De Molens van Rotterdam in oude ansichten deel 1

De Molens van Rotterdam in oude ansichten deel 1

Auteur
:   J.S. Bakker
Gemeente
:   Rotterdam
Provincie
:   Zuid-Holland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-0091-5
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'De Molens van Rotterdam in oude ansichten deel 1'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  >  |  >>

INLEIDING

In een serie waarin een groot aantal boekjes met oude ansichten verschenen is, valt dit boekje wel een beetje uit de toon, doordat er zo weinig ansichtkaarten in zijn opgenomen. De reden ervan is dat er van de meeste Rotterdamse windmolens nauwelijks of geen ansichten zijn, alhoewel het misschien aan de andere kant wel mogelijk is om één ansichtkaartenboekje te vullen met de vele kaarten die verschenen zijn van de Rotterdamse molens "De Hoop" en "De Noord". Dat er zo weinig ansichtkaarten van de Rotterdamse molens zijn, is te wijten aan het feit dat de meeste molens al verdwenen waren, voordat de ansichtkaartenstroom goed los kwam. Om toch een zo compleet mogelijk beeld van de Rotterdamse windmolens te geven, zijn er dan ook gewone foto's, soms zelfs van zeer oude datum, opgenomen, maar ook oude tekeningen, gravures, enzovoort.

Bij de samenstelling van dit boekje is uitgegaan van het Rotterdamse windmolenbestand rond 1850, ook al wordt er wel eens verder teruggegaan in het verleden. Waarom 1850? Wel, nadien gaat het met de Rotterdamse molens bergafwaarts. Wat men in Duitsland wel "het grote molensterven" noemt, is dan begonnen.

Wanneer men het boekje zo maar doorbladert, dan mist men op het eerste gezicht bekende "Rotterdamse" molens, zoals de molens aan de Boezem. Dat komt, omdat de huidige gemeente Rotterdam bestaat uit de "oude stad" en een aantal, in de loop van de negentiende en twintigste eeuw geannexeerde dorpen, zoals bijvoorbeeld Hillegersberg, Kralingen of Charlois. Dit boekje echter behandelt alleen de molens op het grondgebied van de "oude stad". De molens van Delfshaven, Overschie, Schiebroek, Hillegersberg, Kralingen, Kralingseveer en het "Overmaas", de "dorpsmolens" dus, komen in een ander deeltje aan de beurt.

Wel hebben de Schie en de Schiekaden tot de negentiende eeuw ook tot de stad behoord en daarmee ook de molens die op het land tussen de kaden en het water hebben gestaan. In de negentiende eeuw wordt dit gebied bij de gemeenten Hillegersberg en Overschie gevoegd. Omdat het "binnendijkse" gebied met de daarop staande molens van meet af aan bij deze gemeenten behoord heeft, worden de "buitendijkse", de "Rotterdamse" molens bij de molens van deze dorpen behandeld.

Naast de windmolens hebben ook rosmolens (molens, waarbij paarden de drijfkracht leveren) in Rotterdam een niet onaanzienlijke rol gespeeld in een aantal bedrijfstakken, zoals de grutterij, de brouwerij/mouterij, maar ook bij de loodwitfabricage en het vollen van laken. Het productieproces in de rosmolens verschilt niet van dat in de gelijksoortige windmolens. (Alleen de "echte" grutterij vindt men om technische redenen niet terug in een windmolen.) Omdat de rosmolens uiterlijk op een gewoon (pak)huis of een schuur lijken en nauwelijks te herkennen zijn, zijn zij in dit boekje niet opgenomen.

De vraag, wanneer de eerste windmolen in Rotterdam gebouwd is, moeten we onbeantwoord laten. Toen Rotterdam op 7 juni 1340 stadsrechten kreeg van de graaf van Holland, stelde deze wel dat hij het windrecht in eigen handen hield. Het windrecht hield eigenlijk in dat alleen de vorst een molen mocht laten bouwen. Ook kon hij tegen een (jaarlijkse) vergoeding dat recht aan anderen geven. De betaling van dat windrecht gaf recht op een zekere rechtsbescherming van de bouwer van de molen of diens opvolgers. De bepaling in dit stadsrecht hoeft niet te wijzen op het bestaan van een molen in Rotterdam op dat moment. Toch is het niet onmogelijk, het is zelfs zeer waarschijnlijk, dat er één bestaan heeft in 1340. Want in 1352 verpachtte de graaf van Holland zijn korenmolen aan de stad en gaf zelfs aan de stad het recht er nieuwe molens bij te bouwen.

Deze eerste wind(koren)molens waren standerdmolens. Het is een nog steeds bestaand molentype, dat relatief veel voorkomt in de zuidelijke provincies. In Zuid-Holland zijn zij reeds sinds mensenheugenis verdwenen. De molen van afbeelding 13 is een voorbeeld van een dergelijke standerdmolen. Bij de standerdmolen wordt de hele eigenlijke molen gedragen door een zware, verticale balk, de standerd. Aan deze standerd dankt dit molentype zijn naam. Rond de standerd wordt de molen ook op de wind "gekruid". Al het maalwerk bevindt zich in het draaibare, bovenste deel van de molen.

Op de oudste kaarten van Rotterdam zien we deze standerdmolens staan: op de waltorens in de stadsmuur, op kunstmatig opgeworpen heuveltjes achter deze stadsmuur of op de bolwerken. Zo kwamen de molens min of meer boven de bebouwing van de stad uit, waardoor ze beter, vrijer, op de wind stonden.

Wellicht was de molen aan de noordkant van de Blaak de oudste van deze molens, mogelijk de grafelijke molen van 1352. Uit oude kaarten blijkt dat er rond 1550 een stuk of zes molens stonden; deze oudste molens zijn op de kaart omcirkeld aangegeven. Na 1550 stijgt het aantal molens sterker en een eeuw later zijn het er zeker tien meer.

In de zeventiende eeuw verandert een aantal standerdmolens van uiterlijk. Zij kregen blijkbaar te veel last van windbelemmering in de vorm van omringende bebouwing, want molens als "De Pomp", ook wel "De Pompenburg" geheten, en "De Noord" werden verhoogd. De heuveltjes waar de molens op stonden werden vervangen door een hoge, gemetselde toren, waarop de molen kwam te staan. Zo ontstonden de molens met het uiterlijk van de op afbeelding 13 voorkomende molen. Toch waren er zo langzamerhand eigenlijk teveel molens gekomen. De capaciteit om het graan te malen voor de bakkers en voor veevoer, maar ook mout voor de brouwerij en de branderij, was te groot. Zo besloot het molenaarsgilde in 1687 dat er geen koren- of moutmolens meer bijgebouwd mochten worden. Nog weer later besloot het gilde zelfs er tien af te breken.

De standerdmolens hadden toch hun langste tijd gehad. Een nieuw molentype vond ingang: de hoge, stenen molen. Rond 1650 verscheen de eerste; het was "De Oranjeboom" bij de Zalmhaven (afbeelding 44). Wel bleef hij gedurende een halve eeuw de enige, maar in het begin van de achttiende eeuw werden alle standerdmolens, voor zover zij niet geheel verdwenen, vervangen door dergelijke kolossale molens. Het waren deze molens die voor anderhalve eeuw of langer een groot deel van het gezicht van de stad bepaalden (afbeelding 1). Naast de koren- en moutmolens verschenen in het begin van de zeventiende eeuw de (andere) soorten industriemolens:

met name zaagmolens, maar ook olie-, loodwit-, verf-, tras- en pelmolens. Zij verschilden sterk van de koren- en moutmolens; de inrichting van de koren-, mout- en runmolens leek sterk op elkaar. Het voornaamste verschil zat in de bewerking van de molenstenen, het "scherpsel". Niet alleen de inrichting van de zaag- en andere industriemolens week sterk af van de korenmolen, maar ook het uiterlijk. Alle molens die als koren- of moutmolen gebouwd zijn in Rotterdam na de standerdmolens werden stenen molens. (Ook de pelmolen "De Goudsblom" is korenmolen geweest.) Alle andere industriemolens zijn gebouwd als acht- of zeskante molens. (Bij de zaagmolens kwam nog de paltrok voor, afbeelding 3.) Deze acht- of zeskante molens werden in hout opgetrokken en met riet gedekt.

Ook de ligging van de industriemolens was anders dan die van de koren- en moutmolens. De korenmolens stonden allemaal aan de binnenkant van de stadsgracht en een enkeling stond direct buiten de stad, bijvoorbeeld "De Haas" of "De Lelie". De industriemolens stonden verder van de stad af, aan de Schie, aan de Rotte en aan het Boeren- en Buizengat. Dat was niet toevallig. Het waren havens en vaarwegen, die voor de industriemolens noodzakelijk waren voor het vervoer van de grondstoffen en de eindproducten. Het transport van en naar de korenmolens ging meestal per wagen.

Een derde groep Rotterdamse molens werd gevormd door de poldermolens, die het overtollige water uit de polders in de directe omgeving van de stad maalden. De eerste van deze poldermolens rond Rotterdam verscheen in de vijftiende eeuw. Ook hier betrof het weer verschillende typen molens. Wipmolens, zoals "De Rubroekse Molen" (afbeelding 5), of stenen molens, zoals "De Blommersdijkse molen" (afbeelding 4). Vooral verder buiten de stad trof men achtkante molens, zoals de nog bestaande "Prinsenmolen". Een zeer bijzondere molen was "De Kostverlorenmolen" , die opviel door zijn grootte, zijn twee schepraderen en zijn bijzondere taak. Het was de enige Rotterdamse molen die het water opmaalde om op de rivier te lozen.

In 1847 werd besloten de "Coolse molens" te slopen en te vervangen door een stoomgemaal. Dit zou men een keerpunt in de molengeschiedenis van Rotterdam kunnen noemen. Voor het eerst moest een molen plaats maken voor een nieuwe, moderne krachtbron. Trouwens, in en rond Rotterdam heeft men veel geëxperimenteerd met stoommachines. Immers, de eerste stoommachine in Nederland werd geplaatst in Rotterdam. De grote man die hier achter stond was Steven Hoogendijk met het "Bataafsch Genootschap der proefondervindelijke wijsbegeerte". Hij liet in 1774-1776 een "stoomtuig" bouwen op de plaats van de Admiraliteitskruittoren (de toren achter "De Noord" op afbeelding 13). Later, in 1787, kwam er een stoomgemaal in de polder Blijdorp. Ook een der eerste, zo niet de eerste, stoommachine van ons land met een industrieel doel stond in Rotterdam. Lucas Boon liet er in 1797 een plaatsen in zijn branderij op het Nieuwe Werk (bij de Zalmhaven) voor het malen van mout en het aandrijven van de pompen.

De opkomst van de stoommachine, maar ook van andere, modernere krachtbronnen was een van de oorzaken van de achteruitgang van de windmolen. Andere oorzaken waren: veranderingen in het productieproces en de uitbreiding van de stad. Ging de sloop van de molens aanvankelijk vrij langzaam (ook enkele molens werden na brand niet herbouwd), in het derde kwart van de negentiende eeuw verdwenen vrijwel alle molens. De eeuwwisseling werd eigenlijk maar door vijf "complete" molens gehaald: "De Hoop", "De Noord", "De Haas", "De Reus" en "De Bok". Misschien ook nog door "De Naarstigheid", alhoewel onwaarschijnlijk. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bestonden alleen de drie eerstgenoemde molens nog, erna alleen de eerste twee. "De Hoop" werd in 1920 gesloopt en "De Noord" verbrandde in 1954. De laatste molen bleef zolang behouden, omdat de gemeente zich over deze molen ontfermde. Het is waarschijnlijk de eerste molen van ons land geweest die eigendom bleef van de gemeente met als doel hem voor het nageslacht te bewaren. Weliswaar had de gemeente Leiden eerder ,,'d Oranjeboom" daar met hetzelfde doel gekocht, maar later liet Leiden de molen toch slopen.

Met het behoud van "De Noord" was een nieuwe fase in de molengeschiedenis begonnen: na 1919 zouden tientallen gemeenten of organisaties "hun" molens kopen om ze te bewaren. Jammer, dat de "eersteling" van dergelijke "behouden" molens toch nog door brand verloren moest gaan, juist nadat hij in de meidagen van 1940 op een zo wonderbaarlijke wijze aan de ondergang ontsnapt was. Al met al: met de ondergang van "De Noord" verdween de laatste "stadsmolen" van Rotterdam.

Over de windmolens van Rotterdam is niet zoveel literatuur verschenen. In 1942 verscheen van de hand van de bekende architect J. Verheul Dzn: "Verdwenen en bestaande Windmolens te Rotterdam", dat twee herdrukken beleefde (1943, 1976). In het "Rotterdams Jaarboekje" van 1969 schreef J.Ph.A Rotteveel een bijdrage over de Rotterdamse windmolens. Ook wijdde hij een aantal artikelen aan dit onderwerp in het vakblad "De Molenaar". Goede, algemene informatie over geschiedenis en bedrijf van de windmolens kunt u vinden in: H.A. Visser: "Zwaaiende Wieken" (Amsterdam/ Wormerveer 1946, Arnhem 1979). Ook is de laatste tijd vrij veel algemene literatuur over windmolens verschenen.

Veel dank ben ik ten slotte verschuldigd aan al degenen die hebben meegewerkt aan de totstandkoming van dit boekje. Vooral de medewerking van de Gemeentelijke Archiefdienst was buitengewoon. Zij stond de navolgende afbeeldingen af: nummers 1 t/m 9, 11 t/m 14, 22,25,27,28,30,33,34,36, 37,39 t/m 52, 55 t/m 65, 70 t/m 72 en 74. Afbeeldingen 31, 73 en 75 zijn te danken aan het Historisch Museum en afbeelding 26 is afkomstig van de heer F. Kodde.

Verder hoop ik dat dit boekje bijdraagt tot de kennis van en de waardering voor de Rotterdamse windmolens.

1. Rotterdam-molenstad. Dat blijkt wel uit deze ets, in 1785 "na het leeven getekend en gegraveerd door D. de Jong". Hoog torenden de grote, stenen koren- en moutmolens boven de stad uit. Dit beeld van het oude Rotterdam kreeg men te zien tot ver in de negentiende eeuw, wanneer men, net zoals de tekenaar, stond aan de Delfshavense Schie, ongeveer halverwege tussen de Schiedamse- en de Mathenesserweg. U wilt weten welke molen links van de St.-Laurenskerk staat? Er vliegen drie vogels in een bepaalde formatie bij. Deze formatie vindt u ook terug in de verklaring onder de tekening: het is "De Hoop". Zo kunt u alle molens en gebouwen op de tekening terugvinden. We starten onze wandeling langs de molens aan de noordkant van de stad en we komen dan vanzelf wel op deze molens terug.

2. De noordelijkste molen stond tussen het Zwaanshals en de Rotte, bij de Zaagmolenbrug. Het was de houtzaagmolen "De Zwaan". De molen was kort na 1650 gebouwd (1654 of 1659?). De naam van de molen was oorspronkelijk langer: "De Twee Zwanen" of "De Twee Witte Zwanen". In 1854 verkocht Joannes Stephanus Tomputte een Houtzaagmolen zijnde een Bovenkruyer, genaamd de Zwaan, logeabel woonhuis, loodsen, knechtwoningen. brandspuithuisje, koepel, tuin genaamd Nooitgedacht. bleekvelden, weg, watering en erven aan Abraham van Stolk en Zoonen. In 1877 werd de molen veranderd in een stoommolen. De as met de roeden (wieken) kon verwijderd worden als zijnde overbodig. De stoommachine dreef voortaan de zagen aan. In 1910 kocht de gemeente de molen, die in 1911 gesloopt werd. Thans staan er de gebouwen van de Roteb en de brandweer.

3. We vervolgen onze wandeling. Naast "De Zwaan" stond een zaagmolen van hetzelfde type, die "De Ooievaar" heette en die al voor de eeuwwisseling verdwenen was. Nog verder, ter hoogte van de Woelwijkstraat, stond de molen van deze, door Paul van Lienden in 1750 gemaakte tekening. Ook weer een zaagmolen, maar nu van een ander type. Het was de paltrok "De Arend". Van een molen als "De Zwaan" of "De Ooievaar" werd alleen de kap met de wieken op de wind gekruid. Maar bij een paltrok, zoals "De Arend", werd de hele molen op de wind gekruid. Van dit bijzondere model molen waren er eertijds in ons land honderden te vinden. Nu kan men ze op de vingers van één hand tellen. In oktober 1894 brandde "De Arend" af. Links van de molen de buitenplaats "Woelwijk" en erachter nog één wiek van "De Blommersdijksemolen".

4. "De Blommersdijksemolen". Deze molen werd in 1722 gebouwd, nadat diens voorganger afgebrand was. De nieuwe molen werd opgemetseld door Claes Pieterse van der Beek. Het echte molenmakerswerk werd verricht door Gerrit van der Werke. De molen was "generale seinmolen" van Schieland. Dat betekende dat de andere watermolens, die hun water op de Rotte uitsloegen (dat waren er rond 1800 een kleine zeventig), pas mochten gaan malen als "De Blommersdijksemolen" in bedrijf was of wanneer er van deze molen geseind werd. 's Nachts gebeurde dat met een brandende lantaarn, overdag werden drie van de vier molenzeilen opgerold en het zeil van de vierde wiek werd half weggerold. Deze wiek kwam dan boven te staan. In 1878 werd de taak van de molen overgenomen door een stoomgemaal en de molen kon gesloopt worden. Tussen de twee huizenblokken links de toegang tot de Noordmolenstraat en op de achtergrond de gevangenis.

5. Tegenover "De Blommersdijksernolen", aan de Linker Rottekade tussen de Crooswijksesingel en de Isaac Hubertstraat, stond "De Rubroeksemolen". Deze molen was, net als de molen van de naburige Spiegelnissepolder, een wipmolen en bemaalde de polder Rubroek of Voor-Rubroek, want door de aanleg van de Boezem rond 1772 was de polder in tweeën verdeeld en het gedeelte achter de Boezem, Achter-Rubroek, werd voortaan door "De Spiegelnissemolen" bemalen. Wel kwamen beide polders rond 1838 onder één bestuur te staan. In 1864 moest Voor-Rubroek een groot deel van zijn grond aan de gemeente Rotterdam afstaan. Alleen het deel tussen de Boezem en de Boezemsingel bleef over. In december 1867 nam Rotterdam ook de afwatering van dit gebied op zich en kon de molen gesloopt worden.

6. Dichtbij de stad zien we twee industriemolens tegenover elkaar aan de Rotte, de linker is "De Valk in het Bosch", de rechter "De Kievit". Beide molens waren lange tijd eigendom van de firma Hubert & Van Rijckevorsel. Isaac Hubert liet in 1778 "De Valk in het Bosch" bouwen op zijn loodwitmakerij aan de Linker Rottekade, even ten noorden van de huidige Admiraal de Ruyterweg. Loodwit, een kleurstof, moest ook gemalen worden, vandaar de molen. Later veranderde de molen van functie en werd hij moutmolen. Dat bleef hij, totdat de molen in 1852 na blikseminslag afbrandde. De molen dankte zijn naam (waarschijnlijk) aan de buitenplaats "Valck en Bosch" bij Den Haag, waar de moeder van Isaac Hubert, Cunera van Rijckevorsel, opgroeide.

7. Op dit schilderij uit 1860 van J. Bikkers zien we links van de Rotte de verfmolen "De Kievit" met daarachter de zaagmolens "De Arend", "De Ooievaar" en "De Zwaan". In 1719 had Isaac Hubert (de vader van de bouwer van "De Valk in het Bosch") de molen gekocht van de erven van Johannes van Duyn. Deze Van Duyn had van de regenten van het tuchthuis het monopolie gekregen om het in het tuchthuis door de gevangenen tot spaanders gehakte verfhout te malen, tot woede van de andere verfmolenaars. Verfhout is hout dat, tot poeder gemalen, een bepaalde kleurstof geeft. De soort hout bepaalde de kleur. Later was "De Kievit" eigendom van de firma J.A. Rochussen (houdt dit soms verband met de vorige afbeelding, een aquarel van Ch. Rochussen?), die de molen in 1875 verkocht, waarna hij gesloopt werd.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek