De Pegstukken 1845-1995 en andere Schijndelse molens

De Pegstukken 1845-1995 en andere Schijndelse molens

Auteur
:   B.H.J. Mols
Gemeente
:  
Provincie
:  
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-6132-9
Pagina's
:   72
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'De Pegstukken 1845-1995 en andere Schijndelse molens'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  >  |  >>

Eind 1972 worden door bouwbedrijfTimmermans Van der Heijden uit Schijndel de inrit alsmede het toegangsgewelf volledig vernieuwd. Hiervoor is de oude toegang volledig afgebroken en opnieuw opgetrokken. Het voegwerk van de romp wordt hersteld, alsmede het metselwerk van de voormalige motormaalderij, aan de achterzijde van de molen, waarin tevens een toilet wordt aangebracht.

Een en ander geschiedt tegen een bedrag van f 37.981,38, als voIgt verdeeld: f 22.320,- voor de toegangpartij, f 7.680,voor het herstel van de aanbouw, f 1.842,00 voor het herstel aan het voegwerk en f 1.475,- voor het aanbrengen van de toilet (plus f4.664,38 BTW).

De subsidie met betrekking tot de eerste twee posten moet worden doorgeschoven naar het jaar 1976. Het voegwerk wordt onmiddellijk als 65% subsidiabel aangemerkt, terwijl het toilet niet voor subsidie in aanmerking komt.

In november 1972 wordt voor een bedrag van f 1.556,- een koppel stenen van de steenzolder verwijderd om in de nieuw aangebrachte entree te worden ingemetseld. In augustus 1973 worden nieuwe zeilen geleverd (katoendoek).

Op 16 mei 1983 wordt door molenmaker Adriaens te Weert een begroting opgesteld voor een restauratie ten bedrage van

f 32.922,-. Op 11 juni 1983 wordt aan hem opdracht verstrekt de restauratie uit te voeren, onder andere omvattende: verwijderen en opnieuw voorzien van hekwerk en voorzomen, nieuwe ijzerbalk, nieuwe luitafel, reparatie kruibok, nieuwe vloerdelen kap-, lui- en maalzolder, afdekken lange spruit, stellen van de windpeluw. Ondanks het verzoek om nu alsnog fokwieken

aan te brengen en het hieromtrent door B &W uitgebrachte advies, wordt hiervan toch afgezien door het gemeentebestuur. De restauratie zelf werd in 1984 in onderaanneming uitgevoerd door molenmaker Firma Van Beek te Rijnsaterwoude, in opdracht van Adriaens.

In september 1985 is in het bovenwiel een 40-tal nieuwe beuken kammen geplaatst en is het bovenwiel opnieuw om de as bevestigd. Tevens zijn de windpeluw en de penbalk gesteld.

Als laatste belangrijke vermeldenswaardige restauratie-onderdeel is in 1987 een nieuwe lange schoor aangebracht en is in 1993 de kruivloer geheel hersteld.

5. Technische gegevens van korenmolen "De Pegstukken"

De molen is een ronde stenen bovenkruier met molenberg, waarvan een inrijpoort ten behoeve van opslagruimte gedeeltelijk is afgegraven. Het is een bovenkruier, aangezien aileen de kap van de molen op de wind gezet behoeft te worden, en niet zoals bijvoorbeeld bij een standerdmolen nagenoeg het hele molenlichaam. Het is tevens een buitenkruier, doordat de kap vanaf de molenberg bediend kan worden, en niet van binnenuit. De kap is van hout vervaardigd, en beslagen met dakleer.

De huidige roeden zijn van ijzer en gemaakt door de firma Derckx te Beegden, en dragen de nummers 36 en 37. De roeden hebben elk een lengte van 25,25 meter, waarbij opgemerkt wordt dat de binnenroede iets langer is dan de buitenroede. Beide roeden zijn sinds de restauratie van 1970 weer voorzien van het Oud-Hollands wieksysteem. Dit in afwijking van het tijdens de restauratie na de oorlog aangebrachte stroomlijnwieksysteem, zonder remkleppen, volgens Van Bussel.

Dit systeem werd begin jaren dertig ontwikkeld door Chris van Bussel, en werd met name in Brabant op vele molens toegepast. Door het ronde neusprofiel met brede achterzijde had dit een zeer gunstige invloed op het aanloopvermogen, respectievelijk de trekkracht van de molen, en kon de molen met het minste zuchtje wind draaien. Door het ontbreken van de remkleppen echter, was het bij het stilzetten van de molen wel oppassen,

omdat wanneer de vaart eruit was de roe den onmiddellijk weer fel reageerden op de wind.

Overige nadelen waren overigens dat het plaatwerk weleens los kwam te zitten en dat men niet bij de uiteinden van de hekstokken kon komen, deze waren immers met dit systeem geheel omkleed en afgeschermd, maar niet beschermd tegen de invloeden van vocht.

De molen heeft vier zolders (exklusief de begane grond) , te weten: kapzolder, luizolder, steenzolder en meelzolder.

De bovenas waaramheen het bovenwiel is bevestigd heeft een lengte van 4,74 meter en is van gietijzer gemaakt, fabrikaat L.I. Enthoven & Co. (het nummer en jaartal zijn afgedekt door de vulstukken en derhalve niet af te lezen). De asgaten, waar de raeden in gestoken zijn, hebben de afmeting 40 bij 50 centimeter, terwijl de huislengte van de as 90 cm bedraagt. Op aile vier de roeden zijn kunststofWK-74 zeilen aangebracht.

Het kruiwerk heeft een oorspronkelijke vorm, bestaande uit lange spruit (die voor 1970 nag gemaakt was van een stuk ijzeren roe de) en korte spruit, lange en korte schoren, achterkeuvelens. staartbalk (voor 1970 een ijzeren roede) en een kruibok. Deze vorm is ongewijzigd gebleven sinds de bouw van de molen, waarbij elfkruipalen am de molen zijn aangebracht am de molen op de wind te kunnen zetten. De molen heeft een Vlaamse- ofblokvang en is uitgerust met een vangtrommel.

De kap ligt sinds de restauratie van 1970 op een Engels kruiwerk, voorheen echter op een (ijzeren) rollenkruiwerk.

Voorts zijn in de molen een sleepluiwerk, een koppel 1 7 -der kunststenen en een koppel 14-der kunststenen aanwezig. Het eerste koppel op de steenzolder wordt aangedreven door de windkracht. Het tweede koppelligt op de begane grond en wordt aangedreven door een motor. Naast dit laatste koppel, dat voorheen oak op de steenzolder lag, bevinden zich op de begane grand ook een mengketel en een elevator.

De molen heeft geen stichtingssteen, en oak historische inkervingen ontbreken. De enige aanwezige inkerving staat op de

ijzerbalk en is 19 AV 84, hetgeen aangeeft dat de ijzerbalk in 1984 door molenmaker A. Verheij uit Rijnsaterwoude vervaardigd is. Het bovenwiel bevat 65 kammen, terwijl het bovenrandsel 35 staven heeft, waarbij de steek 12.2 centimeter bedraagt.

Het spoorwiel heeft 67 kammen en de steenschijf 23 staven, waarbij de steek 10,3 centimeter bedraagt. De overbrengingsverhouding bedraagt 1 op 5.4 voor het windkoppel, waarbij een rondgang van de wieken voor 5,4 rondgangen van de loper zorgt.

Het einde van het maalproces werd voorheen gevormd door een van de drie op de steenzolder aanwezige koppels stenen, waarvan er een door een elektromotor werd aangedreven. Na verplaatsing van het machinale koppel stenen in 1984 naar de begane grond in de molen, is ook het elektrische aandrijfwerk, dat hing aan de vloer van de steenzolder, verwijderd. Ook is in 1984 de aanwezige buil, voor het zeven van tarwemeel in gries, zemelen en bloem, verkocht.

Gezien de in het vorenstaande gebruikte terminologie, wil ik nog even kort stilstaan bij het gebruik van de molen, opdat alle genoemde facetten voor eenieder duidelijk zijn, waarbi] ik voor de voHedigheid ook wil verwijzen naar de literatuurlijst.

Alvorens met de molen te kunnen malen, danwel draaien, moet deze op de wind gezet worden. De molen is hiertoe uitgerust met een constructie, bestaande uit een staartbalk en met de kap verbonden balken. Deze constructie heeft een tweeledige funktie. Enerzijds ter verdeling van het gewicht van de kap bi] het kruien, anderzijds om tegengewicht te bieden aan de as (kop ) met de roeden.

De Pegstukken is voorzien van een zogenaamd Engels kruiwerk. De kap rolt hierbij, tijdens het op de wind zetten, over een groot aantal ijzeren rollen, die om op hun plaats te blijven met flenzen om een op de hoven- en onderzijde aangebrachte rails grijpen. Het daadwerkelijke op de wind kruien gebeurt door middel van het draaien aan de kruibok, op de molenberg. Door het verleggen van de kruiketting kan men zo van kruipaal tot

kruipaal de molen verder zetten. Voordat gedraaid kan worden zijn eerst eventuele belemmeringen verholpen en zijn de bevelligingen uit hun werk gesteld, zoals de kettingen aan de roede, de pal in het bovenwiel en andere blokkeringen.

Het gevlucht, oftewel het wiekenkruis, bestaat uit een tweetal roeden, in totaal vier enden, die in de askop van de as zijn gestoken. Deze as draait aan de voorzijde van de kap op de halssteen en aan de achterzijde lagert deze in de pensteen.

De kap heeft een windpeluw (waarop een halssteen), een penbalk, twee voeghouten en een lange en korte spruit als belangrijkste verbindingsbalken.

De roeden zijn voorzien van een houten hekwerk en van houten wind- en stormborden (die gemakkelijk uitgenomen kunnen worden). Na bepaling van de windsterkte kunnen de zeilen voorgelegd worden.

Het gaande werk zorgt ervoor dat de windkracht uiteindelijk wordt overgebracht op de loper, de draaiende steen, waarbij voor een minimale snelheid een bepaalde overbrengingsverhouding tot stand is gebracht tussen de diverse overbrengingen die zitten tussen de kapzolder en de steenzolder. In de kapzolder drijfr het bovenwiel een rondsel aan, dat op de koningsspil bevestigd is. Deze koningsspilloopt in het midden van de molen vanuit de kapzolder door tot aan de steenzolder, alwaar deze in een lager in de steenbalk draait.

In de kap wordt deze koningsspil op zijn plaats gehouden, het midden van de molen, door de ijzerbalk. Onderaan de koningsspil zit het spoorwiel bevestigd, dat de steenschijf aandrtjft. Deze steenschijf zit am het staakijzer, dat met zijn spil in de rijn van de loper grijpt, waardoor deze kan draaien. Wanneer de molen draait kan oak op windkracht een zak omhoog worden gehaald, door het op de luitafel, die ter hoogte van de luizolder om de koningsspil zit, laten zakken van een wiel.

Een koppel stenen bestaat uit een loper en een ligger. Zoals de naam al doet veronderstellen draait de loper over de ligger heen. De twee stenen zijn van hetzelfde scherpsel voorzien, waarbij de scherpsels elkaar snijden, immers, het scherpsel zit op de onderkant van de loper en op de bovenkant van de ligger.

Het graan valt vanuit de kaar, via het schoentje in het kropgat. Op het eerste stuk van de steen wordt het graan verdeeld, op het middelste stuk gebroken, om uiteindelijk op het einde van de steen pas daadwerkelijk gemalen te worden. Uiteindelijk wordt het via de meelring, om de ligger heen, door op de loper aangebrachte aanjagers de meelpijp ingeschoven en belandt het meel in de meelbak op de meelzolder.

Een regulateur zorgt er mede voor dat wanneer de molen een bepaald toerental bereikt, de stenen dichter op elkaar komen.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2020 Uitgeverij Europese Bibliotheek