevrolet Cl 0 heeft beschikt, circa tweehonderd van deze voertuigen in gebruik hebben gehad.

Men zag er in de werkplaatsen van het korps niet tegenop om een 'total-loss' gereden Cl 0 te 'kannibaliseren'. Zo'n voertuig werd dan volledig gestript en de nog bruikbare onderdelen werden gebruikt voor reparatie of herstel van andere defecte of beschadigde Cl O's. Het schijnt zelfs wel te zijn voorgekomen, dat men van twee beschadigde

Cl 0 's weer één bruikbare heeft gemaakt.

De opbouwen inrichting van de Chevrolet Cl 0 tot politievoertuig geschiedde in de eigen werkplaatsen van het korps. Ontwikkelingen binnen het korps konden zodoende naar eigen inzicht worden verwerkt. In grote lijnen bleef deze echter hetzelfde en slechts bij wijzigingen van het model vonden over het algemeen kleinere aanpassingen plaats.

De Cl 0 vertoonde uiteraard typisch Amerikaanse trekjes. Vooral in een periode dat autobezit nog niet zo algemeen was als thans het geval is, werd dit door het personeel bijzonder gewaardeerd. Voorin waren twee riante stoelen voor de chauffeur en de bijrijder. Typisch Amerikaans waren ook de automatische versnelling, die werkte door middel van een handbediening aan de stuurkolom en de parkeerrem, die met de (linker)voet moest worden ingetrapt. Ook de verwarming en ventilatie waren - zeker voor die tijd - geweldig.

LPG

Het hoge benzineverbruik van de forse motoren was aanleiding om - al sinds de Ford F 1 00 - deze surveillancevoertuigen om te bouwen voor het rijden op LPG. De Rotterdamse politie was daarmee zeer vooruitstrevend. Het gebruik van autogas was toen nog lang niet zo algemeen als nu het geval is. De Rijksdienst voor het Wegverkeer volgde de ontwikkelingen op dit gebied binnen het Rotterdamse korps dan ook op de voet. Zonder veel overdrijving kan gesteld worden dat het korps landelijk trendsetter was bij de introductie van LPG als autobrandstof.

Aanvankelijk kon de bestuurder nog handmatig omschakelen op benzine, omdat het starten op LPG dikwijls wat moeilijkheden gaf. Ook bij achtervolgingen kwam het beetje extra vermogen dat de benzine opleverde goed van pas. De laatste versies van de Cl 0 binnen het Rotterdamse korps waren niet meer ingericht voor het rijden op benzine en konden uitsluitend op LPG rijden. Daartoe waren aan de achterzijde - naast elkaar in lengterichting - twee gastanks van elk zestig liter inhoud onder de laadvloer gemonteerd, terwijl onder de noodzitting achter de bestuurder een reserve-gastank van veertig liter was gemonteerd.

De eerste versies van de Chevrolet Cl 0 waren uitgerust met een 6-cilinder lijnmotor met een inhoud van 4,2 liter. Deze motor werd later gevolgd door een V8-motor met een cilinderinhoud van 5,7 liter. De motoren waren voorzien van twee grote 2-traps carburateurs. Omdat deze

motoren - zelfs voor politiegebruik - wel erg veel vermogen leverden, werd een van deze carburateurs geblokkeerd en werd de tweede tot 3/4' geknepen'. Ondanks deze technische ingrepen was dit nog altijd goed voor een formidabele acceleratie en een maximumsnelheid van zo'n 180 km per uur.

Vermeldenswaard is nog dat het bureau Hoek van Holland, een geïsoleerd deel van de toenmalige 5de afdeling, van

1 978 tot 1 983 over een vierwielaangedreven Chevrolet KI0 heeft beschikt. Deze was overigens uiterlijk identiek aan de overige Cl 0 's, maar de vierwielaandrijving was met name in het duin- en strandgebied van dit stukje Rotterdam-aan-zee welhaast onmisbaar. Toen het Cl 0tijdperk bij de Rotterdamse politie ten einde kwam werd deze KlOvervangen door een 4 WD Toyota LandCruiser. Vanzelfsprekend vonden in de loop der jaren de nodige aanpassingen plaats; zo kwamen er veiligheidsgordels en later rem- en stuurbekrachtiging. Zonder deze stuurbekrachtiging moest vooral bij het in- en uitparkeren nogal veel hand- en armkracht worden gebruikt en bij het remmen zonder rembekrachtiging moest het brede rempedaal nogal krachtig worden ingetrapt. Toen de eerste Cl O's

met stuur- en rembekrachtiging verschenen was dit voor menig chauffeur even wennen. In het begin kwam het dan ook regelmatig voor dat men, gewend als men was aan de oudere versies, wat al te bruusk remde. Nadat men hieraan gewend was en de meeste Cl O's met deze voorzieningen waren uitgerust, gebeurde het soms dat een po-

litieafdeling tijdelijk een oudere reserveauto zonder deze nieuwe techniek in gebruik kreeg. Dat men dan, gewend aan de rembekrachting, bij het remmen wel eens een metertje te kort kwam laat zich raden ...

Overigens was het bij de Rotterdamse politie zo geregeld dat niet iedere nieuwbakken agent meteen op een Cl 0 mocht rijden. Het korps kende een eigen afdeling rijopleiding met vaste rij-instructeurs. Bovendien was naast het bezit van het gewone rijbewijs nog het behalen van een apart dienstrijbewijs verplicht. Een agent werd pas op de CI0 afgelest, nadat hij of zij in zijn dienstrijbewij s de stempels voor andere typen auto's, zoals de Daf en de Volkswagen, had behaald. Vele agenten hebben j aren moeten wachten alvorens ze op een Cl 0 mochten rijden.

Zoals al eerder werd vermeld wijzigde in de loop der jaren het uiterlijk van dit type Chevrolet regelmatig. De eerste Cl 0 's waren nog donkerblauw met een wit dak. In 1964 verscheen de toen geïntroduceerde achtpuntige ster van de gemeentepolitie op de portieren. Kort daarna werden de Cl 0 's geheel wit gespoten. Het type van het modeljaar 1965 onderging geringe wijzigingen, waaronder een achteruitrijlamp onder de achterlichten.

In 1967 lanceerde Chevrolet een geheel nieuwe versie van de Cl O. Dit model, gebouwd op hetzelfde chassis, toonde door de gewijzigde carrosserielijnen groter en - nog - indrukwekkender dan het in 1962 geïntroduceerde model.

Het nieuwe model werd door Chevrolet beschreven als 'the most significant cab and sheet metal styling change

in Chevrolet history'. De panoramische voorruit verdween, de richtingaanwijzers aan de voorzijde werden in de grille opgenomen, terwijl de achterlichten lang en smal in plaats van driehoekig waren. De ruiten van de portieren en de zijruiten waren groter en boden een beter zicht rondom.

Het 1967 -model had het Chevrolet-logo in het midden van de grille en de tekst 'Chevrolet' in verchroomde letters op de motorkap. Bij het 1969-model was het Chevroletmerk verplaatst naar de motorkap en stond de tekst 'Chevrolet' op de middelste balk in de grille.

In 1968 kreeg de Suburban-uitvoering een tweede portier aan de rechterzijde. Ook was de indeling van de ruiten aan de linkerzijde aangepast en ondanks het ontbreken van een tweede portier aan de linkerzijde zoveel mogelijk gelijk gemaakt aan die van de rechterzijde met het tweede portier. In 1971 onderging de Cl 0 opnieuw een kleine uiterlijke wijziging. De grille kreeg de vorm van een patatsnijder met vijf horizontale en vijftien verticale bladen met het Chevrolet-logo in het midden.

De kleine blauwe zwaailamp maakte vanaf 1 972 plaats voor een grote, ronde Amerikaanse zwaailamp van het merk TrippLite. Dit opvallende, maar bovenal functionele attribuut kreeg van sommige agenten de toepasselijke bijnaam 'soeppan' . Deze grote zwaailamp werd bij de na 1978 in gebruik genomen Cl 0 's weer vervangen door

twee kleinere, blauwe, elektronische flitslampen, zoals die in die tijd ook op de andere politievoertuigen werden gemonteerd. Deze relatief kleine verandering zorgde voor een opmerkelijke wijziging van het uiterlijk van de Cl O. Een radicale verandering van het basismodel vond plaats in 1 973. De welving in het plaatwerk aan weerszijden werd lager geplaatst en was wat meer geprononceerd. Aan de voorzijde kwamen de koplampen iets meer naar achteren ten opzichte van de grille en de lijnen van de ruiten waren ronder dan voorgaande modellen. De lange smalle achterlichten werden vervangen door vierkante, die op de hoeken van de deurstijlen en het plaatwerk van de achter schermen waren gemonteerd. De richtingaanwijzers aan de voorzijde bevonden zich bij deze uitvoering onder de - iets kleinere koplampen.

De meest opvallende wijziging was de aanwezigheid van twee portieren aan weerszijden. Het linkerportier achter dat van de bestuurder is bij de Rotterdamse Cl 0 's altijd dichtgebleven, omdat zich daarachter een extra zitting bevond. Minder zichtbaar was de gewijzigde vering, waarbij de spiraalveren werden vervangen door bladveren.

In de CIOstonden twee kisten in de lengterichting. Deze kisten, die met een klep werden afgesloten, boden ruimte aan allerlei materialen en gereedschappen, zoals een bezem, schop, breekijzer, verbandtrommel etc. Op deze kisten werden ook personen (arrestanten) vervoerd, wat met de hedendaagse Arbo-voorschriften en RdW-keuringseisen

niet langer mogelijk zou zijn. Nadat de 3- en 4-deursversie van de Suburban verscheen werden deze langsbanken ingekort. Achter de bestuurdersstoel kwam een aparte dwarsgeplaatste zitting op een kist, waarin onder meer de verbandtrommel werd geborgen. Achter de bijrijdersstoel was het reservewiel bevestigd.

Achterin bood de Cl 0 ruimte voor het transport van gevonden fietsen of een in beslag genomen brommer. Deze konden via de twee grote openslaande deuren aan de achterzijde en eventueel met behulp van een meegevoerde oprijplank worden ingeladen.

Eind jaren zeventig kregen de Cl O's boven de achterste ruiten aan weerszijden roestvrijstalen platen op het dak. Dit waren bevestigingsbeugels voor de Pogo-installaties. Alhoewel de Cl O's waren uitgerust met een omroepinstallatie bleek deze bij calamiteiten toch ontoereikend. Het korps schafte om deze reden enkele grote, demontabele luidsprekerinstallaties aan, die in voorkomende gevallen in en bovenop de Cl 0 's konden worden gemonteerd. ofschoon sindsdien - gelukkig - een sporadisch gebruik van deze Pogo-installaties behoefde te worden gemaakt, werden wel alle Cl O's standaard van bevestigingspunten voorzien.

De opvolger

De jaren tachtig zorgden voor veel veranderingen binnen de politieorganisatie. Er kwam niet alleen een nieuw politieuniform, maar in 1982 besloot de korpsleiding dat het

tijdperk van de Cl 0 in Rotterdam ten einde was. Toegegeven, de Cl 0 was weliswaar nog steeds een indrukwekkende verschijning, maar door zijn afmetingen niet echt handelbaar. Een andere wellicht nog belangrijker reden was de prijs. De alsmaar stijgende dollarkoersen maakten de Cl 0 nu niet bepaald tot een goedkoop voertuig qua aanschaf en onderhoud. Er werd omgezien naar een kleiner en vooral goedkoper voertuig. De keuze viel daarbij uiteindelijk op de Volkswagen Transporter. Dit voertuig was in andere uitvoeringen en voor andere doeleinden - al sinds de jaren vijftig bij het korps in gebruik.

Door de eigen werkplaatsen van het korps werd een tweetal prototypen gebouwd. De toenmalige lde afdeling (bureau Noord) was de 'gelukkige' om deze prototypen uit te testen. Aanleiding hiervoor was het feit dat de drie Cl O's waarover deze afdeling beschikte kort na elkaar met schade moesten worden afgevoerd. De proefexemplaren waren uiterlijk zoveel mogelijk als de Cl O's ingericht.

Binnenin waren de langsbanken vervangen door een dwarsbank met daarachter een kist voor het gereedschap.

De grotere inwendige stahoogte bood tevens de mogelijkheid een opklapbaar tafeltje te monteren.

Uiterlijk behielden de prototypen de voor de latere uitvoeringen van de Cl 0 kenmerkende blauwe 'flits'lampen naast elkaar en de schijnwerper voorop. De proef- Transporters waren verder geheel wit met aan weerszijden in het midden een klein logo van de gemeentepolitie. Nieuw

was het stoptransparant in spiegelschrift aan de voorzijde, waarmee voortaan ook aan een voor de surveillerende wagen rijdende auto een stopteken kon worden gegeven. Het stopbord aan de achterzijde, waarmee ook de CIO was uitgerust, werd gehandhaafd. De luidspreker / sirene, die bij de Cl 0 ruim plaats had onder de enorme motorkap, verhuisde weer naar het dak.

De vervanging van de roemruchte Cl 0 door Volkswagen busjes was aanleiding tot onrust en onvrede binnen het korps. Het kostte de korpsleiding veel moeite om de agenten ervan te overtuigen dat de Volkswagen Transporter veilig was bij botsingen of ongevallen. Daarnaast waren de eerste busjes, zeker in vergelijking met de Cl O's, hopeloos 'ondergemotoriseerd ' . De onvoldoende acceleratie en de beperkte topsnelheid waren dan ook nauwelijks motiverend voor de omschakeling van de fameuze Cl 0 naar deze conventionele busjes. De keus was echter gemaakt in een tijdperk van bezuinigingen en na de langdurige en met veel (technische) problemen gepaard gaande proef, volgden de geleidelijke overgang naar de Volkswagen Transporter als assistentie-surveillancevoertuig en het afscheid van de Chevrolet Cl O. De laatste Cl 0 verdween in I 986 uit het Rotterdamse straatbeeld.

Omdat de geheel witte Volkswagenbusjes in het verkeer nauwelijks opvielen, iets waarover men met de imposante CIO niet te klagen had, besloot men deze Volkswagenbusj es te voorzien van groene strepen. Daarmee beoogde men tevens een Rotterdams imago aan deze politievoertuigen

mee te geven. De proefperiode had tevens opgeleverd dat de blauwe zwaailampen verhuisden naar linksvoor en rechtsachter op het dak, later weer gewijzigd in rechtsvoor en linksachter. Bovendien kwam er aan de voorzijde een blauwe knipperlamp en werd de 'gemeentepolitie-ster' in een grotere uitvoering op de beide voorportieren aangebracht. Latere versies kregen bovendien een sterkere motor. In deze uitvoering, maar dan voorzien van de nieuwste landelijke politiestriping met rood/blauwe banen en een nieuw politie-logo, zijn momenteel binnen de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, waarin de Rotterdamse gemeentepolitie in 1994 is opgegaan, nog een groot aantal van deze Volkswagen Transporters in dienst.

Voor de noodhulp-surveillance, zoals de assistentie-surveillance tegenwoordig heet, zijn momenteel ook verschillende typen van de merken Volkswagen en Mercedes-Benz in gebruik.

Niet helemaal uit beeld

De fameuze Chevrolet is echter niet helemaal uit het (Rotterdamse) korps verdwenen. Het politiekorps RotterdamRijnmond beschikt namelijk over een Mobiele Eenheid. Onderdeel daarvan is de zogenaamde Ondersteuningsgroep, kortweg OG genaamd. Deze OG is een 'lichtere' vorm van de ME en bestaat uit kleinere groepen, die snel en flexibel inzetbaar zijn. In plaats van de grotere en loggere Mercedes-Benz manschappenwagens gebruikt de OG kleinere en snellere voertuigen, de Chevrolet Scottsdale

Kl O. Dit is een vierwielaangedreven versie van de bekende Chevrolet Custom-serie. Metallic donkerblauw gelakt en voorzien van extra bescherming (onder andere een frame met metaaldraad voor de voorruit) werd er in 1980 een viertal van deze voertuigen bij de regiopolitie RotterdamRijnmond in gebruik gesteld.

In 1988 en 1 989 werden deze vervangen door nieuwere exemplaren met - weer - een gewijzigde grille met een aan de voorzijde gemonteerd stoptransparant. Deze Kl O's hebben achter de beide voorstoelen een 'gewone' dwarsgeplaatste zitbank en bieden zo plaats aan maximaal vijf personen. Achterin is ruimte voor extra uitrusting en

- indien nodig - een diensthond. De verwachting is dat deze laatste Chevrolets binnenkort (wellicht na het EK2000) ook zullen worden afgevoerd. Of ze zullen worden vervangen door nieuwe Chevrolets of dat het tijdperk bij de politie Rotterdam-Rijnmond definitief zal worden afgesloten is nog ongewis.

Een van de laatst overgebleven Chevrolet Cl O's werd indertijd van sloop gered en overgedragen aan het toenmalige bureau Voorlichting van de politie. Deze Cl 0 werd opgeslagen in een loods aan de Boezembocht en werd enkele malen gebruikt voor televisieproducties en filmopnamen. N adat deze Cl 0 grondig was gerestaureerd door pupillen van de Jeugdgevangenis in Zutphen werd dit voertuig in 1994 permanent tentoongesteld in de Politiegalerie in de hal van het politiebureau aan de Witte de Withstraat. Daar

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek