De Molens van Rotterdam in oude ansichten deel 2

De Molens van Rotterdam in oude ansichten deel 2

Auteur
:   J.S. Bakker
Gemeente
:   Rotterdam
Provincie
:   Zuid-Holland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-1209-3
Pagina's
:   128
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'De Molens van Rotterdam in oude ansichten deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  >  |  >>

Voor de delen 1 en 2 geraadpleegde literatuur:

A. Bicker Caarten e.a.: Zuid-Hollands Molenboek (Alphen aid Rijn 1965). A.J. Bothenius Brouwer: Twee eeuwen aan de Schie (Rotterdam 1927). W.A.H. Crol: De kruitmolen aan de Schie in: Rotterdams Jaarboekje 1951.

Mr. H.C. Hazewinkel: Geschiedenis van Rotterdam, deel 1-4 (Zaltbommel 1974-1975). G.C. Helbers: Overschie in den loop van tien eeuwen (Overschie 1929).

Fries Molen boek (Leeuwarden 1980).

Molens maalden in Hillegersberg en Schiebroek (Rotterdam 1975). J.e. Okkema: Delfshaven in oude ansichten (Zaltbommel 1969).

J.W. Regt: Geschied- en aardrijkskundige beschrijving van den Zwijndrechtsche Waard, de Riederwaard en het Land van Putten over de Maas (Zwijndrecht 1848).

J. van Rhijn: Rotterdam, Van Abraham Prikkie tot Zwijnshoofd Cs-Gravenhage 1971). J.Ph.A. Rotteveel: De Rotterdamse windmolens in: Rotterdams Jaarboekje 1969. Prof. dr. Z.W. Sneller: Rotterdams bedrijfsleven in het verleden (Amsterdam 1940).

Jhr. L.F. Teixeira de Mattos: De waterkeeringen, waterschappen en polders van Zuid-Holland. Deel II, afd. II: Het hoogheemraadschap van Delfland; afd. III: Het hoogheemraadschap van Schieland Cs-Gravenhage 1908).

Idem, deel VI, afd. 2: Het eiland IJsselmonde Cs-Gravenhage 1920).

e. Visser: Verkeersindustrieën te Rotterdam in de tweede helft der 18e eeuw (Rotterdam 1927). J. Verheul Dzn.: Verdwenen en bestaande windmolens van Rotterdam (Rotterdam 19432).

Idem: Llsselmonde, Ridderkerk en Barendrecht alsmede verdwenen en nog bestaande merkwaardigheden in het oostelijk gedeelte van het eiland IJsselmonde (Rotterdam 1935).

H. Voorn: De papiermolens in de provincie Zuid-Holland etc. (Wormerveer 1973). S.H.A.M. Zoetmulder: De Brabantse Molens (Helmond 1974).

Verder werden artikelen en berichten geraadpleegd uit de navolgende kranten/tijdschriften:

Groot-Rotterdam. De Havenloods

De Molenaar, weekblad voor de graanverwerkende en veevoederindustrie. Rotterdamsch Nieuwsblad.

De Rotterdammer.

Het Vrije Volk.

INLEIDING

Hier ligt dan het tweede en laatste deeltje van een serie boekjes voor u, gewijd aan de windmolens van Rotterdam. In deel 1 zijn de stadsmolens behandeld, de molens op het grondgebied van de oude stad. Nu, in deel 2, zijn de molens aan de beurt die staan of gestaan hebben in de dorpen rond de oude stadsdriehoek. Het zijn de dorpen die gedurende de afgelopen honderd jaar door Rotterdam zijn geannexeerd. De stad had grond nodig, grond voor zijn havens, voor zijn industrie en voor zijn woningbouw.

Deze dorpen telden ook molens, soms zelfs veel molens. Ieder dorp kon zich verheugen in het bezit van één of meer korenmolens, die het graan maalden voor de bakkers. Toch waren de bakkersklanten niet de grootste afnemers van de molenaar. Het meeste maalwerk in de dorpen werd verricht voor de boeren, die het meel als veevoer gebruikten.

Naast de korenmolens, waarvan er zich ook een behoorlijk aantal in de stad Rotterdam bevond, stonden er bij de dorpen veel watermolens, die er voor moesten zorgen dat de vele en soms zeer diepe polders rond Rotterdam droog bleven. Van deze poldermolens hebben we in deel 1 maar een enkeling ontmoet; de meeste stonden vanzelfsprekend buiten de stad. Toch stond in de dorpen op de rechter Maasoever een aantal molens waarvan het bestaan rechtstreeks verband hield met de nabijheid van de handelsstad Rotterdam. Het waren de zaagmolens, oliemolens, snuifmolens enzovoorts, die men aantrof in Delfshaven, Overschie, Hillegersberg en Kralingen. Het voordeel van de genoemde plaatsen was dat zij alle goede verbindingen met Rotterdam hadden, zowel per schip als per wagen. De aanvoer van de grondstoffen en de afvoer van -de eindprodukten gaven daar dan ook geen problemen. Zo verrezen dan de molens langs de Schie, langs de Rotte, rond de

Kralingse Plas en in Delfshaven. Verder had het bouwen van de molens daar nog één groot voordeel: buiten de stad, in het vlakke polderland, op de dijken langs de Schie en de Rotte, had men veel minder last van windbelemmering dan direct aan de rand van de stad. De molen moest nu eenmaal een zo vrij mogelijke toevoer (en afvoer! ) van de wind hebben. Daarbij is het opvallend, maar wel verklaarbaar, dat de plaatsen rond Rotterdam die door de stad geannexeerd werden, alle meerdere industriemolens bezaten, terwijl de plaatsen daarbuiten het vrijwel geheel zonder dit soort molens moesten stellen. Dat laatste gold ook voor de gemeenten op de linker Maasoever. Welgeteld was er één zaagmolen binnen Rotterdams gebied op IJsselmonde, maar verder waren alle molens Of korenmolens Of poldermolens. Wel wilde de vroedschap van de stad in 1723 het eiland Feyenoord beschikbaar stellen om daar zaagmolens op te bouwen, maar daar kwam nooit wat van terecht: de plaats lag te ongunstig buiten de stad.

Evenals in deel 1 maken we een denkbeeldige tocht langs de windmolens, waarbij we beginnen bij de Heulbrug over de Schie, nu de kruising Bergweg/Schiekade, en aan het einde van de tocht komen we weer op dit punt uit. Daarbij passeren we een tiental gemeenten dat nu volledig opgegaan is in de gemeente Rotterdam. De eerste gemeente die door Rotterdam geannexeerd werd was Delfshaven, in 1886, daarna volgden Kralingen en Charlois in 1895, maar Charlois had reeds eerder een aderlating ondergaan: in 1869 had het Feyenoord en een gedeelte van Katendrecht aan Rotterdam moeten afstaan. Katendrecht was na 1816 een zelfstandige gemeente geworden, maar het deel dat er na 1869 nog van over was, werd in 1873 ingelijfd bij Charlois. In 1934 werd Pernis ge-

meente Rotterdam. Echter, in 1941 onderging Rotterdam zijn grootste uitbreiding: de gemeenten Overschie, Schiebroek, Hillegersberg, IJsselmonde en Hoogvliet werden opgeheven en bij Rotterdam gevoegd. Reeds eerder hadden Hillegersberg en Overschie stukken van hun grondgebied moeten afstaan: het gedeelte dat binnen de Ceintuurbaan lag (1902). Een aantal gemeenten zag gebied verloren gaan bij grenswijzigingen: Poortugaal, Rhoon en Barendrecht (minimaal). In 1914 raakte 's-Gravenzande Hoek van Holland kwijt aan Rotterdam.

We beginnen onze tocht, waarbij we uitgaan van het grondgebied van het huidige Rotterdam, in Hillegersberg (afbeelding 1-7). Via Overschie afbeelding 8-37) en Schiebroek (afbeelding 38) keren we terug naar Hillegersberg (afbeelding 39-66). Vandaar naar Kralingen (afbeelding 67-85) en in Kralingseveer steken we over naar IJsselmonde (afbeelding 86-92). Dan naar Charlois en Katendrecht (afbeelding 93-96). Na twee molens op voormalig Rhoons gebied (afbeelding 97-99) komen we in Pernis (afbeelding 100-103 en afbeelding 106). Na Pernis volgt Hoogvliet (afbeelding 104-105). Daarna maken we een zijsprong naar Hoek van Holland (afbeelding 107) en dan gaan we naar Delfshaven (afbeelding 108-122). Via de Beukelsdijk keren we naar ons beginpunt terug.

Ook zijn er enkele molens elders in den lande opgenomen: het betreft dan molens die vanuit Rotterdam naar deze plaatsen zijn overgebracht.

In tegenstelling tot deel 1, is in dit deel geen kaart opgenomen. Het grote aantal molens dat over een groot gebied verspreid was, maar op zich soms toch weer zeer dicht bij elkaar stond, maakte het vrijwel onmogelijk om ze duidelijk aan te geven op een kaart. Wel is er naar gestreefd om de plaats waar

de molens hebben gestaan, zo nauwkeurig mogelijk aan te geven in de tekst, waardoor het mogelijk wordt om ze met behulp van een moderne stadsplattegrond te lokaliseren. Daardoor komt tevens het verschil tussen het heden en het verleden van de molens en zijn omgeving wel erg duidelijk naar voren. Men zou bijna geneigd zijn het fotoboekje eens zo dik te maken door bij iedere afbeelding een foto op te nemen die nu, in 1980, vanaf hetzelfde punt gemaakt is. Het zou wel verrassende effecten opleveren!

De poldermolens die we op onze tocht ontmoeten zijn, zowel op de linker als op de rechter Maasoever, gevallen als slachtoffer voor de stadsuitbreiding of zij hebben moeten wijken voor modernere vormen van bemaling. Rond 1870 is een groot aantal molens vervangen door stoomgemalen, hetgeen tot een grote slopingsgolf onder de watermolens heeft geleid. Een tweede, dergelijke golf ontstond er, toen rond 1914 veel polders overgingen op elektrische bemaling: toen vielen er vooral veel molens rond Overschie en Hillegersberg.

De korenmolens hebben zich op de dorpen meestal gehandhaafd tot na de Eerste Wereldoorlog. Wel is er ook een behoorlijk aantal van deze molens verdwenen, maar toch heeft een relatief groot aantal zich tot nu toe weten te handhaven in vergelijking met de andere soorten molens.

De andere soorten industriemolens, zoals zaagmolens, oliemolens, snuifmolens enzovoort, moesten bijna alle het veld ruimen, niet alleen in Rotterdam, maar ook in de rest van het land. Deze molens verdwenen zoveel eerder dan de koren- en poldermolens, omdat hier juist het produktieproces wel ingrijpend veranderd werd, waardoor de windmolens de strijd om het bestaan al veel vroeger verloren.

Naar schatting bestaat meer dan 95% van de nog bewaard

gebleven windmolens uit koren- en poldermolens, in totaal zijn dat er meer dan negenhonderd.

Toen in 1921 "De Marie Cornelis" in Overschie gesloopt werd, bleef er nog maar één oliemolen in Zuid-Holland over, de in 1939 gesloopte "Welgelegen" in Zwijndrecht. Nu zijn er nog zeven complete oliemolens in ons land: in Koog aan de Zaan, Zaandam (drie stuks), Zwolle, Rijssen en Roderwolde. Ook hebben we paltrokken gezien. "De Adelaar" in Overschie was de op één na laatste paltrok van Zuid-Holland. Een zaagmolen-bovenkruier, zoals "De Vlaggeman", is er in Noord-Holland niet één meer, in Zuid-Holland nog drie. Van andere soorten molens is er nog maar één vertegenwoordiger overgebleven, zoals van de verf-, papier- en krijtmolens, of zelfs geen één, zoals van de volmolens, de loodwitmolens en noem maar op.

Wat is er nu nog aan molens in Rotterdam overgebleven? Allereerst drie complete korenmolens: "De Speelman" in Overschie, "De Vier Winden" in Hillegersberg- Terbregge en "De Zandweg" in Charlois. Dan zijn er nog vier geheel of gedeeltelijk aanwezige molenrompen: drie in Delfshaven, die onlangs op de monumentenlijst geplaatst zijn, te weten de rompen van "De Destilleerketel", "Het Vertrouwen" en "De Graankorrel". De vierde is de romp van "De Hoop" in Overschie. Dan zijn er nog drie complete poldermolens: "De Prinsen molen" van de polder Berg-en-Broek in Hillegersberg, de molen van de polder "Nieuw-Pendrecht" in Charlois en die van de polder "Het Nieuw- en Noordland" in Hoek van Holland. Uniek in de wereld zijn de beide snuif- en specerijmolens "De Ster" en "De Lelie" in Kralingen. Ze herinneren aan de glorietijd van de tabaksindustrie in Rotterdam, die in de achttiende eeuw de belangrijkste tak van nijverheid van

deze stad was. Laten we hopen dat juist deze molens en de karottenfabriek de aandacht krijgen die ze verdienen. De karottenfabriek biedt de gelegenheid om ingericht te worden als museum voor deze industrie en tevens zou dan van de gelegenheid gebruik gemaakt kunnen worden om stil te staan bij de Rotterdamse molengeschiedenis, waarvan we in dit boekje eigenlijk maar een tipje van de sluier kunnen oplichten. Er zou nog veel meer over te vertellen zijn, maar dat laat het bestek van dit boekje niet toe. We zijn al blij dat we met deze twee deeltjes een klein overzicht in beeld van de Rotterdamse molengeschiedenis hebben kunnen geven.

Iedereen die ons geholpen heeft bij de samenstelling van dit boekje, wordt daarvoor hartelijk dankgezegd. In het bijzonder diegenen die mij foto's voor dit boekje beschikbaar stelden. Dat zijn de heren: CG. van Harrewijen (afbeelding 72, 74 en 79), F. Kodde (afbeelding 41 en 121), L. van Lambalgen (afbeelding 35 en 99) en drs. H.A. Visser (afbeelding 86, 90, 97 en 103). Het leeuwedeel van de afbeeldingen is afkomstig van de Gemeentelijke Archiefdienst (afbeelding 2, 5-11, 13-21, 24, 25, 27-29, 31, 33, 36, 38-40, 44, 47, 48, 53, 57-61, 65, 68-71, 76, 80-85, 88, 89, 91-96, 100-102, 104-106, 109-112, 115-118, 120 en 122). Ook danken we de heren W.D. van der Eijk en E. en P. Speelman voor hun informatie over de Overschiese molens. Verder houden we ons sterk aanbevolen voor aanvullingen en op- of aanmerkingen, opdat de Rotterdamse molenlegpuzzle toch steeds completer worde.

Moerkapelle, september 1980

J.S. Bakker

1. Ten noorden van de Heulbrug vond Dienijs van Dongen de inspiratie voor deze, in 1801 gemaakte aquarel. Naast de hier afgebeelde vijf windmolens, meest zaagmolens, was toch ook het gebouw rechts een molen, zij het dat hier paarden voor de benodigde energie zorgden. Vanaf kort na 1600 werd hier buskruit vervaardigd. Een gevaarlijk bedrijf! Op 4 januari 1827 vlogen enige gebouwen van de molen de lucht in: er waren vijf doden te betreuren en er werd grote schade aangericht. Hoe groot die schade wel kon zijn, was bij de ramp met het kruitschip in Leiden, op 12 januari 1807, aangetoond. Nu was "slechts" 900 van de aanwezige 7000 pond buskruit ontploft. De stad Rotterdam kocht nu de molen en liet hem slopen.

2. Rond 1880 werd deze foto vanaf de Heulbrug genomen, nu het kruispunt Bergweg/Walenburgerweg/Schiekade. De molens stonden waar nu de Stadhoudersweg is, tussen de Bergselaan en de Vlaggemanstraat. Van links naar rechts zien we de stoomzaagmolen "De Koe" en de windzaagmolen "De Barg", "De Haan" en "De Vlaggeman". Deze molens waren uiteindelijk het eigendom van de firma Abraham van Stolk. In 1746 kocht David van Stolk de "agt kante hout saagmolen" "De Koe"; de eerste van de firma. De in 1646 gebouwde "Koe" was eerder ook verfmolen geweest. Het monopolie van het Amsterdamse tuchthuis voor het raspen van "braziliehout" werd met "De Koe" doorbroken, waarmee Amsterdam geen genoegen nam (1677). In 1859 werd "De Koe" of "Oude Molen" veranderd in een stoomzagerij. Op 30 maart 1881 zagen de Van Stolks hun in 1839 gekochte zeskante zaagmolen "De Barg" in vlammen opgaan.

3. "De Vlaggeman" werd in 1681 als paltrokmolen gebouwd en zo werd de molen ook geschilderd door Dienijs van Dongen in 1801 (zie afbeelding 1). In 1810 werd de molen door de heren' Van Stolk gekocht. In 1813 werd de paltrok gesloopt en vervangen door een hoge, zeskante zaagmolen. Menige stam werd in de loop der jaren door de op- en neergaande zaagramen verzaagd tot planken en balken. Dag in, dag uit draaiden de wieken. In deze eeuw kwamen ze tot rust: het wind-zaagbedrijf raakte uit de tijd. "De Vlaggeman" was steeds eenzamer komen te staan: alle andere windmolens langs de Rotterdamsche Schie waren gesloopt of verbrand. Ook de omgeving van de molen veranderde: straten werden aangelegd, huizen gebouwd. De gemeente Rotterdam wilde nu ook de grond van de firma Van Stolk hebben voor haar uitbreidingsplannen.

4. Ondanks het feit dat "De V1aggeman" overbodig geworden was voor het bedrijf, hield de firma Van Stolk de molen als herinnering aan het grootse zaagmolenverleden van het bedrijf in stand. Immers, deze firma heeft in totaal meer dan tien zaagmolens voor kortere of langere tijd in eigendom gehad. Op 27 september 1927 was het tweehonderd jaar geleden dat de Van Stolks zich als houthandelaren aan de Schie vestigden. Ter gelegenheid van dit feit was "De Vlaggeman" naar oud-Rotterdams gebruik "in de vlaggen gezet". Toch was toen het lot van de molen reeds bezegeld. De gemeente Rotterdam kwam door onteigening in het bezit van de terreinen met de opstallen van Van Stolk langs de Schie. Daarna werd "De Vlaggeman" in 1929 gesloopt. Plannen om de molen te verplaatsen naar de Kralingse Plas kwamen niet tot uitvoering.

5. Tussen "De Vlaggeman" en "De Barg" stond de paltrok "De Haan" of "Het Haantje". Dit was de eerste zaagmolen die gebouwd werd ten noorden van de Heulbrug en wel in 1645. Zoals de meeste Rotterdamse paltrokken, was ook deze molen oorspronkelijk geel geverfd. Later moest deze gele verf bij "De Haan" en bij de meeste andere paltrokken wijken voor de zoveel gemakkeljker aan te brengen en duurzamere teer, hetgeen de molens wel een somberder uiterlijk gaf. "De Haan" was van 1848 tot 1880 eigendom van de familie Van Vollenhoven; in het laatstgenoemde jaar verkocht zij de molen aan Van Stolk. Rond 1895 werd de molen gesloopt. Op de achtergrond de zoveel hogere "Vlaggeman", een baliemolen. Vanaf de balie, de omloop, legden de molenaars de zeilen voor, enzovoort. Nu werkte er bij Van Stolk iemand die op "De Vlaggeman" de bovenrand van het baliehek helemaal uitliep ...

6. Ongeveer ter hoogte van het huidige Stadhoudersplein stond in de bocht van de Schie deze molen, "De Bergpoldermolen". In 1440 kregen de ingelanden van de Bergpolder van het hoogheemraadschap Schieland het recht om een molen te bouwen. Het werd een zogenaamde wipmolen, het was ook een wipmolen, die daar in 1783 afbrandde. Op 4 augustus 1783 werd de bouw van een nieuwe "Balie Agtkante Scheprad Windwatermolen" aanbesteed in de herberg "Den Orange Boom" bij de Kootsekade. De bouw werd gegund aan Leendert van Schaik voor f 6980,-. De nieuwe molen moest uiterlijk 15 maart 1784 maalvaardig zijn. Mogelijk brandde de molen halverwege de vorige eeuw nogmaals af en zou dan in 1856 weer herbouwd zijn, maar de molen op de foto zou ook de molen uit 1784 kunnen zijn. Uniek van deze molen is het fraai beschilderde voorkeuvelens, het gedeelte van de kap boven de as. Iets dat nergens meer voorkomt.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek