De Pegstukken 1845-1995 en andere Schijndelse molens

De Pegstukken 1845-1995 en andere Schijndelse molens

Auteur
:   B.H.J. Mols
Gemeente
:  
Provincie
:  
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-6132-9
Pagina's
:   72
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'De Pegstukken 1845-1995 en andere Schijndelse molens'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  >  |  >>

Gedurende de 15e eeuw waren deze molen en de watermolen ten Steen te Berlicum-Middelrode, gelegen op deAa, in eigendom van vier families, waarvan familie Van Beke de belangrijkste was. Vast staat dus, dat de Schijndelse windmolen in ieder geval in 1348 reeds bestond. Deze feiten blijken uit een akte van uitwinning (= executoriale verkoop) d.d. 9 mei 1460, die aanwezig is op het rijksarcbief (deze akte staat in het schepenregister R.180 1, fo1.12 van 's-Hertogenbosch). Krachtens deze akte van uitwinning werd Arnold Stamelaert in 1460 eigenaar van de beide mol ens, door middel van inbeslagneming, hetwelk door hertog Philips de Goede in 1463 werd bevestigd.

In 1490 nog, toen beide molens eigendom waren van het Groot Gasthuis in Den Bosch, verkregen door schenking van Arnold Stamelaert in 1465, werden zij tegelijk en aan een en dezelfde persoon, voor de tijd van zes jaar verpacht (Den Bosch R.1259, F.214).(1)

Zo werden de windmolen van Schijndel en de watermolen ten Steen in 1488 aan Jan Smolders van Uden verpacht en in 1496 aan Lambertus van Gerwen. Dit tegen betaling van diverse cijnzen.

De molen is een aantal malen op dezelfde plaats herbouwd.

In de nacht van 3 op 4 maart 17 16 werd de molen door een zware storm vernield, en in 1808 werd hij door bliksem getroffen.

"De Schijndelse windmolen bleef in de Molenheide staan tot het jaar 1812, toen hij werd verplaatst naar de plaats waar thans

nog steeds de ronde stenen bergkorenmolen aan de Hoofdstraat staat." (2)

De Rotterdamse Courant 1811, no.64, dinsdag 4 juni meldt evenwel:

"De molenmaker A. Hombergen te Udenhout wonende, is bezig om de koornmolen van Schyndel, de grootste uit dit departement, in deszelfs geheel, omtrent een half uur verre, te vervoeren, waartoe hy reekent veertien dagen noodig te zullen hebben; vorderende yder dag tweehonderd stappen. Het zonderlinge, zoo weI als de eenvoudige bewerking, wordt door velen bewonderd." (3)

Het lijkt er dus op, in tegenstelling tot de andere bron, dat de molen reeds in 1811 verplaatst is, en niet pas in 1 81 2; gezien de afstand van de verplaatsing naar zijn nieuwe plaats wordt bier in elk geval ook de molen op de Molenheide bedoeld.

Dat er reeds op 12 september 1808 gedacht werd aan verplaatsing van de windmolen, blijkt uit de volgende bepaling voorkomende in het huurkontrakt, opgemaakt op laatstgenoemde datum, ten overstaan van schepenen van Schijndel: .Jngeval de verhuurders mogte goedvinden binnen voors.huurjaren voors.molen te verplaatzen, en nader bij deesen dorpe te stellen, zal den huurder zich zulks moeten laten welgevallen .... ."

Dat er in het jaar 1823 nog steeds een houten standerdmolen was welke naar de Hoofdstraat was overgebracht, wordt duidelijk uit het huurkontrakt d.d. 24 [uni 1832, opgemaakt door notaris ], van Beverwijk. Artikel 1 0 van dit kontrakt bepaalt, dat de

verhuurders o.a, te hunnen laste moeten houden "de kast van de molen, dat de zan beschijnd en de regen bevocgtigd ... ".

Tijdens de zware storm van 20 november 1836 bezweek deze verplaatste houten standerdmolen. Op dezelfde plaats werd in 1837 een nieuwe stenen bergkorenmolen gebouwd, thans nog steeds op deze plaats gesitueerd, aan de Hoofdstraat nummer 40. (Ziefoto.)

Wind- en MotormoLn van J. C. Nefkens-van Lith tc Schijndel

2.2.Catharina (1837-heden)

Een ronde stenen bergkorenmolen, gebouwd aan de Hoofdstraat in 1837, door C. van Ooyen uit het grote rivierengebied en]. Schoonwater uit Uden, en voor een kombinatie van gedeeltelijk uitwonende participanten. Dat gebeurde voor de helft van de kosten voor HendrikThooft te Zaltbommel en Jacob Thooft te Zutphen, de Gemertse Hendrik Rutman betaalde een zestiende deel, terwijl de Schijndelse Maria van Will, Egidius en Meghelina van Will borg stonden voor de overige zeven-zestiende.

Boven de deuren van de inrijpoort, bevindt zich een steen met opschrift:

De eerste steen gelegd I.e. 't Hooft

1837

Het eerste kontrakt van verhuur van deze nieuwe molen, welke de vernielde standerdmolen verving, dateert van 30 april 1838, vastgelegd in een onderhandse akte te Zaltbommel.

later werd door vererving en uitkoop Gijsbert van der Kant eigenaar; deze was gehuwd met Maria van Will. Nadien werd de molen overgedaan aan Jan Nefkens, geboren te Berlicum op 14 mei 1878. Op 8 januari 1964 stierfNefkens en liet hij de molen na aan P.A. Smits, die de huidige eigenaar is. Vroeger had de molen jaloezie-zelfzwichting gekombineerd met Oud-Hollandse voorzomen, waarvan nu nog de bedieningskrans, achter de

askop, met enige tuimelaars resteert. Dit jaloezie-systeem is bij eenlatere restauratie vervangen door Oud-Hollands hekwerk. Foro's doen veronderstellen dat in eerste instantie beide roeden van dit systeem waren voorzien, terwijllater slechts ern roede met de [alouzieen was uitgerust.

Tegenwoordig is de molen voorzien van het fokwieken-stroomlijn-systeem met remkleppen van Ir. Fauel, in cornbinatie met Oud-Hollands hekwerk, en heeft een vlucht van 27 meter. De gietijzeren as, met een lengte van 5.25 meter, is een fabrikaar van F.]. Penn & Compo te Dordrecht. Het kruiwerk bestaat uit rollen van gietijzer, gevat in houten wagens.

De molen heeft een Vlaarnse- of blokvang en is uitgerust met een vangtrommel. Verder is in de molen maar liefst een drietal koppel stenen aanwezig, te weten een koppel 1 7 -der blauwe stenen, en twee koppel 1 7 -der kunststenen. De overbrenging van het bovenwiel op de koningsspil geschiedt middels een bonkelaar.

In 1977 -1978 werd een uitvoerige restauratie uitgevoerd aan de rnolen, waarvan de totale kosten f 168.645,44 bedroegen, met als doel de molen voor de toekomst te behouden. Deze restauratie werd als voigt geflnancierd: 40% Rijk, 25% provincie, 30% gemeente en de overige 5 % eigenaar. (4) De restauratie werd uitgevoerd door de Firma. Adriaens te Weert. Het was een omvangrijke restauratie, waardoor de molen weer geheel maalvaardig werd. De kap was voor het grootste deel versleten en moest vervangen worden, waarbij een nieuwe windpeluw, korte spruit en achterkeuvelens aangebracht werden. De roeden werden hersteld, waarbij het Oud-Hollandse hekwerk plaats maakte voor Oud-Hollands in kombinatie met het stroomlijnsysteem vol gens Fauel, De staartbalk werd vernieuwd en een dee1 van de berg werd met zand aangevuld. Het maalgedeelte van de molen, bestaande uit drie koppel stenen werd weer geoptimaliseerd.

Na deze omvangrijke restauratie is er echter niet meer met de molen gewerkt op de manier waarvoor deze bestemd was, namelijk. het malen van graan, waarbij ook het jaarlijkse onderhoud veelal werd overgeslagen. Tien jaar later resulteerde dit

dan ook in een opnieuw in deplorabe1e staat verkerende molen. Eind 1988 is door de Firma. Adriaens voor nog eens

f 10.962,44 aan de molen verspijkerd, om hem alsnog in goede staat te krijgen.

Thans fungeert de molen slechts als opslagloods en verkeert helaas wederom in slechte staat van onderhoud, waarbij een deel van de fokwieken van de roede is afgevallen.

2.3 SintAntonius met het varken (1845-1993)

Deze ronde stenen bergkorenmolen was plaatselijk gesitueerd aan de Molenstraat 27. Toen de toenmalige Schijndelse molenaar E.]. van Will omstreeks 1844 hoorde dat er een tweede molen (de Pegstukken) bij zou komen ennog weI van een "buitenstaander" (De Backer-Belgie}, besloot hij, uit concurrentiezucht, ook (nog) een stenen molen te bouwen. De bergmolen kwam gereed op een afstand van ongeveer 260 meter hemelsbreed ten opzichte van de plaats waar Gebr. De Backer hun molen zouden bouwen.

Naast de funktie van korenmolen, was in deze molen tevens een olieslagerij ingericht. De foto toont rechts van de molen, op de aanbouw, een schoorsteen die tevens plaats bood aan de constructie waarop de hamerslag was aangebracht.

De molen is door verschillende molenaars bemalen geweest. De eerste is Christiaan van Will geweest, geboren te Oirschot in 1828. Hij woonde omstreeks 1839 bij Egidius J. van Will, molenaar van de molen aan de Hoofdstraat. Molenaar Chr. van Will vertrok in 1863 naar Helmond. Zijn opvolgers waren Peter en Theodorus Bastian, geboren te Heeze in respectievelijk 1835 en 1841. NadatTheodorus in 1892 uit Schijndel was vertrokken, ging Peter in 1894 naar Zesgehuchten (thans Geldrop).Als molenaars volgden op, de gebroeders Gerardus en Antonius van Lieshout, geboren te Schijndel, in respectievelijk 1872 en 1875. Deze gebroeders vertrokken in 1906 naar Boxtel.

Wellicht heeft een oudere broer, Petrus van Lieshout genaamd,

de molen enige tijd, met behulp van een knecht, bemalen. Vast staat weer, datAlbertus Pijnenburg, geboren te Berlicum in 1878, in het jaar 1911 molenaar was op deze molen. Wegens minder goede gezondheid verliet Pijnenburg de molen omstreeks 1930. Hij had de molen indertijd overgenomen van de hiervoor genoemde familie Van Lieshout.

De volgende molenaar was Albertus Antonius Derks, geboren in Overasselt. Tot 1944 bemaalde Derks de molen, waarvan in september 1944 de wieken zodanig door granaatvuur werden getroffen, dat het onmogelijk was de molen nog te gebruiken.

Op 26 juni 1946 meldt A. Derks dat hij niet tot herbouw over zal gaan, gezien de vele mankementen.

Dit ondanks een toezegging van de Hollandsche Molen een subsidie te verlenen. Hij meldt:., ... er zoo veel aan te maken is, dat de beugel grater word dan de koe." Enige tijd later zijn de wieken en kap dan ook verwijderd, waarna alleen een molenramp resteerde.

Overige bruikbare onderdelen werden door Derks, middels een advertentie in het blad "de Molenaar" van 6 augustus 1947 te koop aangeboden.

In 1954 vertrak molenaar Derks met zijn gezin naar Canada en verkocht hij de molen(ramp) aan Wilhelmus E. den Ouden, die gedurende lange tijd een machinale maalderij in het resterende molenkomplex, waarvan de onderbouw werd gerenoveerd, bestierde.

Door de onttakelde en slechte staat van de molen werd het molenrestant nooit op de monumentenlijst geplaatst. Daardoor werd herbouw helaas uitgesloten, ondanks de markante ligging van de molen.

Reeds in juli 1986 was er sprake van dat de Molenstraat zijn molenromp zou gaan verliezen. Eigenaar W den Ouden wilde de voormalige bergkorenmolen slopen om er een nieuw winkelgebouw te Iaten verrijzen voor zijn aan de molen grenzende dierenvoederzaak. Boven de winkel zouden tevens woningen gecreeerd worden en achter de winkel parkeerplaatsen. Dientengevolge gaven B & W van Schijndel in de eerste week van juli 1986 hun goedkeuring aan de sloop, ondanks het feit dat de plannen nog in een vroeg stadium verkeerden.

Daar de vergunning voor de nieuwbouw pas in 1993 werd afgegeven, startte men pas in 1993 met de sloop van het molenrestant. In de week van 4 oktober 1993, ruim zeven [aar na de eerste plannen en goedkeuring, kwam het einde in zicht en werd met luchthamers de molenromp voorgoed met de grand gelijk gemaakt. De steentjes zijn laag voor laag verwijderd. Bij het grandwerk kwamen tijdens de werkzaamheden tevens de drie stenen van de voormalige kollergang naar boven. De stichtingssteen die in 1845 werd gelegd met de tekst: "Gelegd door E.]. van Will - 1845" is zorgvuldig bewaard.

Dat de nit concurrentiezucht gebouwde molen voor zijn concurrent heeft moeten onderdoen, dat had de bouwer destijds niet durven denken.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2020 Uitgeverij Europese Bibliotheek