De Zalmvisserij van Ammerstol in oude ansichten

De Zalmvisserij van Ammerstol in oude ansichten

Auteur
:   J.C. Blom
Gemeente
:   Bergambacht
Provincie
:   Zuid-Holland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4792-7
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'De Zalmvisserij van Ammerstol in oude ansichten'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

11. Op deze foto zien we het stoombootje "De Snackert", komend van "de haal" (het punt waar het net op de wal gehaald wordt), uitvaren om de zegen te "schieten" . Juist links aehter de boot de paardekeet. Onder langs bij het water de besehoeiing zoals ze nu nog op sommige plaatsen te zien is.

Het terrein van "De Snaekert" heeft in het verleden verder gelopen dan het huidige Zanen- Verstoepterrein (zie foto 6). De buitenlanden oostelijk van de dijksloot werden gepaeht.

In 1897 golden de volgende paehtprijzen per jaar:

A. de Jong j 10,-; A. Zanenf 20,-; P. de Jong j' 25,-; wed. Verschoor f 20,-; Natzijlf 25,-; G.A. Dubbeldamf 90,-.

Er lag een brug over de dijksloot naar het land van Dubbeldam. Doordat de visserij goede jaren doormaakte daeht hij de huur steeds op te kunnen drijven. Uit de notulen van de raad van eommissarissen blijkt dat zij van deze situatie afwilden.

In 1898 overwoog men de volgende oplossingen:

A. een kade voorlangs de buitenlanden aan te leggen naar't Snackert-boomgaardje (achter het Gebouw), kosten f 15.000,-;

B. een kabel voorlangs de buitenlanden naar het land van de weduwe Verschoor, die de huur best kon gebruiken;

C. het plaatsen van een spil op de meest oostelijke punt, net voor de dijksloot; van hieruit een 400 meter

lange reep uitvaren. Na het schieten voor het dorp deze op de spil in te halen.

Men besloot voor de laatste oplossing, omdat er nog een ongebruikt spil aanwezig was.

Was de zegen teruggedreven tot de hoek van het visserijterrein, dan werd deze door de ka-loper overgezet op het spoor, waarna de gehele zegen kon afdrijven riehting haal,

12. Op deze foto zien we het stoombootje, met het zegenschip en de twee zinkboten, langs de wal richting dorp Ammerstol varen. Het zegenschip was circa 9 m lang en 2,8 m breed. De zegen is circa 365 m lang en 10,5 m hoog, de bovenste reep heeft houtblokken ofkurken, de houtreep genoemd. De onderste reep, verzwaard met zegenstenen, heet de steenreep. Een zegen bestaat in de lengte uit aan elkaar geknoopte "stellen" van 150 mazen van 13 x 13 em, een stel is dus 20 m lang.

Men behoefde voor reparatie dus geen complete zegen aan wal te brengen, maar men kon een "stel" naar de boeterskeet brengen ter reparatie. De houtreep was aan beide einden verlengd met een 400 m lange reep (het doel daarvan zal in het vervolg duidelijk worden, zie ook foto 11).

Een deel van de zegen had fijnere mazen van 9 a 10 em. Dit werd de kuil of streek genoemd. In de tijd dat men jaeobszalmen kon vangen werd de kuil vervangen door "kuikennetten" met mazen van 6,5 em. Jacobszalmen noemde men ook weI "kuikjes" .

De gehele zegen zal dus uit zo'n 18 delen hebben bestaan. Een "staai" noemt men de lengte van drie mazen, de kurken aan de houtreep zaten twee "staaien" uit eikaar, dus om de zes mazen, zo ook met de zegenstenen.

Een zalmzegen kostte in de jaren 1900 tot 1916 f 700,-.

De gehele zegen bestond uit drie delen, de aehterzegen (deel aan de waI), de kuil en de voorzegen, dit was het deel aan de andere zijde van de rivier. De kurken koeht men bij de firma L. van Hilst, 1000 stuks voor f 80,05.

Uit de rekeningen blijkt dat P. de Bruin (baas op de visserij) een net breide voor een gulden.

Vj~s('herijbootje met Zeuen chip.

13. Hier steekt "De Snackert" juist van wal, het zegenschip en de twee zinkboten meevoerend. De zegen wordt nu "geschoten" , dus uitgezet. De plaats van deze oversteek is precies op de grens van het viswater van "Nassau la Lecq", dat zich uitstrekt van .Het Herpertshoofd" of .Herbaren", tot aan de sliksioot bij Boines. Het Herpertshoofd bevond zichjuist haaks op de Ammerstolse kerk de Lek over. De naam Herbaren is ontleend aan een van de heren van Arkel omstreeks 1255 (Herbaren II was in 1253 heer van Bergambacht), die deze naam droeg en zal te maken hebben met een oude grens tussen Holland, Brabant en Utrecht.

Deze grenzen wijzigden zich toen in korte tijd vanwege de agressieve houding van de toenmalige heersers en de strijd tussen Holland, Brabant en Utrecht, maar ook beleningen en beleningen in de derde macht, door de graven van Holland.

Terug naar het vissersgebeuren. De zegen wordt over de gehele breedte van de Lek uitgesehoten. Het einde dat zieh het diehtst bij de Ammerse wal bevond, was met een lange reep van 400 m verbonden met het spil op de meest oostelijke punt van het Snaekertveld. (Zie plattegrond foto 6.)

Voorop het zegensehip staat de "steenbaas", voor de steenreep; die had de leiding over het gebeuren op de rivier, zelfs de stuurman van het stoombootje moest zijn orders opvolgen, De man aehterop het zegensehip was de man voor de houtreep.

De steenbazen zetten om de beurt een zegen uit en tijdens de rustpauzen moesten zij kleine reparaties doen aan de netten. Een van de Iaatste steenbazen was Pietje Plas, aan de houtreep stond Gerard Brand Jzn.

Op de aehtergrond Groot Ammers; het witte huis is het veerhuis. Juist links van dat witte huis mondde vroeger het riviertje de Ammer uit, dat via Ottoland langs Gorkum naar de Waal doorliep.

14. Aan boord van "De Snackert" (zie foto 13) zien we vijf man personeel: een stuurman, machinist, dekknecht en twee zinkers. Op de rivier waren steeds zeven man aan het werk. Het personeel op de stoomboot had 12-uursdiensten.

Zaterdagsavonds, wanneer de visserij stillag, moesten zij de ketel schuren en pakkingen nakijken, zodat de boot weer vaarklaar was.

De machinist had de speciale taak om de boot op zondagavond 6 uur op stoom te hebben, zodat mete en uitgevaren kon worden.

Zo kalm als de rivier er op dit plaatje bijligt, was het lang niet altijd. Stelt u zich maar eens voor: vissen bij een koude harde westerstorm, golven van bijna een meter hoog. Dan werd met de blote hand de zegen geschoten, dan moest er flink aangepoot worden en hadden de knoestige, eeltige handen veel te verduren van bet overkomende koude water en het rowe touw. Maar juist bij deze felle westerstorm werd het water naar boven gezwiept en werd er veel gevangen.

Vele oude Ammersenaren zullen zich het geroffel van de zegenstenen op de schuit in de nacht herinneren, een geluid dat over het gehele dorp te horen was. Velen waren dan met hun gedachten bij de vissers.

Voor de goede orde moeten we stellen dat bij opkomend tij of stilstaand water niet werd gevist.

Op Ammerstollegde men dan de zegen uit over de breedte van de rivier, om de zalm tegen te houden. Dit tot grote ergernis van visserijen bovenuit (Tienhoven). Men ving daar dan geen graat, totdat dit "De Snackert" werd verboden.





15. We zien hier het stoombootje rustig voor stroom terugdrijven naar de visserij. De zegen, het zegenschip en de beide zinkschepen, alles drijft rustig mee. De opkomende zalm echter blijft nu voor het net. Op de achtergrond links zien we de bocht in de dijk met de hoge lindebomen van Ammerstol, waar zich ook de zalmmarkt bevindt.

De zinkers zullen in actie komen als het zeilscheepje juist voor het dorp over de zegen heen moet. De "houtreep" wordt dan namelijk afgezonken door middel van een blok gietijzer met een haak.

Het was de kunst om de houtreep zover af te laten zinken dat de boot er juist overheen kon varen, zodat ook de zalm niet kon ontsnappen.

De zinkschepen waren wit geschilderd, het scheepvaartverkeer moest tussen de zinkschepen doorvaren. Met de platbodems met zeilen waren er zelden problemen, in latere jaren echter kwamen er schepen met schroeven, vergiste men zich dan in de diepte zodat de houtreep in de schroef kwam, dan werd God menigmaal verkeerd aangeroepen. Gezamenlijk, door schippers en zinkers, werd de boel toch weer geklaard; de zegen zal echter menigmaal op die manier beschadigd zijn.

Tijdens het afzinken maakten de zinkers hun boot vast aan de houtreep. Het blok gietijzer met haak werd over de houtreep gehangen, de zinkers zonken de reep af door een touw aan het blok, zodat ze het ook weer door middel van dat touw op konden halen.

De taak van de zinkers werd als voIgt omschreven: Naast het afzinken van de zegen, moesten ze 's nachts ook de kolenbakken vol scheppen, bij koud weer hadden zij dan de mogelijkheid om zich bij de stoomketel te warmen.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2020 Uitgeverij Europese Bibliotheek