De Zalmvisserij van Ammerstol in oude ansichten

De Zalmvisserij van Ammerstol in oude ansichten

Auteur
:   J.C. Blom
Gemeente
:   Bergambacht
Provincie
:   Zuid-Holland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4792-7
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'De Zalmvisserij van Ammerstol in oude ansichten'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

INLEIDING

Waar komt de naam "Snackert" vandaan? Reeds in 1492 viel de naam in een uitspraak van de deken en het kapittel van Oud Munster te Utrecht, in een geschil tussen de vissers van "De Snackert" en van de "Nieuwe Worp" te Oudenoord. De naam kan waarschijnlijk ontleend worden aan het "snakken" naar goede vangst. Wat is het heerlijk om in het verleden van een dorp te wroeten. Vooral, als je merkt dat ons dorpje toch weI belangrijk is geweest door inkomsten uit visserij en tol. In het Rijksarchief is een schat aan informatie betreffende "Snackert" en Nassau la Lecq aanwezig.

Zo kom je bijvoorbeeld het volgende tegen: In 1527 doet het Hof van Holland uitspraak in een geschil tussen Floris Oom van Wijngaarden en Agatha van Zwieten, weduwe van Pieter Schaert, eisers namens de vissers van Ammerstol. Dat waren Gerrit Lucasz., Gerrit Harpertsz., Hendrik Jansz., Machteld, weduwe van Joost Albertz., Albert en Jacob Joostz., Agatha Albertsz., Comelis Joostz., Comelis Leendertz. en Lhonis Jansz. Kock, allen vissers van "De Snackert" te Ammerstol. Het ging over een regeling voor het vissen op zon- en feestdagen. Ineens heb je dan een aantal namen van mensen die in ons dorp geleefd hebben.

Veel informatie verkreeg ik uit loonstaten en stukken uit de boekhouding, onder andere gegevens over de samenstelling en taak van de vissersploeg en de verdienste per beroep.

Waarom in dit boekje geen foto van het beeld dat op het Kerkplein staat? Volgens de oud-vissers is dit een beeld van een .Jijntjeshouder" , een werkman van het laagste niveau. Een zalmvisser was een man met een laaf (schepnet).

Veel dank ben ik verschuldigd aan oud-vissers Aart de Jong en Gerard Brandt, aan Jan de Graaf, Jan Piet Blanken, Andries v.d. Berg, de Dienst tot Verbetering van de Binnenvisserij en vele anderen.

1. De zalm.

De zalm - met de wetenschappelijke naam Salmo salar - ontleent zijn naam aan het Latijnse woord "salio" (springen). De zalm plant zich voort in zoet, snel stromend water. Ook het broed leeft 1 tot 3 jaar in deze wateren. De groei tot volwassenheid vindt plaats in zee. Tussen opgroei- en paaigebied legt de zalm vaak een grote afstand af; afstanden tot 2000 km zijn geen uitzondering.

De opgroeigebieden lagen bij Groenland, Scandinavie, boven Schotland en bij IJsIand. De zalm voedde zich daar in zeer voedselrijke gebieden met kreeften en vis. Via de grote rivieren trokken de volwassen zalmen in circa 45 dagen over afstanden tot 900 km naar de beken aan de bovenloop. Het Nederlandse grondgebied werd in circa drie dagen gepasseerd. Tijdens de trek voedden de zalmen zich niet. Bij veel zalmen groeide de onderkaak uit tot een haak. De vissers noemden deze zalmen daarom .Jiakers".

Op weg naar het paaigebied moesten de zalmen vele gevaren doorstaan, zoals vissers, hoge watervallen en vervuiling. Uiteindelijk heeft de bouw van onpasseerbare stuwen de paaigebieden onbereikbaar gemaakt. Waarschijnlijk is dit de belangrijkste oorzaak geweest van het verdwijnen van de zalm uit de Westeuropese rivieren.

Het paaien zelf yond plaats in november-december, soms weI tot in maart. In de snel stromende, zuurstofrijke beken groef de vrouwtjeszalm een paaibed in de kiezelbodem. Dat gebeurde door krachtige, zijwaarts gerichte slagen met de staart. Door heftige spierbewegingen, die gepaard gaan met "geeuwen" en "rillen" , werden de eieren uitgestoten. Het naast het vrouwtje liggende mannetje bevruchtte deze onmiddellijk met zijn homvocht. Na het paaien werden de eieren - circa 30.000 stuks - met kiezel bedekt.

In het met zuurstofrijk water doorspoelde zalmnest ontwikkelden de eieren zich. Na 70 tot 100 dagen kwamen de eieren uit. De larven waren circa 15 mm lang en droegen een grote dooierzak. Daarmee voedden ze zich gedurende circa zes weken.

2. Hierna verlieten de jonge zalmpjes het nest en zwermden uit in de beken. Ais "parr" verbleven zij daar 1 tot 3 jaar. Bij een Iengte van zo'n 15 em werden de zalmpjes zilverkleurig en veranderden in "smolts" . In deze periode trokken zij uit de beken weg, om via de rivieren naar de zee af te zakken. Na een groeiperiode van 1 tot 4 jaar keerden de zalmen terug naar de rivier en de beek waar zij zelfwaren geboren.

Na het paaien traehtten de sterk verzwakte zalmen opnieuw naar zee te trekken. De vissers noemden deze zalmen "hengsten" of "kelts". Ze hadden een grauwe kleur, waren sterk vermagerd en vele stierven onderweg door uitputting en sehimmelziekten. Hun gewieht bedroeg soms nog maar de helft van op de heenreis. Bij vangst bedroeg hun waarde sleehts enkele eenten per pond. De hengsten die de dans ontsprongen groeiden op zee verder uit, tot soms respeetabele afmetingen, alvorens zieh opnieuw voort te planten. Circa 1 % van de zalmen slaagden erin tot driemaal toe aan de voortplanting deel te nemen.

Zalmen bereikten na een groeiseizoen een Iengte van 50-60 em, bij een gewicht tot 3 kg.

De van de zee naar de paaiplaatsen optrekkende zalm werd door vissers als voIgt onderseheiden:

1 groeiseizoen St. Jaeobszalm*

2 groeiseizoen kleine zomerzalm 3 groeiseizoen winterzalm

4 groeiseizoen grote zomerzalm

juni-juli 60 em. mei-september 85 em. november-mei > 100 em. namei >100 em.

2-3 kg. 7,5 kg. 7,5-20 kg. 7,5-20 kg.

De leeftijd werd afgelezen aan de jaarringen in de sehubben. Dit is te vergelijken met de wijze waarop in bomen jaarringen ziehtbaar zijn. Aan de kleur van de huid kon de visser het type zalm en het stadium van geslaehtsrijpheid vaststellen. De vrijwel paairijpe vis was het meeste waard. Het vlees van deze zalmen had een roze kleur.

De kleur van de zalmen in zee varieert van grijsbruin tot grijsgroen, met een zilveren buik en de flanken donker gevlekt. De optrekkende, geslaehtsrijpe zalm had een donkere rug, flanken met een blauwe gloed en een roze buikzijde.

* St. Jacob valt op 23 juni.

IZ-15111m

If/ere n S - &' ;n,yy,

3. In 1852 begon men in Duitsland in Hiiningen met de kunstmatige teelt van zalm; eerst voor binnenlandse uitzettingen, later ook voor de export. De zalmen werden in de Rhone en de Rijn uitgezet in een poging om de zalmstand op peil te houden.

In 1861 werden de eerste zalmeieren uitgezet in Nederlandse wateren, in totaal80.ooo stuks, gekweekt door het Koninklijk Zoologisch Genootschap "Natura Artis Magistra". De kweekeitjes kwamen uit Hiiningen. Dit genootschap ontving van de overheid in 1869 een subsidie van f 5000,-. In 1875 kreeg men zelfs f 12.000,-. Na 1882 werden enkele grote kwekerijen opgericht, te Apeldoorn aan de Zwaanspreng en in Yelp op landgoed "Biljoen". Niet aIle eieren voor de kwekerijen kwamen vanaf in Nederland gevangen ouderdieren. AIle gekweekte zalm werd in eerste instantie weI in Nederland uitgezet.

De verhoogde zalmvangst in 1885 werd zonder meer aan de uitzettingen toegeschreven. In het jaar 1894 werden de meeste zalmen uitgezet, namelijk 7 miljoen. Het blijkt dat koning Willem III reeds rond 1855 op redelijke schaal zalmkwekerijen had in 's-Gravenhage en op Het Loo (volgens rapport Staatscommissie). In 1887 werden in Nederland 7000 zalmen gevangen voor de kweek. Vissers vraegen echter extreem hoge prijzen voor paairijpe zalmen, zeker nadat de zalmstand na 1900 sterk terugliep.

Tijdens de kweek kampte men met ziekten (furunculose) en met schade door ratten en watervogels. Er werd eenjarige zalm uitgezet (smolt) en zesweekse vis (parr). De vis werd gemerkt door afknippen van bijvoorbeeld de vetvin, de achterste helft rugvin en vetvin enz. (zie tekening).

In Ammerstol zijn de volgende gemerkte zalmen gevangen:

1910 8 augustus zonder vetvin, teelt 1907 jacobszalm; 1914 2 mei zonder vetvin, 18 pond grote zomerzalm; 1915 7 mei zonder vetvin, 8,5 pond kleine zomerzalm; 1915 26 juni vetvin + aarsvin, 4 pond jacobszalm;

1915 7 augustus vetvin, 2 pond jacobszalm;

1915 18 mei vetvin + aarsvin 13,5 pond grate zomerzalm.

Vetvin afgeknipt: ' 1907 750 stuks.

Aldus zjn gemerkt m

vin en de vetvin afgeknipt.

V orste helft vaT:. de n~~tti 250 stuks.

Afdns zjjn gemerkt 111 1915 28762

in en de vetvin afgeknipt.

If yau de rugn . . k

:lchter,te )18 t k ' 19()~ 1 Cl50 stu'S.

Aldus zJn gemerkt m 1008 20360 n

1009 23 286 n

Hila 12688 1911 H 551 1913 89 1914 6652

4. De zalmsteek.

De zalmsteek bestond uit een rij schuttingen van lange palen met vlechtwerk ertussen, met een maximumlengte kleiner dan de helft van de breedte van de rivier.

De palen 0 zijn 15 em rond en staan 2 a 3 meter uit elkaar. De eindpaal ® droeg's naehts een mand met een lantaarn als baken voor de seheepvaart. De tussenvleehtwerken ® waren van rijshout of latten, ongeveer een vinger dik, door vleeht- of wiepbanden verbonden. Het reikte van de rivierbodem tot een redelijk hoge waterstand. Aan het einde (midden van de rivier) kwam een fuik, bij een grote steek plaatste men meer fuiken (2-3) met een maximum van 7 fuiken. Bij elke fuik kwam een dwarsvleehtwerk @.

De zalm zwom stroomopwaarts, stootte tegen het vleehtwerk, zoeht op dieper water naar een opening, stootte dan tegen sehot @ en zwom zo de fuik in. Bij Ammerstol moet men ook met de steek gevist hebben. Het werd meestal gedaan als de grote zalrnzegenvisserij stillag (na 15 augustus). Men deed het zolang het 10nend was. Werd er weinig zalm gevangen, dan riehtte men de steek in voor paling.

Verboden was het te vissen:

a. daar waar vloed gaat tussen het tijdstip van het eerste laag water na zaterdagavond 6 uur en het tijdstip van het tweede daarop volgende laag water;

b. daar waar geen vloed gaat tussen zaterdagavond 6 uur en zondag 6 uur.

Bij Ammerstollagen de zalmsteken juist oostelijk van het Snackert-terrein, direct op de hoek van de dijksloot. Deze moest weer afgebroken worden als de grote visserij begon. Ook reeht voor het huis van Piet Kok was een steek (huisnr. 208 in de bovenstad).

In 1891 kreeg P. Blanken Jz. vergunning om van 15 augustus tot 15 oktober 1892 met de steek te vissen. Een zalmsteek kostte in 1914 f 130,-.

- _ J.,-/;;,Ylj

riC

~

..t:? .--

..---

5. Vlouwvissen.

Drijfnetten of vlouwen waren driewandige netten. Het hoofdnet was het middelste want. Dit had de nauwste mazen. De beide buitenste netten hadden wijdere mazen, ook wel "ladders" genoemd. Met vloten van hout of kurk aan de bovenreep en lood of steen aan de ondersim liet men deze netten stroomafwaarts drijven. De grote kunst was om de netten die 2,5 m diep waren op de juiste manier afte stellen, zodat ze vlak boven de rivierbodem zweefden (circa 35 em). Maar ook onder een hoek van 45 graden, zodat de zalm door het voorste net zou opstijgen.

Voorsehriften voor een drijfnet:

- voor en aehterwant mazen minimaal12 em, maximaal25 em;

- vanhout tot loodreep niet langer dan 2,5 m (hoogte);

- ze mogen niet vast worden gezet (aan de wal);

- afwerpen op korte afstand dan de dubbele lengte van het langste net was verboden.

Het was verboden te vissen van zaterdagavond 6 uur tot zondag 6 uur.

In Ammerstol is het langst met de vlouw gevist door Thijs de Jong. Hij viste ondere anderen met neef Aart de Jong (geboren 1896). Thijs was een vakman, vertelde Aart. Wanneer ze samen gingen vissen zat Aart aan de riemen. Hij moest heel voorzichtig manoeuvreren, zodat de boot niet in de zegen kwam, anders kreeg hij een snauw of een grauw. Onder het drijven hoorde Thijs wanneer er een zalrn in het net zat en zei dan: "We gaan halen." Altijd zat er dan een zalm in. Meestal werd er's naehts gevist, omdat de zalm het net dan moeilijk kon zien. Er stond dan een lantaarn op de ton en een op een uitbouw van de boot.

De zalm moest op Ammers worden afgeslagen. Men had netten in eigendom of men kon ze huren, onder anderen bij Kees v.d. Loos.

De opbrengst werd als voIgt verdeeld: 1;3 voor de visser, 1;3 voor de verhuurder en 1;3 voor de verpachter. Wanneer er niets werd gevangen, kreeg geen van de partijen iets.

Bij vioed viste men aan het wateroppervlak, omdat alle obstakeis door de sterke stroom riehting zee staan. Anders zou het net immers vast Iopen op de bodem.

Men deed ook aan kant vissen, waarbij de zegen aan een zijde aan de wal bleef (eigenlijk was dat verboden).

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek