De molens van Amsterdam in oude ansichten deel 2

De molens van Amsterdam in oude ansichten deel 2

Auteur
:   mr. J.H. van den Hoek Ostende
Gemeente
:  
Provincie
:   Noord-Holland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-1994-8
Pagina's
:   144
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'De molens van Amsterdam in oude ansichten deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

INLEIDING

Voor algemene opmerkingen over molenfoto's van Amsterdam kan volstaan worden met een verwijzing naar deel 1, evenals voor de verantwoording van de tekst. Daardoor is hier meer ruimte om een en ander over de houtzaagmolens mede te delen.

Korte geschiedenis van de Amsterdamse houtzaagmolens V66r 1627 werd in Amsterdam vrijwel alleen met handkracht hout gezaagd. De houtzagers oefenden hun beroep uit op bruggen en grachten en ook op kerkhoven. Zij werkten altijd paarsgewijze: de een staande onder, de ander op een op schragen geplaatste balk, samen de lange handzaag op en neer trekkend. Voor zover zij voor de scheepsbouw werkten vond men ze vooral in de Lastage, de voor de industrie ingerichte buitenwijk, die sinds 1512 door de Montelbaanstoren tegen aanvallen over de Zuiderzee beschermd werd,

De rosmolen van Frans van Bouckelwaert, die van 1594 tot 1597 bij het Leprozenhuis gestaan heeft, en de windmolen, waarmee twee Zaandammers omstreeks 1614 aan de Amstel vuren balken gezaagd hebben, deden weinig afbreuk aan het monopolie van de handzagers. Het was echter niet zo, dat voor 1627 te Amsterdam bijna alleen met de hand gezaagd hout gebruikt werd. Uit de Zaanstreek en Waterland werd op windmolens gezaagd hout sinds het einde van de zestiende eeuw over het IJ aangevoerd. Tegen die concurrentie konden de handzagers niet op. Houtkopers die wei zes of acht paren zagers in dienst hadden gehad, hadden later aan een paar genoeg, Handzagerij loonde niet meer en het handzagersgilde werd in 1627 opgeheven.

De Amsterdamse houtkopers besloten drie jaar later een compagnie te stich ten voor het oprichten van houtzaagmolens, onder de voorwaarde, dat het stadsbestuur de invoer van gezaagd hout zou verbieden. Tevens zou de stad gunstig gelegen terreinen ter beschikking moeten stellen om de houtzaagmolens op te bouwen.

In 1631 en 1632 werden de gevraagde bepalingen tegen het buiten Amsterdam laten zagen van hout en tegen de invoer van gezaagd hout afgekondigd, Vervolgens richtte het stadsbestuur buiten de Haarlemmerpoort en de Regulierspoort, gronden die gunstig gelegen waren bij de heersende zuidwestelijke windrichting, tot molenwerven in. Door de compagnie van zaagmolenaars werden daarop molens gebouwd, maar de gronden bleven stadseigendom. In 1639 viel de compagnie uiteen en reeds eind 1638 sloten burgemeesters met individuele houtzaagmolenaars overeenkomsten omtrent het gebruik van molenwerven. Er waren .er twaalf buiten de Singelgracht tussen Haarlemmerpoort en Raampoort en zestien buiten de Regulierspoort, die als "vrije molenwerven" werden beschouwd. Voor deze zou geen huur verschuldigd zijn zolang er een houtzaagmolen op geexploiteerd werd. Op deze achtentwintig molens komen we verderop nog in het bijzonder terug. Sinds 1653 was het toegestaan om woningen bij de molens te bouwen.

Aan het einde van de zeventiende eeuw telde Amsterdam ruim tachtig houtzaagmolens. Ondanks dit grote aantal molens bleef de invoer van gezaagd hout, vooral uit de Zaanstreek, bestaan. Dit werd gewettigd door consentbriefjes. In 1694, 1695 en 1696 leverden Zaanse houthandelaars bijna

25.000 bladen van diverse houtsoorten aan Amsterdam. Hoewel de Amsterdamse houtzaagmolenaars zich in 1695 in een gilde verenigden, konden zij deze invoer niet tegengaan. In mei 1697 werd de invoer van wagenschot, dunne eiken planken die vooral in de scheepsbouw gebruikt werden, vrijgegeven.

Volgens een notariele akte uit 1746 waren in het begin van dat jaar aan negenendertig molens in totaal 27.328 stuks gezaagde dennenhoutwaren in voorraad. Gedurende de achttiende eeuw werden de verbodsbepalingen tegen de invoer van gezaagd hout verscheidene malen aangevuld en opnieuw vastgesteld. In de Franse tijd werden de gilden afgeschaft en vrijheid van bedrijfsuitoefening erkend.

De Amsterdamse houtzagerij kon de concurrentie echter best aan. In 1816 werkten op 82 houtzaagmolens 328 arbeiders tegen een weekloon van vijf ii zes gulden. Er werd voor binnen- en buitenland gezaagd en het gezaagde hout werd door het hele land verhandeld.

De kostenfactor was in Amsterdam kennelijk zo gedrukt, dat de houtzaagmolens, in tegenstelling tot de korenmolens, geen terrein verloren. In 1855 verdienden de arb eiders op de zaagmolens een weekloon van vijf ii zes-en-een-halve gulden, met genot van vrije huishuur en brandstoffen. In dat jaar ging het de houtkopers bijzonder goed, omdat ten gevolge van de sluiting van de Russische havens aan de Oostzee in verband met de Krimoorlog geen planken van daar werden aangevoerd.

Juist to en deed de stoommachine bij de houtzagerij haar intrede. Er was reeds eerder gepoogd om stoomhoutzagerijen

op te richten. Zo had in 1840 de houtkoper J.W. Meyer verzocht om op het sinds 1797 molenloze bolwerk Osdorp een stoomhoutzaagmolen te mogen oprichten. Het stadsbestuur achtte de ligging aan de veste echter ongunstig en strijdig met het reglement op de invordering van de stedelijke accijns, met name op steenkolen. Per 1 januari 1856 werd begonnen met de geleidelijke afschaffing van de stedelijke accijnzen, welk proces op 1 mei 1866 voltooid zou worden. Belastingtechnische bezwaren tegen stoomzagerijen verloren dus aan betekenis. Dat de stad juist rand 1855 genegen bleek verhuurde of "vrije" molenwerven aan gegadigden te verkopen, stimuleerde de houtkopers tot het doen van investeringen in bedrijven op eigen grond,

De stoomzagerij van D.P. Terpstra op het terrein van de in 1847 geamoveerde paltrok "De Schaapherder" aan de Voorweg, was in 1855 het eerste zaagbedrijf waar geen windkracht meer aan te pas kwam. Het aantal stoomzagerijen nam snel toe tot veertien in 1885, daarna verminderde het enigszins,

In 1863 merkten de houtkopers op, dat hun oude tak van nijverheid vroeger meer het gehele binnenland van hout voorzag dan tegenwoordig, nu op vele plaatsen houtzaagmolens en stoomzagerijen waren opgericht. Ook nam de invoer van buitenlands gezaagd hout steeds toe. De plaatzagerijen bloeiden echter en moesten zich meer en meer toeleggen op het verbeteren van hun werktuigen. De hoge waarde van het mahoniehout deed de zorgen daaraan besteed zeer lonend zijn. Opmerkelijk is dat de plaatzagerij van de weduwe W. van Hass aan de Looiersgracht bij de Passeerdersdwarsstraat een rosmolen gebruikte.

De opstand op St. Domingo deed het daaropvolgend jaar de aanvoer van mahoniehout teruglopen. Dat was een incident, maar structureel was de achteruitgang van de scheepstimmerwerven, die vanouds grote afnemers van gezaagd hout geweest waren. Het metalen stoomschip verdreef het houten zeilschip, zoals de stoomzagerij dat de windzaagmolen deed.

In 1877 en 1878 nam de gemeenteraad besluiten omtrent de uitbreiding van de stad, die inhielden dat de houtzaagmolens in de Frederik Hendrikbuurt zouden moeten verdwijnen. In de andere molenbuurten voltrok zich nagenoeg in dezelfde periode een gelijke ontwikkeling.

Plaatsen waar houtzaagmolens stonden

LIn de Overbrakerbuitenpolder (Roggeveenstraat)

Hier verrees in 1841 de bovenkruier "Het Klaverblad", die behandeld wordt onder de nummers 10-11.

2.-3. Langs de Buitensingel tussen de Haarlemmerpoort en de Raampoort (Staatslieden- en Frederik Hendrikbuurt) Burgemeesters gaven op 26 december 1638, krachtens resolutie van de vroedschap van 14 juni van dat jaar, in vrij gebruik twaalf molenwerven uit, gelegen buiten de fortificatien van de stad achter de Karthuizers .. Daar werden gebouwd de paltrokken "De Otter", "De Eenhoom", "De Wezel", "Het Schaap", ,,'t Luipaard", "De Blauwe Bijl" , "De Oranjeboom", "De Windhond", "De Gouden Kop", "De Jager" en "De Rookoe", alsmede de bovenkruier "De Dommekracht".

Voor deze gronden zou geen huur verschuldigd zijn zolang er een houtzaagmolen op geexploiteerd werd. Dientengevolge beginnen de verhuurboeken van de stadsgronden bij de molenwerven buiten de Zaagmolenpoort met nummer 13. Tussen 1640 en 1665 werden de andere molens gebouwd op van de stad gehuurde grond. De laatste molen in dit gebied droeg nummer 44, maar bij dat getal was een korenmolen, te weten "De Vrede" aan de Steurweg, die in de nacht van 18 op 19 december 1847 afbrandde. Van 1796 tot 1850 heeft bij ,,'t Blauwe Hart" aan de Buitensingel het veerzaagmolentje ,,'t Jonge Hart" gestaan, dat daarna verderop aan dezelfde weg nog gebruikt is voor het malen van kruidenierswaren. In 1863 is naast "Het Anker" het lattenzagertje "De Vlijt" gebouwd. In totaal hebben in het hier besproken gebied - zij het niet in dezelfde periode - vijfenveertig houtzaagmolens gestaan.

Om praktische redenen heb ik die verdeeld in twee groepen, een van negen ten noorden van de Kattensloot en een van zesendertig ten zuiden van de Kattensloot, die ieder een eigen kaartje kregen, nummers 12 en 18-19.

Van de negen houtzaagmolens tussen de Haarlemmerweg en de Kattensloot brandde ,,'t Blok" of "De Karn" af op 3 mei 1858, ,,'t Amsterdamsche Wapen" op 23 mei 1862 en "De Witte Duyf" op 20 juli 1885. De overige, waaronder ,,'t Leydsche Wapen" of "De Tobbe", zijn tussen 1878 en 1892 afgebroken, omdat op hun werven straten aangelegd en huizen gebouwd werden (zie nummers 13-17).

Tussen Kattensloot en Kuiperssloot stond als vreemde eend tussen de houtzaagmolens de in 1845 gestichte volmolen "De

Eendracht" (zie deell nummer 24). Van de zaagmolens in dit gebied werd "De Oude Visscher" in 1806 afgebroken om plaats te maken voor het zomerverblijf "Gelderland", het latere "Volkspark". "De Wezel" verbrandde in 1810. "De Schaapherder" werd in 1847 gesloopt en acht jaar later bouwde D.P. Terpstra op de vroegere molenwerf een stoomzagerij. "De Schaap herder" was in 1824 gekocht door Claas van de Stadt (1782-1852), telg uit een bekende Zaanse houthandelaars- en redersfamilie. Hij bezat in Amsterdam nog vier molens, te weten "De Dolfijn", "De Hoop" en ,,'t Heiblok", die hij in 1814 van Huybert Kuyper gekocht had, en het in 1821 verworven "Anker". "Het Lam" of ,,'t Schaap" moest in 1860 plaats maken voor een koolteerfabriek. "De Zwaan" brandde op 19 december 1872 af. "De Vrouw Anna Magdalena" of "De Juffer" raakte in brand op 14 februari 1870 en werd enige jaren later afgebroken. De overige molens komen merendeels onder de nummers 20-95 aan de orde; ook het in 1857 afgebrande "Fortuin", dat aan een lid van de nog bekende houthandelaarsfamilie Ambagtsheer heeft toebehoord.

De negen bovenkruiers in dat gebied stonden meestal dicht bij de Singelgracht, de Kattensloot of de Kostverlorenvaart, dus op plaatsen waar de aanvoer van het zwaardere hout het eenvoudigst was.

In 1880 en 1881 heeft J.M.A. Rieke twee aquarellen gemaakt van de molens aan de Buitensingel tussen de Zaagmolenpoort en de Raampoort. Ze lijken sterk op elkaar, maar de oudste, die deel uitmaakt van de historisch-topografische atlas van de Gemeentelijke Archiefdienst, heeft zesentwintig molens,

terwijl de tweede, die zich bevindt in de verzameling van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap in het Rijksmuseum, vijfentwintig molens telt. "De Eenhoorn" is daar door hoge gebouwen totaal aan het gezicht onttrokken, terwijl van "De Kop" niet meer is te zien dan de top van een wiek. Volmolen "De Eendracht" heeft zijn wiekenkruis verloren en "De Haring" gaat vrijwel geheel schuil achter "Het Anker". De eerste versie doet de molens beter uitkomen en is bovendien rijk gestoffeerd met menselijke bedrijvigheid langs de Singelweg. Bij de tweede biedt een opening in de bomenrij langs de Buitensingel een fraai gezicht op de zaagvloer van de paltrok ,,'t Blauwe Hart" en de schildering achter op de kap van deze molen. Verder zien we onder meer "De Grauwe Haas", ,,'t Bonte Kalf" en "De Wip", Hiervan konden geen fotografische afbeeldingen worden opgespoord. Zij werden tussen 1881 en 1885 afgebroken.

4. Op en bij het Kwakerseiland buiten de Raampoort (Kwakersplein en omgeving}

Nadat zij op 12 maart 1661 de plaatselijke toestand in ogenschouw hadden genomen, besloten thesaurieren ordinaris op 2 april daaraanvolgende tot uitgifte van erven voor zaagmolens tussen de Ramen en het Pesthuis; dat is nu in het algemeen tussen de De Clercqstraat en de Overtoom en meer in het bijzonder tussen de Potgieterstraat en de Kinkerstraat. Op 14 april regelden ze de verhuring van twaalf erven aldaar, waarvan de huur van vijfentwintig gulden per vijfennegentig vierkante roeden 's jaars zou ingaan op 1 mei 1662. Uitdrukkelijk werd voorgeschreven dat hier alleen zaagmolens

mochten worden gebouwd met ieder slechts een woning. Kaden en paden zouden voor rekening van de stad worden aangelegd, maar de zijsloten moesten de huurders zelf bekostigen. De invaarten naar de balkgaten zouden bij gebleken behoefte verwijd kunnen worden, met aanpassing van de huursom. Voor mei 1662 moesten de funderingen van de molens gelegd worden, anders verviel de huurovereenkomst, die door de twaalf gegadigden met hun handtekening bekrachtigd werd.

Op 8 juli 1671 besloten thesaurieren ordinaris de bouw toe te staan van een zaagrnolen achter het Kwakerseiland, Hier zou alleen grenehout gezaagd mogen worden en nooit eikehout. Deze molen nummer 13 kreeg de naam "De Koning Salomon" en Jan Gerritszn. was de eerste eigenaar. Naast deze molen kwam volgens besluit van 6 maart 1687 aan het Kwakerspad nog een veertiende zaagmolen te staan, die "Nieuwe Seskant" of "Pelgrim" genoemd werd, naar de oprichter Pelgrim Blok.

Bij de veertien molens waren slechts twee bovenkruiers: "De Seskant", die later "De Vrouw Maria" heette, en "De Nieuwe Seskant" of "De Pelgrim". De molen "De Haan", die aan de Buitensingel voor het Kwakerseiland stond, was een paltrok. Dichtbij "De Haan" heeft een achtkante bovenkruier gestaan, die in 1797 is afgebroken. Aanvankelijk was het een slijpmolen, waar marmer gepolijst werd. Later was hij onder de namen "Koning David" en "Psalmist" als verfmolen in gebruik,

De molens op en bij het Kwakerseiland, die het het langste volhielden, verdwenen in de jaren negentig van de negen-

tiende eeuw bij de aanleg van het Kwakersplein en omgeving. Alle vijftien zijn aangegeven op het kaartje dat onder nummer 96 in dit boekje is opgenomen, en voorzover ze in de daarop volgende nummers 97-105 niet voorkomen willen we hier het jaar van hun verdwijnen aangeven. "De Kievit" of ,:t Gekroonde Schaap" moest in 1796 plaats maken voor de Collegietuin "Mijn Genoegen". In 1832 werd "De Prins" of "De Jonge Frederik" afgebroken en "De Nachtegaal" volgde in maart 1838. "De Boterton" trof in 1846 na stormschade hetzelfde lot. "De Liefde" verdween omstreeks 1870. "De Bijkerk" brandde af op 21 augustus 1874. Van deze molen wordt weI gezegd dat hij zijn naam ontleende aan een plaats van samenkomst van de Quakers, naar wie het Kwakerseiland genoemd zou zijn. Hoewel aanhangers van deze godsdienstige beweging in 1658 in een tuinhuis aan het iets noordelijker gelegen Kuiperspad bijeen kwamen, lijkt deze naamsafleiding ver gezocht. Eerder valt daarbij te denken aan de talrijke hoge bruggen of kwakels, die de paden in dit gebied met elkaar verbonden.

5. Langs de Mennonietensloot buiten de Weteringpoort (omgeving Rijksmuseum}

Op 10 oktober 1668 bepaalden thesaurieren ordinaris dat door het voor zaagmolens uit te geven land buiten de Weteringpoort een sloot gegraven zou worden. Er stonden daar to en reeds drie korenmolens bij de Buitenvelder- of Boerenwetering: "De Vink" of "De Geelvink", "De Oranjeboom" en "De Swaan", Ten dienste van de houtzaagmolenaars zou de sloot op stadspeil worden gehouden en dus geen deel uit-

maken van de waterhuishouding van de Binnendijksche Buitenveldersche Polder. In een breder gedeelte zou het te zagen hout in voorraad kunnen liggen. Op 31 oktober en 26 november 1669 namen de gegadigde houtzaagmolenaars op zich de kwakelbruggen voor hun molens, die van stadswege gemaakt zouden worden, voor hun rekening te onderhouden. Op 1 en 18 april 1670 werd vervolgens aan Sander Corneliszn. Lely en Jan Visschers het bouwen van de eerste drie houtzaagmolens toegestaan. Dat waren de paltrokken ,,'t Aalsmeerder Wapen" en "De Blauwe Kalkoen" en de bovenkruier "De Witte Os", aIle aan de noordzijde van de sloot. Op 30 april 1686 voegde laatstgenoemde daar de bovenkruier "De Jonge Visscher" aan toe. Deze kwam aan de zuidzijde van de sloot te staan, voorbij de korenmolens.

De sloot werd later Mennonietensloot genoemd. Waren er veel doopsgezinden onder de molenaars? Of is er enig verband tussen de namen Kwakerseiland en Mennonietensloot?

De situatie langs de Mennonietensloot is aangegeven op het kaartje nummer 106. Voor zover de molens niet onder de daaropvolgende nummers besproken worden, geef ik hier nog enige bijzonderheden. Korenmolen "De Geelvink" brandde af op 14 april 1859 en houtzager "De Witte Os" trofhetzelfde lot op 14 maart 1860. "De Blauwe Kalkoen" was al in 1811 door de vlammen verwoest. Nadat korenmolen "De Swaan" in 1848 afbrandde, werd op zijn plaats de paltrok "De Houthandel" gebouwd. Daardoor komt het aantal houtzaagmolens, dat - zij het niet gelijktijdig - aan de Mennonietensloot gestaan heeft, op vijf. (Zie nummers 107-109.)

6. Longs de Zaagmolensloot buiten de Utrechtse poort (Albert Cuypstraat}

Op 26 december 1638 verleenden burgemeesters het vrije gebruik van zestien molenwerven langs de Zaagmolensloot aan degenen wier namen zijn vermeld in de daarvan opgemaakte akte. De erven met de letters A-H lagen aan de zuidzijde langs het Zuidelijk Zaagmolenpad; die met de letters J-Q aan de noordzijde langs het Noordelijk Zaagmolenpad. (Zie nummers 110-127.) Zolang op de terreinen zaagmolens zouden staan, zou geen huur betaald behoeven te worden. Slechts de molens benoorden en bezuiden de doorvaart tussen de Amstel en de Zaagmolensloot, te weten "De Juffer" en "De Seskant", vielen buiten deze regeling. Hun namen vinden we dan ook in de verhuurboeken van de stadsgronden vermeld. Komen we daar de andere molens tegen dan gaat het om gronden naast de molens, die er door de molenaars bij gehuurd zijn als houtwerf of om er bijgebouwen op te richten. In 1856 verkocht de gemeente een aantal vrije molenwerven en belendende terreinen aan de eigenaars van de erop gebouwde zagerijen. Voor "De Nachtegaal" was dat M. Glasbergen J.Hzn., wiens familie de helft van de hier staande molens voor kortere of langere tijd geheel of gedeeltelijk in eigendom gehad heeft. Een kwart eeuw later zou het grote moeite kosten op deze terreinen de stadsuitbreiding in de door de overheid gewenste banen te leiden. Vele houtzagerijen langs de Zaagmolensloot waren overgegaan op stoomkracht, in ieder geval als hulpkracht, en hun eigenaren waren weinig genegen de goed renderende bedrijven op te geven.

Van de in totaal achttien mo1ens die hier stonden, waren er vijf bovenkruiers en dertien paltrokken. De bovenkruiers stonden het dichtst bij de Amste1, waarschijnlijk omdat daar het zwaardere door hen te zagen hout het makkelijkst kon worden aangevoerd.

In de zomer van 1881 werd de toegang tot de Zaagmolensloot verlegd van de Amstel naar de Stadhouderskade, tegenover het Oosteinde. Er bestonden toen p1annen de Zaagmolensloot te normaliseren op een breedte van twintig meter en haar door te trekken tot de Boerenwetering. Maar kort daarop, op 14 september 1881, besloot de gemeenteraad de Zaagmolensloot niet met de Boerenwetering in verbinding te brengen, maar haar integendee1 te 1aten dempen. Dat bes1uit 1eidde de ondergang van de erlangs ge1egen mo1ens in.

7. In de Stadsrietlanden buiten de Muiderpoort (Veelaan en omgeving)

Hier werden tussen 1660 en 1664 drie bovenkruiers gebouwd: "De Hoop", "De Liefde" en "Het Fortuin". In 1785 werden meer naar de stad toe de paltrokken ,,'t Baambrugsche Wapen" en ,,'t Vree1andsche Wapen" gesticht. "De Hoop" brandde op 20 juni 1812 af. Pas in 1824 werd hij herbouwd. In 1878 moesten aIle vijf de mo1ens worden afgebroken in verband met de aan1eg van de veemarkt en het abattoir. (Zie nummers 128 en 129.)

Op enkele andere plaatsen

Volledigheidshalve noemen we nog de bovenkruier "De Grote Otter" aan de Haarlemmertrekvaart (zie dee11, nummer 1).

Hij behoorde eerst aan Pieter en Adriaan Otter en werd gedurende de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) door de admiraliteit gebruikt. Door de toepassing van nieuw gemventeerde mo1enwieken werd getracht de produktie van de molen te verhogen.

De zaagmolen van de Oostindische Compagnie, later van de marine, was eveneens een bovenkruier. Hij stond aan de binnenzijde van bo1werk Jaap Hannes bij de huidige Czaar Peterstraat (zie deel1, nummer 74). Hij werd rond 1870 afgebroken, toen de marine op een stoomzagerij was overgegaan.

De beide typen: paltrokken en bovenkruiers

De paltrok kan in zijn geheel - het rechthoekige molenhuis met de aan beide zijden aangebouwde werkruirnten - door mid del van een rolwerk over een in de bodem gefundeerde gemetselde ronde muur op de wind gezet worden. Deze ronde muur hoorden wij door een houthande1aar "de hel" noemen. Er waren twee so orten paltrokken. De ene werd gebruikt voor het zagen van dunne eiken p1anken, het zogenaamde wagenschot. Met de andere werden ba1ken gezaagd.

Het zwaarste hout werd echter verwerkt door de bovenkruiers. Zij zaagden eiken stammen voor de dekbalken, huidplanken en ander scheepshout. Voorts ook de lange, zeer dikke dennen, de zogenaamde drijvers, die door hun grote drijfkracht de stammen van eiken, beuken of iepen, die zinkers waren, tijdens het transport in grote vlotten - weI driehonderd meter lang, met vijf- of zeshonderd man aan boord

- drijvende hie1den. Bij deze molens kan aileen de kap met het wiekenkruis in de richting van de wind gekruid worden. De bovenkruier-houtzaagrnolens werden ook wel dommekrachten genoemd of sommerzagers, naar sommer, dit is een oude benaming voor balk. "Dommekracht" komt ook als eigennaam van bovenkruier-houtzaagmolens voor, evenals de ook van kracht getuigende benamingen "Samson", "Heiblok" en "Anker". De nogal eens voorkomende naam "Seskant" duidt uiteraard altijd een bovenkruier aan. "De Juffer" buiten de Zaagmolenpoort, een bovenkruier, behoorde in 1765 aan Annetje Dommekragt, die haar familienaam ontleende aan het type van haar molen, die later naar haar zou heten: "De Vrouw Anna Magdalena".

Bij de Amsterdamse paltrokken bevond zich, in tegenstelling tot hetgeen bij dezelfde molens in de Zaanstreek en elders het geval was, de kraan, waarmee het te zagen hout uit het balkengat op de werkvloer getild wordt, vee1al aan de rechterzijde, gerekend van het standpunt van iemand die, staande bij het kruirad, de molen voor zich heeft. Vast staat dat van de elf omstreeks 1630 buiten de Raampoort gebouwde paltrokken, van welke de nog bestaande "Otter" er een is, zeven rechtskranig waren. G.H. Keunen spreekt in Molens in NoordHolland bij de beschrijving van "De Otter" van een links geplaatste kraan, omdat hij bij zijn beschouwing voor de molen ging staan met het gezicht ernaar toe gewend.

In het Groot Volkomen Moolenboek van Leendert van Natrus, Jacob Polly en Cornelis van Vuuren uit 1734 is de paltrok "Het Amsterdamsche Wapen" als rechtskranig opgenomen. De makelaar met het stadswapen laat geen twijfel

over de juiste naam. In 1761 komt dezelfde molen in Van Zijls Groot Algemeen Moolen-boek echter als linkskraning voor. De sprekende makelaar ontbreekt ditmaal en we vragen ons af of er een vergissing gemaakt is. Van Zijl geeft ook nog een rechtskranige paltrok "De Vrouwenakker", die op het Kwakerseiland stond, waar de molens in 1662 gebouwd waren, dus iets later dan die buiten de Raampoort. Onderzoek door de heer Evert Smit te Wormerveer heeft aan het licht gebracht, dat niets met zekerheid valt te zeggen over de links- of rechtskranigheid van de Zaanse paltrokken die tussen 1600 en 1640 gebouwd waren. Daarna werden in de Zaanstreek overwegend linkskranige paltrokken gebouwd. Een tijd lang heeft de mening bestaan dat linkskranige paltrokken, waarin de zaagrichting dus van links naar rechts is, een technische voorsprong hadden boven rechtskranige. De zaagramen zouden namelijk rustiger op en neer gaan en er zou minder slijtage optreden, terwijl de zaagsnede zuiverder en regelmatiger zou zijn. Bij verder doordenken over deze kwestie bleken dergelijke beweringen echter onhoudbaar. Rechtskranigheid staat technisch niet achter bij linkskranigheid en welke vorm gekozen werd, zal in hoge mate hebben afgehangen van de ligging van het terrein waarop de molen gebouwd was.

Herkomst van de afbeeldingen

Ook nu is ernaar gestreefd zoveel mogelijk prentbriefkaarten te gebruiken. Bij de oude foto's zijn er weer vele van Jacob Olie afkomstig.

Voor zover niet anders vermeld, is het materiaal ontleend aan de historisch-topografische atlas van de Gemeentelijke Archiefdienst van Amsterdam. De bibliotheek van deze dienst leverde de nummers 4, 87, 92 en 115. Nummer 116 is afkomstig uit het bij de Archiefdienst berustende archief van de gemeenteraad.

Het Amsterdams Historisch Museum verschafte mij de nummers 29 en 31.

De nummers 3, 6, 7,8, 9, 30,53 en 56 zijn afkomstig van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap te Amsterdam en nummer 67 dank ik aan de Stichting tot Bevordering van het Kunsthistorisch Onderzoek in Nederland te 's-Gravenhage,

De door de stichting "Molen Documentatie" beheerde collectie van de vereniging "De Hollandsche Molen" leverde de nummers 14, 23,49, 88 en 120.

De heer G. van der Bijl te Amsterdam, wiens familie sinds 1817 eigenares is van molen "De Otter", op welks werf hij zijn houthandel uitoefent, stelde mij in de gelegenheid tal van foto's uit zijn bezit te bestuderen en te vergelijken. Daaraan zijn de nummers 41, 61, 64, 65, 66, 72, 73, 74, 76, 77, 79, 81,84 en 85 te danken.

Mevrouw A.I. Dallmeijer-Brerner te Amsterdam, afstammelinge van de houtzagers- en houthandelaarsfamilie Melchers, hielp mij aan de nummers 39 en 126.

Mevrouw E.G. Burger-Critters Doublet te Oegstgeest, ook stammend uit een geslacht van houthandelaars, verschafte mij nummer 108 en de heer G.A. Faber te Amsterdam, eveneens uit de houthandel afkomstig, nummer 129.

Aan de briefkaartenverzameling van de heer LiC, Schade van

Westrum te Amsterdam zijn de nummers 21, 58, 59 en 60 ontleend. De heer H.I. de Vries te Wieringerwerf stelde mij nummer 82 ter beschikking en de heer drs. H.A. Visser te Papendrecht de nummers 25 en 38.

Bij de plattegronden van de molenlocaties is uitgegaan van kaartjes uit het bekende werk van I. van Eck De Amsterdamse Schons en de Buitensingel uit 1948, die zijn aangepast en uitgebreid wat het aantal molens betreft. Bij de plattegronden is per molen slechts een naam vermeld, te weten degene die het meest gebruikt werd. In de index zijn alle molennamen opgenomen en in de tekst is tenminste eenmaal van de bekende naar de minder bekende naam verwezen. Zo is getracht te komen tot een volledig overzicht van aile Amsterdamse houtzaagmolens. Die van Nieuwendam en Buiksloot komen in deel 3 aan de orde.

Voor een overzicht waar zich de molenconcentraties rond de stad bevonden, raadplege men het kaartje tegenover het titelblad. Gekozen werd het middengedeelte uit de Nuwe Accurate Kaart van Amstellandt enzovoort, getekend door de landmeter Gerrit Drogenham, gegraveerd door Daniel Stopendaal en uitgegeven door Nicolaas Visser circa 1690. De halvemaan-vorm van het huidige centrum van de hoofdstad laat zich goed herkennen, alsmede de Amstel, die ongeveer onderaan in het midden het kaartbeeld binnenstroomt. Rond de stad zijn de plaatsen van de molens aangegeven met de cijfers 1-7.

Geraadpleegde literatuur

Th. van Aken, De Otter, Amsterdams laatste paltrokmolen, Om Amsterdam 1965, biz. 306-313

G.H. Arnhardt Jr. Een [amilielid van Jacob Olie uit de molenaarswereld. Maandblad Amstelodamum 1962, biz. 159-160 J.M. Bos en C. Soederhuizen, Kanttekeningen bij de geschiedenis van het houtzagen. Bijdragen en Mededelingen van het Nederlands Openluchtmuseum 1975, biz. 51-82

J. van Deijk en Zoon, Bericht wegens het voorgevallene aan 's lands houtzaagmolen "De Grote Otter, aangaande de nieuw geinventeerde molenwieken. Amsterdam 1784

Het einde der houtzaagmolens te Amsterdam. Hout, 19 juli 1929, biz. 179

S. Hart, De eerste houtzaagmolen te Amsterdam. Maandblad Amstelodamum 1951, biz. 55-58

J.H. van den Hoek Ostende, Houtzaagmolen Het Klaverblad. Maandblad Amstelodamum 1980, biz. 27-31

Idem, Korenmolen De Vrede aan de Kostverlorenwetering. Maandblad Amstelodamum 1982, biz. 32-36

Idem, De houtzaagmolens buiten de Muiderpoort in de Stadsrietlanden. Jaarboek Amstelodamum 1982, biz. 91-103

Idem, Van houtzaagmolen tot stoomzagerij De Dommekracht. Maandblad Amstelodamum 1982, biz. 105-108

H. T. Linde, De zaaginrichting van de paltrokhoutzaagmolens. Bijdragen en Mededelingen van het Nederlands Openluchtmuseum 1978, biz. 28-32

N. de Roever, Houtzaagmolens te Amsterdam. Uit onze Oude Amstelstad, derde bundel, Amsterdam 1891, biz. 43-47

Engel van de Stadt, 1746-1819, zijn voor- en zijn nageslacht, 's-Gravenhage 1951

J.M. Stikvoort, De paltrokhoutzaagmolen. Bijdragen en Mededelingen van het Nederlands Openluchtmuseum 1963, biz. 37-45

H.F. Wijnman, Van Harpen Kuyper. De Nederlandsche Leeuw 1932, kolom 89-90.

Voorts zij verwezen naar de in deell vermelde publikaties van Boers, Van Eck, Hart en Honig, alsmede naar de daar genoemde van mijzelf over De molens aan het Mennonietenpad en De Amsterdamse molens, die mede gegevens over houtzaagmolens bevatten.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek