Den Dungen en de Dungenaren in oude ansichten

Den Dungen en de Dungenaren in oude ansichten

Auteur
:   H. H.V.M. Maas
Gemeente
:   Sint-Michielsgestel
Provincie
:   Noord-Brabant
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4706-4
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Den Dungen en de Dungenaren in oude ansichten'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  >  |  >>

11. Deze ansichtkaart van omstreeks 1925lijkt op het eerste gezicht veel op de situatie zoals die nu nog is. Wat opvalt misschien zijn de tramrails en de elektriciteitspalen. Verder is te zien dat aan het cafe van Nol van Kuik nog geen veranda gebouwd is. De geboren Dungenaren en Maaskanters weten wellicht nog dat het gebouw links voor de molen de smederij van Driek Verhagen was. Wat mij het meeste opvalt is het grote aantal kleine kinderen. Negentien om precies te zijn. Het zijn kinderen van de families Weijts, Van Santvoort en Schuurmans. De vrouw met het kind op de arm is Christina van Alebeek.

Waren de gezinnen in die tijd erg kinderrijk, vele kinderen kwamen vroegtijdig om het leven. In 1926 werden 81 kinderen in de Dungense parochie gedoopt. In dat jaar stierven 39 personen, van wie 19 kinderen beneden de zeven j aar! In de periode 1924 tot en met 1933 stierven in totaal maar liefst 118 kinderen onder de zeven jaar. Als redenen voor deze grote kindersterfte zijn te noemen de slechte hygienische situatie in veel gezinnen, epidemische ziekten die toen nog moeilijk bestreden konden worden, de uiterst gebrekkige medische zorg (tot en met 1925 moest alle medische hulp van buiten Den Dungen komen) en de minder goede voeding.

Bij de geboorte van een baby was men vaak aangewezen op de hulp van een buurvrouw of baker. De dokter uit een naburig dorp werd er vaak pas bijgehaald als het te laat was. Pastoor Goulmy trok zich de slechte medische situatie en de grote kindersterfte aan. Hij wees vrouwen op het be lang van een zo groot mogelijke hygiene, het niet te snel na een bevalling weer te gaan werken en het zo weinig mogeli j k mee laten helpen van kleine kinderen. Voorts stimuleerde hij de totstandkoming van het Witgele Kruis. Op 1 januari yond de oprichting plaats. De basis voor wijkverpleging en kraamzorg was daarmee gelegd. Het eerste jaar werd meteen al een moedercursus georganiseerd, maar ook aan bijvoorbeeld tuberculosebestrijding werd de nodige aandacht besteed.

Van groot belang voor de gezondheid in Den Dungen was het zich vestigen van een huisarts. In 1931 begon dokter Prinsen hier een praktijk, Resultaat bleef niet uit. Langzaam maar zeker liep de kindersterfte terug. Desalniettemin stierven in 1934 nog zeven kinderen.

12. Elk dorp had een aantal dorpsfiguren, die bij iedereen van de bevolking bekend waren. Zo iemand in Den Dungen was Mie "Kwakkel". Zoals vele anderen kende de dorpsgemeenschap haar beter met haar bijnaam dan met haar eigen naam volgens de burgerlijke stand. Zij heette eigenlijk Mie van den Oetelaar. Mie he eft een tijdlang de "booijkar" gereden en dankte daar haar bijnaam aan. Met een hondekar (volgens sommigen heeft zij ook nog een ezelwagentje gehad) , ,kwakkelde" zij over de wegen in Den Dungen.

Mie onderhield rond de eeuwwisseling een bodedienst tussen Den Dungen en 's-Hertogenbosch. Allerhande goederen werden door haar vervoerd. Voor de post droeg zij zorg voor het vervoer van pakketten en stukgoederen en op bestelling konden mensen van haar diensten gebruik maken. Over het wagentje was een soort huif gespannen, waaronder zij bij slecht weer kon gaan zitten en dat tevens diende om de goederen droog te houden. Mie trouwde met Wilhelmus van den Bosch, die ook in het vervoer zijn kostwinning yond. Na hun huwelijk reed hij de "booijkar" met paard en wagen. Aanvankelijk woonden zij op de Hoogstraat, later op de Kuipertjeswal. am in het levensonderhoud te voorzien hadden zij verder een , ,kleingedoejke" (boerderijtje) .

Op de linker foto is Mie te zien, terwijl zij haar geiten op de Kuipertjeswal aan het hoed en is. De geit, door sommigen gesmaad en uitgemaakt voor de , .errum-mensenkoe" of de , ,werkmanskoe" , was voor velen een onmisbaar bezit en bewees hun gedurende het hele jaar onschatbare diensten. Vele kinderen werden met geitemelk opgevoed en kregen boter gemaakt van geitemelk op hun brood gesmeerd. Zeker voor het gezin van Mie bracht de geit uitkomst. Haar man stierf namelijk op jonge leeftijd en zij bleef met verschillende kinderen achter. Sociale voorzieningen waren toen nog niet bij de wet geregeld, zodat "er wat bij gescharreId" moest worden. De foto links is omstreeks 1910 gemaakt.

Op de foto rechts is Mie (1869-1954) op latere leeftijd te zien. Het schilderachtige huisje van Mie op de hoek Kuipertjeswal-Spurkstraat werd in de Tweede Wereldoorlog verwoest. Zelf raakte zij hierbij gewond en onder moeilijke omstandigheden werd zij hierna naar het ziekenhuis te Geldrop getransporteerd.

13. Een bekend dorpsfiguur was ook de veldwachter. Vooraan bij de versierde fiets staat Driek van Run afgebeeld bij gelegenheid van het huwelijk van jhr. Tornvan Rijckevorsel en jkvr. Elisabeth van der Does de Wille bois in 1902. Driek van Run was veldwachter in Den Dungen van 1900 tot 1927.

Over Van Run doen vele verhalen de ronde. Bekend van hem is dat hij op aandrang van burgemeester Van Rijckevorsel het erg gemunt had op stropers. Stropen was indertijd een populaire bezigheid. In een tijd dat het vaak geen vetpot was kon het een "lekkere" aanvulling op het dagelijkse menu opleveren. Bovendien leverde de yacht van sommige dieren veel geld op. De pels van de bunzing, die overigens vrij bejaagd mocht worden, bracht bijvoorbeeld rond 1920 ongeveer een rijksdaalder op: voor die tijd een groot bedrag. Vatte Van Run zijn taak om het stropen tegen te gaan vol ijver op, de stropers lieten zich echter niet door hem afschrikken. Het gebeurde zelfs dat een aantal stropers de oren van een haas op de voordeur van Van Run vastspijkerde om aan te geven dat zij , ondanks zijn activiteiten, toch door bleven gaan met stropen en dat het hem toch niet zou lukken de stropers te pakken te krijgen.

Eens lukte het Driek van Run om Jentje Heinen wegens stroperij aan te houden. Jentje leefde zo gezegd van wat de dag hem brengen zOU. Bij de schoolkinderen was hij een populair iemand. Op de vraag "Jentje laot de maon eens scheijnen" zette hij steeds onder hilariteit van de kinderen zijn pet van zijn kale hoofd af. Toen Jentje werd aangehouden, weigerde hij echter met Van Run mee te gaan, waarna deze hem al marsend op zijn rug mee naar het arrestantenlokaal in het gemeentehuis nam.

Tot de taak van de veldwachter hoorde ook het in de gaten houden van de vergunningen en de sluitingstijd van de cafes. Van Run dronk zelfechter ook maar al te graaghet eenen ander. Somsgebeurdehet dathij bij zijn rondgang langs cafes ergens op een stoel oftafel ging staan en riep: "Wie is de man, die hier alles maken kan en jullie verleng geven kan?' Als de aanwezigen dan "Van Run, Van Run" hadden geroepen, dronk Driek er vrolijk op los en hoefde ook niet meer op de sluitingstijd gelet te worden. Eens had hij zoveel gedronken dat hij op een kruiwagen naar huis gebracht werd, vandaar zijn bijnaam , ,de kreuge".

14. Ter gelegenheid van het 12V2-jarig ambtsjubileum van burgemeester Piet van den Broek werd in 1932 deze foto gemaakt. Op de achtergrond staan: de gemeenteambtenaren Piet van de Linden en Piet van Osch, de raadsleden Marinus Ondersteijn en Janus Smits, de wethouders Antoon Kapteijns en Antoon van den Hurk, de raadsleden Hannes Cooijmans en Jan den Otter, politieman Nagtzaam en het raadslid Harrie Smits. De burgemeester en zijn vrouw A. de Mol zitten tussen hun kinderen Jan, Albert, Roger, Loet en Toine.

Overigens, burgemeester Van den Broek was vanaf 1924 tevens gemeentesecretaris. De Dungense gemeenteraad was in de eerste helft van de jaren dertig opvallend eensgezind. Waren er voor de gemeenteraadsverkiezingen van 1927 nog twee kieslijsten geweest, in 1931 besloten de zittende raadsleden om met een gezamenlijke lijst te komen om zodoende hun solidariteit te tonen. De plaats van de raadsleden op de kieslijst geschiedde door middel van loting. Echter, een nieuwe kandidatenlijst had zich eerder al aangemeld. Na overleg werd evenwel door de kandidaten van die lijst besloten hun kandidatuur in te trekken. Genoegen werd genomen met een reserveplaats achter de zittende raadsleden.

De architect op de achtergrond van deze handelwijze was pastoor Goulmy. Voor de verkiezingen van 1935 vormden de zittende raadsleden opnieuw een gezamenlijke lijst. Deze keer was echter niet iedereen meer genegen om van kandidaatstelling met een aparte lijst af te zien. Door een aantal bewoners van het Woud werd besloten am met een eigen lijst aan de gemeenteraadsverkiezingen mee te doen. De nieuwe lijst wist echter niet genoeg stemmen voor een raadszetel te bemachtigen. In 1939 was het met de eensgezindheid definitief gedaan. Behalve opnieuw een lijst van bewoners van het Woud, kwamen de twee wethouders ieder apart met een eigen lijst. Als vierde was er de lijst van het raadslid Jan den Otter, op welke lijst alleen arbeiders als kandidaten vermeld stonden. De standsgebonden politiek deed daarmee haar intrede in Den Dungen. De lijst van het Woud behaalde wederom te weinig stemmen voor een raadszetel, de andere drie lijsten lukten het wel een of meer zetels te bemachtigen.

15. De misdienaars bij het begin van het pastoraat van Goulmy in 1924. Achteraan staan, van links naar rechts: Herman van Alebeek, Meinard Pompen, Harrie Hoevenaars, Hendrik van Piet Goossens en Martien Ondersteijn. In het midden: Jan van de Koevering, Harrie van de Veerdonk, Harrie van Boven, Piet van Piet Goossens, Huub van Zandbeek en Piet van Huub d'n boer Goossens. Vooraan staan Christ van Alebeek en Christ van der Aa. De misdienaars staan voor het barokke hoogaltaar van de kerk.

Dat altaar was in de kerk geplaatst na het opnieuw in gebruik nemen door de katholieken van de aloude parochiekerk in 1821. Daarvoor hadden de katholieken ten gevolge van de overheersing van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden meer dan honderdvijftig jaren ondergedoken gezeten in schuil- of schuurkerken. De kerk was weliswaar al in 1807 door koning Lodewijk Napoleon teruggegeven, maar door het ontbreken van financiele middelen moest nog veertien jaren op het opnieuw in gebruik nemen van de kerk gewacht worden.

Het bewuste altaar, dat was aangekocht uit een fonds dat door verschillende parochianen bijeen was gebracht, was in 1821 met vijf hoogkarren in Turnhout opgehaald. De reis duurde acht dagen! In 1899 onderging de kerk een ingrijpende gedaanteverandering door de bouw van de toren. Tegelijk daarmee werd oak een doopkapel gebouwd. In 1926 yond opnieuw een grote verbouwing plaats. De kerk werd uitgebreid met twee zijkapellen. Niet aIleen het uiterlijk veranderde ten gevolge van die verbouwing, ook het interieur onderging grote aanpassingen. De kerk werd versierd met glas-in-loodramen, die grotendeels door parochianen en de kerkelijke verenigingen gefinancierd werden. De ramen werden geplaatst in de jaren 19281930.

Door het aanbrengen van de gebrandschilderde ramen kwam het oude kolossale hoogaltaar in de weg te staan. Het moest uiteindelijk voor de ramen wijken en werd vervangen door een altaar met een meer bescheiden omvang en dat lang niet zo mooi was. Dit altaar werd op zijn beurt in 1965 vervangen door het huidige. Waar het oude barokke hoogaltaar is gebleven, is niet bekend. Waarschijnlijk is het ergens in Belgie terechtgekomen.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2020 Uitgeverij Europese Bibliotheek