Den Dungen en de Dungenaren in oude ansichten

Den Dungen en de Dungenaren in oude ansichten

Auteur
:   H. H.V.M. Maas
Gemeente
:   Sint-Michielsgestel
Provincie
:   Noord-Brabant
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4706-4
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Den Dungen en de Dungenaren in oude ansichten'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  >  |  >>

6. Een belangri jke plaats in de dorpsgemeenschap vervulde de smid. In de eerste plaats was hi j degene die de paarden besloeg, waarbij hoefijzers en spijkers in de regel zelf door hem gemaakt waren. Daarnaast vervaardigde hij op bestelling sloten, grendels, muurankers, hekwerk, enzovoort. Ook voor de aanschaf en reparatie van landbouwwerktuigen en allerhande gereedschappen, zoals ploegen, gaffels, schoppen en zeisen, was de smid de aangewezen persoon. Je ging naar de smid als je het zelf niet meer kon maken. Zo was hij de enige die ijzer gloeiend kon maken om het daarna te kunnen verwerken. De hulp van de smid werd ook vaak ingeroepen bij bepaalde moeilijke karweien thuis. Het kwam er feitelijk op neer dat alles wat met een klinknagel vastgezet moest worden, door de smid gebeurde. Vanaf 1880 onderging het werk binnen de srnederij grote verandering. Steeds meer halffabrikaten en compleet afgewerkte, in fabrieken gemaakte produkten maakten veel van het vroegere tijdrovende werk van de smid onnodig. Veel van de artikelen kwamen in de ijzerhandel terecht en konden voortaan kant en klaar gekocht worden. De smid op zijn beurt ontwikkelde zich ook verder. Vaak werd hij tevens vertegenwoordiger en verkoper van bijvoorbeeld fietsen en landbouwmachines.

De hiernaast afgebeelde foto laat de smederij van Van Thiel uit de Paterstraat zien, De vrouw met het kind is Stien van Thiel-Kuijpers met haar dochter Jet. Daarnaast staat de meid Drieka van de Boogaard. De geknielde persoon met de duimstok is de knecht Huub van Helvoirt. De kleine jongen is mar alle waarschijnlijkheid zoon Bert, die later een smederij in de Litserstraat zou hebben. De man met de fietspomp in de hand is Jan Cooijmans uit de Hoek. De jongeman die het paard met de teugel vasthoudt is onbekend. De smid die het paard beslaat is Sjefvan Thiel. Leunend tegen zijn fiets staat Piet van de Steen uit de Spurkstraat. De foto is gemaakt rond 1910. De smederij van Sjef van Thiel stond in de verre om trek bekend om zijn schaatsen. Later is de smederij overgeplaatst naar het Maaskantje.

Overigens, de familie Van Thiel had daar al eerder in de vorige eeuw een smederij gehad. Ook toen werd door een specialisme, namelijk het maken van geweren, mime bekendheid verworven.

7. De bedrijfjes die in Den Dungen gevestigd waren hadden meestal alleen de eigen dorpsbewoners als afnemers van hun produkten of diensten en vervulden hoofdzakelijk een verzorgende functie. Met name de ambachten waren er belangrijk in vertegenwoordigd. Bedrijven met veel personeel in dienst zijn er in Den Dungen en het Maaskantje nooit geweest. In 1932 kwam het tot de oprichting van een R.K. Middenstandsvereniging in Den Dungen, maar hier bleek niet al te veel animo voor te zijn en het zou een stille dood sterven. Na de oorlog werd opnieuw een middenstandsvereniging opgericht.

Een van de typische ambachten van rond de eeuwwisseling was dat van mandenmaker. Deze had toentertijd nog volop werk. Gevlochten manden en korven von den immers in ruime mate aftrek. Om een aantal van de gebruiksdoeleinden te noemen: aardappelmand, eierkorf, biggenmand, voorraadkorf, wasmand, enzovoort. Als vlechtmateriaal werd teenhout gebruikt, dat voor gebruik eerst nog geschild moest worden. Een bekende mandenmakerij in Den Dungen was die van de familie Kusters. Behalve aan de plaatselijke bevolking, leverde de familie Kusters ook veel manden aan handelaren en fabrikanten van buiten Den Dungen, die deze dan voor het vervoer van hun produkten gebruikten. Door het in gebruik raken van andere materialen kwam in het maken van manden meer en meer de klad met als gevolg dat nagenoeg alle mandenmakerijen verdwenen.

Op de foto is Janus Kusters te zien. Behalve het gebruikelijke vlechtwerk, maakte hij ook allerlei kleine gebruiksvoorwerpen zoals rammelaars, bloemenstandaards en dergelijke. Een specialiteit van hem was het omvlechten van pijpen. Janus Kusters, die het yak van zijn vader had geleerd, woonde aan het Grinsel. De foto is omstreeks 1920 gemaakt.

Een ander beroep dat vroeger in elk dorp wel een of meer beoefenaars had was dat van kuiper. Vaten waren er in alle vormen en maten, zoals een spekkuip, karnton en waskuip. Ret maken van vaten was erg arbeidsintensief en vergde heel wat vakwerk. Ook hier moest de dorpskuiper het afleggen tegen het in gebruik nemen van nieuwe materialen, gewijzigde vormen, machines voor de houtbewerking en massaproduktie. Zowel bij boer als bij burger verdween vanaf 1900 het houten vaatwerk.

8. Een huistafereel op een zondag omstreeks 1905. In de herd zit de familie Ondersteijn van de Hooidonk voor de schouw koffie te drinken. Gezeten wordt op een zogenaamde knopstoel met een biezen zitting. De koffie wordt gedronken uit kommen zonder oren. Op de schouw staan porseleinen sierborden met daartussenin het kruisbeeld, dat toen nog in geen enkel huis ontbrak. Verder hangt er een schouwkleed. Aan de muur hang en schilderijtjes met waarschijnlijk religieuze voorstellingen. Immers, de bevolking had indertijd een diep christelijk geloof en bracht dat ook voortdurend tot uitdrukking. Op de vloer liggen plavuizen met daaroverheen wit zand. Aan de kleding is te zien dat de foto op een zondag is gemaakt. De foto is later gebruikt voor een prentbriefkaart uit de sene "Brabants dorpsleven". Van links naar rechts zijn afgebeeld:

Dora Ondersteijn en haar zus Jans. Dora draagt de zwarte kinderpoffer, die door meisjes tot ongeveer 17 jaar werd gedragen. Jans heeft een poffer op. Vervolgens zitten er de ouders Driek Ondersteijn en Net van Houtum, die een daagse gazen muts draagt. Aan tafel zit verder nog hun zoon Piet. Op de achtergrond zit Bert Hoevenaars van de Poeldonk, die tijdens het maken van de foto op bezoek was. De genoemde kinderen stonden op het punt naar de kerk te gaan, vandaar dat de dochters een poffer drag en en de moeder de daagse muts.

Behalve om naar de kerk te gaan, werd de poffer ook gedragen als er een of andere bijzondere gelegenheid was. De aUedaagse dracht was een gazen muts. Deze had een onderrand die dub bel werd gevouwen, vervolgens gestikt, daarna gesteven en ten slotte gestreken. De gazen muts was vaak versierd met het zogenaamde paske. Dat bestond uit een romp waarop geplooide stroken waren aangebracht. Om het geheel op zijn plaats te houden zaten aan de muts gewoonlijk twee linten, die onder aan de kin werden gestrikt. Evenals de daagse mutsen waren ook de zwarte kinderpoffers zeker niet allemaal hetzelfde. Afhankelijk van de financiele draagkracht van de ouders waren de kindermutsen groot of klein en hadden ze veel ofweinig versiering. Op vijfjarige leeftijd kregen meisjes de zwarte kindermuts op.

9. Dungense vrouwen stonden vroeger bekend om hun poffers, die in het algemeen groter en rijker versierd waren dan de mutsen uit de omgeving. Dit kan gezien worden als een teken van welstand. Die welvarende indruk moet echter wel gerelativeerd worden. Den Dungen was mogelijk welvarend in vergelijking met andere dorpen, maar velen hadden zeker geen vetpot.

Terugkomend op de poffer: vele variaties waren mogelijk, zodat eigenlijk niet van de poffer gesproken kan worden. Hoe de poffer er uit kwam te zien was afhankelijk van de wensen van de opdrachtgeefster en vooral van de som die ze wilde of kon betalen. Verder speelden de ideeen en de vaardigheid van de mutsenmaakster een rol bij de totstandkoming van het eindprodukt. Het yak van mutsenmaakster en mutsenwasster werd ook in Den Dungen beoefend. De dracht van de poffer is even onderhevig aan de mode geweest als tegenwoordig iets "in" raakt en er weer "uit" gaat. Een verschil is dat het modebeeld vroeger niet zo snel veranderde. De uitgroei van de hoofdbedekking ontwikkelde zich langzaam maar zeker in de tweede helft van de vorige eeuw. De bovenversiering werd steeds meer opgepoft en groeide uit tot de poffer. Na de Eerste Wereldoorlog begon echter het verval. In gei:llustreerde bladen kon men zien wat door de moderne vrouw gedragen werd. En wie wil de mode niet volgen? De poffer werd voortaan voor ouderwets versleten. Bij jonge vrouwen kwam bij het dragen van de poffer het gevoel op tot het achtergebleven platteland te behoren. Bovendien was de poffer vaak ongemakkelijk en hinderlijk, bijvoorbeeld bij het fietsen.

Op de foto hiernaast uit het begin van de jaren twintig wordt het verdwijnen van de poffer zichtbaar. De jonge vrouw op de foto, Dina Schakenraad, heeft er al geen meer op. De andere personen zijn: Mie Spierings; haar broer Christ, die de grootvader van Dina was; en rechts hun zus Drieka. Mie draagt een fluwelen pelerine met bontkraag, Drieka heeft de wollen neuzik om. Typisch voor die tijd was ook het zogenaamde boerengoud en met name de gouden schuifketting, zoals die door Dina gedragen wordt. Zi j heeft verder een medaillon om, waarin vaak haar van een overleden familielid of een foto bewaard werd. Drieka draagt als halssieraad het zogenaamde slot.

10. Al werd Nederland gedurende de Eerste Wereldoorlog niet door oorlogsgeweld getroffen, dit betekende niet dat de situatie normaal was. De bijzondere toe stand liet zich op de eerste plaats merken, doordat extra veel jongemannen onder de wapenen geroepen werden. Ook vele Dungenaren werden vanzelfsprekend gemobiliseerd. De mobilisatie deed zich in Den Dungen nog op een andere manier gevoelen, namelijk hier werden ook soldaten ingekwartierd. Op de foto, die dateert van 1917, zijn militairen bij de boerderij van Vissers aan de Donksestraat te zien. De Dungenaren op de foto zijn, van links naar rechts: Anna Venrooij met voor haar Toos Venrooij, Willem Vissers, Geert Vissers en zijn vrouw Bet en Marinus van Alebeek. De buitengewone situatie was voorts merkbaar aan diverse Belgische vluchtelingen die hier onderdak vonden. Maar vooral was te rnerken dat er iets bijzonders gaande was, doordat een aantallevensmiddelen en huishoudelijke artikelen schaars werden. Door de overheid werden allerlei maatregelen op het gebied van de voedselvoorziening genomen en werd een distributiesysteem in werking gesteld. Aangezien het rnerendeel van de Dungense be vol king een bestaan yond in de landbouw en de arbeiders vaak ook nog wat "bijboerden", was er aan agrarische produkten in Den Dungen geen gebrek. De prijzen van landbouwprodukten stegen sterk, zodat menig boer de tijd gunstig leek. De regeringzag zich echter genoodzaakt ten behoeve van de binnenlandse consument ingrijpende maatregelen te nemen. Eind oktober 1914 ging de regering er toe over om de roggeoogst in beslag te nemen. Verder werden voor veellandbouwprodukten maximumprijzen vastgesteld. Desondanks was het voor de boeren zeker geen ongunstige tijd.

Voor Den Dungen was het gunstig dat vooral de groenteteelt winstgevend was. Zelfs produkten die op de marktplaatsen in de omgeving vanwege een te slechte kwaliteit niet verkocht konden worden, konden vaak nog tegen goede prijzen aan opkopers te Boxtel voor de Duitse markt verhandeld worden. Via "het Duits lijntje" werden ze dan verder getransporteerd. Een aantal produkten was in Den Dungen ook , ,op de bon". Dit was bijvoorbeeld het geval met steenkolen, die centraal bij de zuive1fabriek op het Maaskantje gedistribueerd werden.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2020 Uitgeverij Europese Bibliotheek