De Zalmvisserij van Ammerstol in oude ansichten

De Zalmvisserij van Ammerstol in oude ansichten

Auteur
:   J.C. Blom
Gemeente
:   Bergambacht
Provincie
:   Zuid-Holland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4792-7
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'De Zalmvisserij van Ammerstol in oude ansichten'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

16. Terwijl de zegen voor de stroom "beneden uit" drijft, van het dorp naar de visserij terug, wordt de uitgevierde lijn van 400 m, die langs de wallag op het spilletje bij de boeterskeet ingehaald. De daarvoor aangestelde man had verseheidene namen, blokmaehinist, ka-Ioper ofingman. Dit laatste is een verbastering van eindman. (Ingman is dus Ammers dialect.) Deze taak was meestal voor een oudere visser, een rustige baan aan de wal. Hij had een hulpje, "slampamper" genoemd, meestal een Ie erling-visser, Was de achterzegen dus bij het spilletje aangekomen, dan werd deze aan het "spoor" vastgemaakt door middel van een haakblok, waarsehijnlijk met een rol er in. (Vandaar de naam blokmaehinist.) Ret spoor liep langs de wal over de hele lengte van het terrein tot aan de haal. Ret bestond uit 8 em breed platijzer, dat op lage paaltjes rustte en er zo voor zorgde dat de achterzegen gelijke tred hield met de voorzegen aan de overzijde van de rivier. De zegen lag met een lichte boog in de rivier, de zegenstenen sehraapten over de bodem. Soms ging de zegen te snel, dan moesten ze aan de wal door middel van een touw om hun middel afremmen. Soms moest de achterzegen sneller gaan, dat gebeurde dikwijls door een paard mee te laten trekken. De lezer kan zich voorstellen dat een zegen van 365 x 10,5 m een enorm gewieht had.

Bij de paardekeet aangekomen, zette men de zegen weer vast aan het spoor en liet men afhankelijk van waar gevist werd, op eerste of tweede haa! de reep weer uitvieren of hield men hem kort.

Op de foto reehts het spoor langs de walkant, links de paardekeet.

De taakomsehrijving van de ka-lopers was, dat ze de zegen uit moesten brengen, de steenkoolbakken voor de stoomboot moesten vullen en op de wal dragen, daarbij het spoorblok naar boven dragen (riehting dorp). Opmerking: de tweede haal werd hoofdzakelijk bij hoog water gebruikt.

17. Was de zegen in zijn totaal ter hoogte van de paardekeet aangekomen, dus nog steeds over de gehele breedte van de rivier, dan gaf de steenbaas opdracht aan de stuurman van "De Snackert" om over te varen. Op welk moment dat gebeurde hing van een aantal faktoren af, zoals weersgesteldheid, stroomsnelheid enzovoort.

De kapitein gaf dan een stoot op de stoomfluit en voer zo snel als mogelijk naar de grote spil, de reep van 400 m afvierend (hij nam dus niet de zegen mee, daar was de boot niet sterk genoeg voor). Bij de wal werd deze snel overgenomen en aan het spil gezet, op de onderste, dus grote cirkel.

Nu kwamen de .Jierders'?" met de paarden in actie, deze brachten de spil in beweging. Het eerste deel van de zegen liep meestal vrij soepel naar binnen. Zoals op de foto is te zien, moesten de paarden goed getraind zijn in het over de reep stappen. Naarmate de zegen dichter bij de wal kwam werd het zwaarder en werd het "verzet" kleiner gesteld, dus naar de bovenste ringen. De paarden moesten nu hoger stappen en zwaardere arbeid verrichten, totdat het andere eind (de voorzegen) de wal bereikte en voor stroom tegen de wal zakte. Op de foto staan de paarden uit te rusten van de korte maar hevige inspanning die ze geleverd hebben. De zegen ligt aan de wal, men ziet de reep duidelijk op de bovenste kleine schijf zitten.

Op deze foto de bazenkeet; hier hing een afbeelding van een Ammerse zalmvisser Jan Kuiper bijgenaamd "Jan Praktiseer", geboren 1638 te Ammerstol, gestorven 1750 in het Riots Gasthuis te Utrecht. Hij had uit twee huwelijken 22 kinderen, wat hem veel te prakkiseren gaf, aldus Teun de Graaf (zie inzet).

Op 4 juli 1891 had J. Starn nog f 58,- tegoed vanwege het beslaan van paarden, Aart Zanen f 24,55 we gens reparatie aan het paardetuig.

* Herder was geen officieel in de boekhouding voorkomende functie.

18. Op deze foto ziet men de zegen duidelijk vanaf de paardekeet in een boog voor de kant liggen, de bocht ligt nu voor de eerste haal. De voorzegen, die nu nutteloos tegen de kant ligt, wordt opgevlouwd door twee man. Twee lijntjeshouwers hebben hun lijn uitgeworpen naar de achterzegen (een lijn loopt juist voor het zegenschip naar de wal).

De bouw van het zegenschip is hier duidelijk te zien; ongeveer 213 van het schip is vlonder, waar de zegen op wordt opgevlouwd.

Links zien we het motorhuis, hierin stond een petroleummotor. Deze machine moest de paardespillen vervangen. Dit lukte niet, omdat men niet de mogelijkheid had de reep te laten slippen, de motor hield een constante spanning op de reep, waardoor deze bij enig obstakel afknapte. Bovendien vervuilde de motor te snel. Met de paardespillen had men veel meer "gevoel" op het gebeuren. Deze machine stond er dus volkomen nutteloos bij. Duidelijk te zien zijn de zeer zware muren waarop het machinehuis was gebouwd, ongeveer een meter dik.

In een uitgavenoverzicht uit 1891 werd duidelijk dat H.L. de Jong en J. van der Wouden reparaties hadden gedaan aan de zegenschepen; zij hadden nog een tegoed van f 20,-.

Toen werd door de firma Otto Oomsijzer en arbeidgeleverd vooreen bedrag van f 11,45 en doorW. Ooms hout voor f 34,53.

Dat jaar kreeg K. Zwartbol f 10,-, voor vletloon voor twee vrachten grond en voor reparatie aan de walkant.

19. Hier een blik op de haal. U ziet, van links naar reehts, de volgende personen: P. Versluis, Willem Blanken, Huibert v.d. Dool, Piet de Bruin (baas), A. Looren de Jong, A. v.d. Werken (zit), M. v.d. Kuil, Huib Looren de Jong, E. Maasland, Jan v.d. Wouden en Aart de Jong (haalbaas).

Links staat een kleine spillangs het spoor. Hiermee werd de reep van de aehterzegen opgedraaid, die door de ka-Ioper en zijn maat hier naar toe is gebraeht. Met deze spil werd het einde van de aehterzegen naar de haal getrokken. Dat is hier inmiddels gebeurd. De man aan de spil staat hem nu af te winden. De aehterzegen ligt nu voor een groot deel op de haal, de zegen wordt zo verdeeld, dat de kuil de laatste U is die leeggevistwordt.

Tussen de mannen door ziet men het zegenschip liggen, boven bij de paardekeet ligt er nog een gereed om weer uitgevaren te worden. Men mocht niet met meer dan twee zegens tegelijk vissen, maar een zegen die met "een been" tegen de wallag werd als niet vissend beschouwd. Dus nadat de "De Snackert" de reep aan wal had gebraeht, voer hij onmiddellijk weer uit met een nieuwe zegen om deze wederom te schieten.

De "hoalboas" moest met twee garenhalers elk half uur een uithalen. Dat betekende dat ze elk half uur een zegen op moesten halen.

Garenhalers waren vissers die het middendeel van de zegen .Jraalden". De bazen van "De Snackert" hadden allemaal een winkeltje; de vissers kochten in de gesloten tijd op krediet bij hun baas. Ze moesten dan heel lang werken om weer "glad" te komen bij hun baas. Met handen en voeten waren ze zo aan de visserij gebonden.

20. Nogmaals een blik op de eerste haal. Van rechts naar links: Piet Blanken, A. Heynis Hoofdman (boekhouder), een onbekende en Piet de Bruin.

Hier wordt de achterzegen opgehaald, men ziet duidelijk de kurken aan de houtreep. Op de achtergrond zien we het bunschip, waarin de vis een nacht wordt bewaard. Tussen de mannen door nog net de loopbrug naar het bunschip, dat hier vast verankerd lag.

Naast de bazen ziet men dus acht vissers aan het werk. In vroeger jaren, toen de vissers nog geen vast loon hadden, hieven zij een danklied aan bij elke 25 gevangen zalmen.

Wij moeten Uwen lof uitgalmen en loven U 0 Heer,

Voor deze vijf en twintig zalmen En 't aangename weer.

o leer ons dankbaar voor U leven, Bestuur in gunst ons lot,

Loot dat geloof ons nooit begeven, Dat Gij zijt liefde, 0 God.

Zo hiefmen een couplet aan, wanneer 50,75,100 en 125 zalmen waren buit gemaakt. Het laatste couplet was als volgt:

Een honderd vijf en twintig visschen Die allen zalmen zijn,

Gevangen zonder hindemissen, Maakt onzen loon niet klein.

Veel geld is thans door ons gewoonen, Dit maakt den arbeid zoet,

0, dat wij steeds gelooven konnen, Dat Gij, 0 God, zijt goed.

Men kreeg in deze jaren per gevangen vis uitbetaald. Indrukwekkend moet dit zijn geweest op een stormachtige avond, wanneer bij het licht van enkele stormlantaarns de ruwe, bonkige kerels dit gebed aanhieven, zoals Zanen schreef. Jammer, dat er geen Hollandse schilders dergelijke taferelen vastgelegdhebben, het zou de moeite waard geweest zijn.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2020 Uitgeverij Europese Bibliotheek