De Zalmvisserij van Ammerstol in oude ansichten

De Zalmvisserij van Ammerstol in oude ansichten

Auteur
:   J.C. Blom
Gemeente
:   Bergambacht
Provincie
:   Zuid-Holland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4792-7
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'De Zalmvisserij van Ammerstol in oude ansichten'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

26. Deze foto is eigenlijk een prachtig document, genomen bij de zalmhandelaar A. van Noortwijk, dus naast het huis op Lekdijk 154 midden in het dorp.

U ziet, van links naar rechts: Jan Sprik met dochter, Jan Visser met twee zoons en Jurrie Faas, zalmsnijder en veerman. Op de tafel de gesneden zalm, de kleine mandjes op de tafel zijn motenmandjes. Jan Sprik staat met een zalm in zijn hand.

Rechts onder de gesneden zalm in de mand. Onderin werd stro of riet gedaan, dan ijs met daarop de zalm, alles weer afgedekt met ijs en stro. De zalmmand op de kruiwagen staat klaar voor verzending. Voor het verpakken moest het ijs fijn geslagen worden. Naast Jur Faas een grote bos stro.

Verder zien we dat het achterste deel van het huis van hout was; verder naar rechts begon de ijskelder waarop we in foto 28 terugkomen.

Zalmhandelaren in het dorp waren: A. van Noortwijk, Jan Sprik, Dirk de Jong en Dirk Blanken.

Men had op de Ammerse zalmmarkt kopers en handelaren voor eigen rekening, maar ook commissiekopers, die voor de grote zalmhandelaren op het Kralingse veer kochten. Zo betaalde A. van Noortwijk op 22 augustus 1891 f 5657,- voor 916 zalmen en voor vijf elften f 3,05 en voor een steur f 10,50 aan Nassau la Lecq.

Op 12 september 1891 betaalde hij f 6877,40 voor 1392 zalmen. Deze gegevens komen uit staten, gemaakt door hoofdman-boekhouder A. Heynis. Drie generaties Heynis hadden deze functie.

Nassau la Lecq nodigde op 30 november 1893 de aandeelhouders uit tot het bijwonen van een gewone algemene vergadering. In de uitnodiging werd medegedeeld dat 5VlO% dividend uitgekeerd zou worden, of f 51,- per heel aandeel.

De netto winst beliep datjaar f 54.722,22. De vangsttabel bij foto 22 geeft aan dat in 1892 en 1893 de meeste zalm werd gevangen.

27. Op deze foto Jurrie Faas, de zalmsnijder, die voor de firma Van Noortwijk werkte. De afmeting op de foto laat duidelijk zien wat een machtig mooie en grote vis dit was. Direct na de markt werden de vissen snel naar de snijderij gebraeht, waar ze werden "geslacht" door de zalmsnijder. Met het grote zalmmes werden de ingewanden emit genomen, daarna werd met "een goed oog" de zalm in de juiste stukken met het juiste gewieht gesneden. De plakken of schijven werden dan enige tijd in een bak met "ijskoud" water gelegd, daardoor verkreeg men "gekrompen zalm" , dit was de fijnste kwaliteit. De Rijnzalm liet in dat opzicht aIle eoneurrentie ver achter zieh.

Wat was de beste zalm? Hoe rijper de geslachtsdelen, hoe minder de "vlees"-kwaliteit? De winterzalm (november-mei) was de beste kwaliteit, met een gewieht tot 50 pond. De prijs lag in 1910 op ongeveer f 5,30 p.p. De jaeobszalm braeht eehter maar f 1,- p.p. op.

.Het neusje van de zalm" is een fabel, het beste deel zit gewoon in het midden. De fijnste kwaliteit was bestemd voor de zalmrokerij.

De orders uit binnen- en buitenland, die daags ervoor waren binnengekomen, moesten snel worden uitgevoerd. Er waren orders uit aIle omringende landen, tot aan Zwitserland toe.

Binnenlands gingen de orders meestaI in .motenmandjes'' verpakt met ijs. ZoaIs reeds in mijn vorige boekje beschreven, was er een enorme bedrijvigheid op het postkantoor, waar telegrammen met prijsopgaven uitgingen en de orders binnenkwamen. Toen aI had de telefoon een zeer belangrijke funetie.

Er was in ons dorp een enorme bedrijvigheid onder de mensen; enkele nevenbedrijven komen verder in het boekje nog ter sprake.

28. Nogmaals een overzicht van de bezigheden op de haal, de vissers halen de zegen in, de bazen houden toezicht. Rechts staan twee "krammers" , die zich bezig hielden met het bekleden van de haal. De bossen stro werden met krammen vastgezet, de krammers deden dat met een stalen plaat, die met riemen om hun middel was vastgemaakt. In de plaat zat een holling, daarin paste een stuk rondhout dat weer als verlengstuk diende op een stuk ijzer. Dat stuk ijzer had weer een holling voor de kram. Zo konden de krammen met de borst in de klei gedrukt worden.

Kinderen in het dorp kregen vroeger vrij van school, om eten te gaan brengen bij vader of broer op de visserij; het was niet toegestaan dat de vissers thuis gingen "schaften".

Stienekee Brand vertelde, dat ze als kind op de spil zat te wachten of er wat eten overbleef, dat smaakte dan geweldig lekker.

Het eten werd gebracht in blauwe keteltjes, meestal .Jnitspot" of "prak"; ook ging er een keteltje pap mee. Tussendoor mocht men niet "schaften". Dan kon men tussen de bedrijven door eten uit een "stikkezak" of door snel te wisselen met een maat.

Stienekee diende later bij een zalmhandelaar, zij heeft daar echter maar een keer zalm gegeten, zonder dat ze het wist. Ooit had ze rose vlees gegeten, later werd haar verteld dat het zalm was. Overigens vond ze het wellekker.

De laatste trek voor laag water werd voor het personeel gedaan; dan werd een fijnmazig net in de kuil gezet en werd er bliek, elft en spiering gevangen, die het personeel mocht meenemen als aanvulling op het loon, aldus Gerard Brand.

Er werden soms ook lijken opgevist. Aart de Jong viste bij de "Prins Hendrik" te Schiedam. Op zekere dag trof men een lijk geheel verward in de zegen. Tijdens het bevrijden van het lijk schoot plotseling een arm los en sloeg een visser midden in het gezicht. Waarop deze lakoniek zei: "Mot je me nou nog sloan ok."

Riep men tijdens het vissen "tonnetje mijn" , dan was hetgeen in de netten zat voor de betreffende visser die dat het eerste riep. Zo viste men regelmatig zaken op die van schepen spoelden tijdens de storm.

29. Hier zien we de boeterskeet aan de Oostzijde, op de achtergrond de Lekdijk. Van links naar rechts:

Driek Looren de Jong, Baan de Graaf, Jan de Jong (bijnaam Jan den Boeter), een onbekende en Johan de GraafPz.

Aan de westzijde stond "de Hang", een aantal palen met spijkers, om de netten aan te hangen. Men is hier op de foto waarschijnlijk een fuik voor een zalmsteek aan het maken. We moeten aannemen dat er hier ook wel netten voor andere visserijen geboet werden, te meer daar er altijd vier boeters aan het werk waren. De meeste vissers begonnen als boeter. Zij moesten op hun 12e jaar aan het werk. Pas als ze 17 jaar waren mochten ze in de nachtploegen meedraaien.

Net achter de schuur staat de "taanketel". Dit was een grote ijzeren bak op een stenen muur, zodat er een vuur onder gestookt kon worden. Het water werd verwarmd, daarna gingen er grote blokken taan in. Wanneer het enigszins afgekoeld was, werden de netten er ingedompeld opdat ze geheel doortrokken waren van de taan, zoals een ieder zal begrijpen tegen verrotting van het net. De taansoorten waren: wilgebast of eikeschors (oud middel); eikeschorsextract; cachou (40-70 gr. per liter koken en over de netten gieten); carboleum (bezwaar: vuile handen, vuile kleding); tanol (lost in water op) en cromeren met bichromaat (1 kg. per 100 liter).

Reparatie aan het metselwerk onder de taanketel werd gedaan door A. v.d. Hee, die op 15 augustus 1891 nog een gulden tegoed had voor gedane arbeid.

30. Hier een van de weinig bewaard gebleven plaatjes van het ijs vissen, op de sloot naast de oude school. De sloot links liep door tot aan de Capellelaan en kruiste de "kerksloot". De kerksloot liep vanafhet oude kerkhof rechtuit noordwaarts tot aan de Wetering. Een deelloopt nu nog langs het voetbalveld oostzijde. Ging men achter deze mannen de sloot uit dan kwam men bij de nog steeds bestaande brug over de Achterweg. Men zou dus op dit moment van de hoek van de tennisbaan naar deze mensen kijken. Ret huis is Achterweg nr. 30.

Zodra koning winter om de hoek van de deur kwam kijken en er lag 4 tot 5 em ijs, werd er onmiddellijk ijs gevist. Naar verluidt zou het vroege ijs het beste zijn. De ijsvissende mann en echter kregen vele verwensingen naar het hoofd, omdat de schoolgaande kinderen graag wilden schaatsen. De lezer kan nagaan dat de sloot volledig gerumeerd was voor de schaatsliefhebbers, zelfs als hij weer dichtgevroren was.

In deze jaren werd er veel in het dorp geschaatst, zo heeft de samensteller ook leren schaatsen op de "kerksloot". Op ingevroren schouwen kon je dan lekker zitten om je schaatsen onder te doen en tussen de huizen kon je meestal uit de wind schaatsen.

De ijsvissers sloegen het ijs met lange houten hamers kapot. Grote manden werden dan met een schepnet volgeschept, daama naar de ijskelder gevaren. Op de foto, van links naar rechts: Leen v.d. Werken, Aart de Jong en Piet de Leeuw den Bouter sr.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2020 Uitgeverij Europese Bibliotheek