Den Helder in oude ansichten

Den Helder in oude ansichten

Auteur
:   K. de Wolff en L.Th. Berg
Gemeente
:   Den Helder
Provincie
:   Noord-Holland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-2175-0
Pagina's
:   160
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Den Helder in oude ansichten'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

INLEIDING

Aan het einde van de negentiende eeuw was Den Helder, of "Helder" zoals het toen nog officieel heette, een flinke, wat ge isoleerd liggende, stille provinciestad. De ligging aan de Noordzee gaf aan de stad een eigen karakter, aan de bewoners de bijzondere eigenschappen die kustbewoners van nature bezitten.

Met ruim 26.000 inwoners was het na Amsterdam en Haarlem in grootte de derde stad in Noord-Holland.

De Koninklijke Marine lag met een groot aantal schepen in de haven en was met een belangrijke hoeveelheid instellingen aan de wal gevestigd.

De Rijkswerf, nauw aan de marine verbonden, bood aan een duizendtal employes werkgelegenheid, het zeevisserijbedrijf vormde de bron van inkomsten van 500 a 600 man. Verder was er maar een zeer beperkte industriele bedrijvigheid.

Den Helder maakte een rnoeilijke tijd door; het verkeerde in een impasse. De burgerij herdacht de eeuwwisseling met weinig opgewektheid. Vooral onder de ouderen waren er velen die de tijd maar niet konden verge ten waarin, nog zo kort geleden, hun Nieuwe-Diep als wereldhaven, gonzend van activiteiten, Nederlands eerste koopvaardijhaven was. Niet aileen waren zij in hun trots gekrenkt, maar nog dagelijks ondervonden zij aan den lijve de gevolgen van de neergang van de haven, waarin geen verandering ten goede te verwachten was.

Wandelend langs de haven, waar naast de talrijke oorlogsbodems, depot-, wacht- en opleidingsschepen van de Koninklijke Marine, de sleep-, loods- en reddingboten, de vissersvloot slechts van geringe omvang was, de Texelse boot en zo nu en dan een vrachtschip op doorvaart wat bedrijvigheid op het

water veroorzaakten, zagen de echte "jutters" als in een visioen, het mastbos van de koopvaardijschepen die in hun jeugdjaren de ruim twee kilometer lange kaden een majestueuze aanblik had den gegeven. Daar lag nu aan het einde van de imponerende brede zeemond, "Het Marsdiep", de eens zo geprezen wereldberoemde vorstvrije getijhaven, de veilige ligplaats zelfs bij het gevaarlijkste hoogwater en bij vliegende storm, waar onder aile omstandigheden zonder stagnatie vanuit de volle zee door de grootste schepen van die tijd tot voor de kaden en vern en gevaren kon worden, om na hun kostbare lading gelost te hebben weer even snel en ongehinderd het ruime sop. te kiezen.

Nog in 1876 had dit nautische verkeer 1563 uitgaande en 1910 binnenkomende zeeschepen bedragen.

In samenhang met de opening van het Suezkanaal was hier in 1870 de Stoomvaartmaatschappij Nederland, de SMN, opgericht en gevestigd. De concurrerende Stoomvaart Maatschappij "Java", die later weer van het toneel verdween, en de Koninklijke Nederlandsche Stoombootmaatschappij, de KNSM vestigden hier eveneens hun etablissementen.

AI deze maatschappijen verkozen Den Helder als afvaarthaven voor de toen grootste schepen, zeekastelen van maar liefst 3000 ton, aangezien geen andere Nederlandse zeehaven in die dagen daartoe de gelegenheid bood. Den Helder beleefde een gouden tijd. Maar Amsterdam, dat zijn plaats in het wereldscheepvaartverkeer aan Den Helder had moeten afstaan, zat niet sUI en was jarenlang doende om met steun van de regering plannen te beramen voor het creeren van een scheepvaartroute voor de steeds groter wordende schepen langs de kortst mogelijke weg met de open zee, in plaats van het ver-

ouderde, te ondiepe en bochtige Noordhollandskanaal via Den Helder. En zo ontstond met de doorgraving van het duingebied bij Velsen ~ Holland op zijn smalst - in 1876 het Noordzeekanaal met sluizen te IJmuiden. Den Helder was volkomen buiten spel gezet en had als koopvaardijhaven afgedaan.

In de eerstvolgende twee jaren waren er nog wat moeilijkheden in de nieuwe vaarweg te overwinnen en profiteerde Den Helder daar nog van, maar in april 1879 was het dan zo ver dat het gehele personeel van de SMN en bloc naar Amsterdam werd overgeplaatst. Scheepvaartagenten, cargadoors, stuwadoors, haven-, wal-, transport- en kantoorpersoneel verlieten Den Helder, ook dat van de andere scheepvaartmaatschappijen en personeel van aanverwan te instellingen, zakenmensen en neringdoenden migreerden, zodat door deze uittocht in twee jaren de bevolking met negen pro cent terugliep tot 20.085. De klap was hard aangekomen, want ook de ach terblijvers had den een belangrijk mindere bestaansmogelijkheid, velen werden werkloos of leidden nog maar een minimumbestaan. Naast het visserijbedrijf bleef alleen de marine Den Helder trouw, zij is de redder in nood geweest, anders had de stad toen het peil bereikt van een dode stad en zou daarmee opgenomen zijn in de rij van de eens zo beroemde Zuiderzee-koopsteden.

Na het debacle als koopvaardijhaven kreeg de marine carte blanche in de haven, waarvan gezaghebbende marinekringen in de loop der jaren ruimschoots gebruik maakten. Geleidelijk volgden vestiging en concentratie van rnarine-eenheden en instellingen in Den Helder. De over ons land verspreide marinewerven werden samengevoegd tot een grote rijkswerf

"Het etablissernent te Den Helder": Den Helder was marinestad geworden.

Het begon zich in de jaren 1880 tot 1890 opnieuw te ontwikkelen, maar nu als marinehaven, waardoor de stad volkomen van karakter veranderde. De achteruitgang van het aantal inwoners kwam niet aileen tot staan, maar werd in een bevolkingstoename omgebogen. In 1900 was het aantal van 26.000 al overschreden en het ging to en in een gestage regelmaat omhoog. Er moesten woningen, scholen, kerken enzovoort bijgebouwd worden in nieuw gevormde woonwijken. Een Rijks Hogere Burgerschool, een Handelsschool, een Ambachtsschool, een Vakschool voor Meisjes en tal van lagere en enkele muloscholen werden gebouwd, waardoor aan de bestaande onderwijsinstellingen een gewenste en noodzakelijke uitbreiding werd gegeven. Duinwaterieiding, gasvoorziening, telegraaf- en telefoonnet en bestratingen werden aangepast aan de algemene tijdsomstandigheden. Den Helder ging met zijn tijd mee, ondanks de ongunstige financielc positie van de gerneente,

Toch was er anderzijds een belangrijke schaduwzijde. Het uitgaans-verrnaaksleven had voor een groot deel de gevolgen van de economische tegenslag te incasseren gekregen. De vermindering van inkomsten, waarbij velen zelfs armlastig werden, maakte uitgaan veelal onmogelijk en eeriijk gezegd ontbrak de lust daartoe dikwijls ook door de weinig rooskleurige omstandigheden en de ernst des levens. Hoe het zij: het grote, bekende vermaakscentrum "Tivoli" aan de Loodsgracht met zijn schouwburg-, feest- en vergaderzalen en tuin, waar de stafmuziek der Koninklijke Marine regelmatig concerteerde, bekende toneelgezelschappen afkomstig uit de

grote steden met acteurs van naam optraden, sprekers en voordrachtskunstenaars van heinde en ver acre-de-presence hadden gegeven, feesten, congressen en bijeenkomsten waren gehouden: dit Tivoli had geen bestaansmogelijkheid meer en viel na een steeds kwijnender bestaan in handen van de sloper, om plaats te maken voor woningen. Het concertgebouw "Musis-Sacrum" in de Koningstraat werd op 16 november 1898 publiekelijk te koop aangeboden en bij gebrek aan een koper-exploitant later gesloopt en werd toen bouwterrein voor winkels. Tal van grote of kleine vermaaksetablissernenten, vaak van minder gehalte, cafe-chantants, danshuizen en kroegjes, onverbrekelijk verbonden aan het luidruchtige vermaak van een havenstad, hadden reeds veel eerder, bij gebrek aan passagierende, vertier zoekende zeelui van aIle nationaliteiten, hun deuren moeten sluiten. Exploitanten, "Wijntje en Trijntje", waren met de noorderzon vertrokken. Den Helder was een nette stad geworden, waar niet veel meer te beleven viel, waar aIleen J anmaat zo nu en dan wat leven in de brouwerij bracht, vooral bij zijn terugkeer uit Indie na een afwezigheid van zes of meer jaren, of bij vertrek van een Indievaarder, wanneer de bemanning uitgeleide werd gedaan door een grote schare familieleden en kennissen. Dan was het voor korte tijd in Den Helder weer ouderwets gezellig, maar het kwarn daarna weer tot de gezapige rust waaruit het slechts ontwaakte in de traditionele Helderse kermisweek, het sinds 1801 bestaande volksfeest waar iedere jutter de rest van het jaar naar verlangde, voor spaarde en zich er zelfs voor in de schuld en stak. De boekhouding van de "bank van lening" getuigt hiervan.

Dwars door aIle voor- en tegenspoed heen waren vele echte

jutters hun geliefde woonoord "Oude Helder" trouw gebleven, de wijk waar de vissers-redders van vader op zoon hadden gewoond en hun over het algemeen arrnelijk bestaan hadden geleid. Uit deze bevolkingsgroep werden ook de vletten bemand met de schippers en vletterlieden die de eervolle bijnaam Blauwe Zeeridders verwierven.

Het "stormnest" Den Helder Iigt op een der gevaarlijkste punten van de Nederlandse Noordzeekust. Voor de kust liggen "De Haaksgronden", gevaarlijke ondiepten en zandbanken die door de eeuwen heen de reis van menig schip een voortijdig, roemloos einde hebben bezorgd. Ook de bi] storm dikwijls rnoeilijk te bevaren haven heeft, vooral in de tijd van de zeilvaart, vele schepen uit de koers geslagen en op het strand gezet. De kustbewoners bleven niet werkloos toezien als de jobstijding van de kustwacht "schip in nood" weerklonk en bij nacht en ontij bemanden de vrijwilligers de roeireddingboten om, met inzet van eigen leven, de schipbreukelingen bij te staan en in veiligheid te brengen. Deze heIden der zee, dit keurkorps, telt vele bekende namen: Klaas Duit, Cornelis Dito, Dorus Rijkers, Coenraad Bot, Janus Kuiper en vele, vele anderen. Zij hebben in de loop der jaren hondcrden zeelieden van een wisse dood gered. Tal van straatnarnen in Den Helder en de boordevolle medaillekasten in het Helderse stadhuis, nalatenschap van hen die de onderscheidingen eens verwierven voor hun moed en opofferingsgezindheid, houden hen in ere.

De geschiedenis van het Helderse reddingwezen is een boeiend verhaal van eenvoudige mensen, mensen die in het dagelijkse leven nauwelijks op de voorgrond traden. In het normale kleinstedelijke en wat gezapige leven, met spectacu-

laire uitschieters door de belevenissen op zee en aan de kust, kwam vrij plotseling een ingrijpende verandering.

De grote internationale spanningen die het diplomatieke verkeer tussen de grote Europese hoofdsteden in de jaren na 1911 gingen beheersen, de mobilisaties in verschillende landen en het latere oorlogsgeweld, lie ten Nederland en dus ook Den Helder aanvankeIijk nog ongemoeid. Toen ook ons land als voorzorgsmaatregel in augustus 1914 mobiliseerde en in hetzelfde jaar de Eerste Wereldoorlog een feit was geworden, kreeg ook Den Helder een totaal ander aanzien.

Toen de marinebasis en belangrijke garnizoensplaats, "de stelling Den Helder", in staat van paraatheid werd gebracht, kreeg de stad een groot aantal gemobiliseerden van 1and- en zeemacht te herbergen. Kazernes, forten en zelfs scholen werden volgepropt met militairen, bovendien werden velen bij de burgerij ingekwartierd. Het straatbeeld veranderde als bij toverslag: de stad kreeg weer een levendig aanzien, het zaken- en bedrijfsleven ondervond de invloed van de aanwezigheid van de duizenden, van elders komende militairen die, ver van huis, in hun vrije tijd in de stad vertier zochten en inkopen deden. In de vier volgende mobilisatiejaren ging het Den Helder geed, hoewel er van een normaIe economische opleving, die de stad zo dringend behoefde, geen sprake was. De omgang van burgers en militairen uit aile maatschappelijke kringen en windstreken afkornstig, werkte verfrissend en stirnulerend op de ondernerningsgeest, zodat er na 1918, de beeindiging van de mobilisatie, bij velen in Den Helder de drang tot meer economische bedrijvigheid ontstond en gestalte kreeg door het instellen van een "Commissie voor de Economische Ontwikkeling van Den Helder", onder voor-

zitterschap van burgerneester W. Houwing, die langzamerhand weI enig resultaat wist te boeken. Maar de grote, catastrofale economische wereldcrisis naderde onafwendbaar de grenzen van ons vaderland.

Den Helder, minder gevoelig voor conjunctuursinvloeden, kwam er in de jaren dertig nog betrekkelijk goed af, waardoor de op gang zijnde ontwikkeling slechts matig werd afgeremd, de bevolking nam zelfs in belangrijke mate toe; een aanwas die woongelegenheid verkreeg in nieuwe, ruime woonwijken die voor het eerst in de geschiedenis van Den Helder volgens een stedebouwkundig plan gebouwd waren. Zoals in andere plaatsen van ens land geschiedde, konden door regeringsmaatregelen in zogenaamde werkverschaffingsobjecten, het natuurpark "De Donkere Duinen" en het Timorpark in uitvoering worden genom en, die later tot een betere groenvoorziening bijdroegen.

Strand en duinen bleken in toenemende mate een aantrekkingskracht uit te oefenen op de stadsbewoners en op het vreemdelingenverkeer, totdat in 1939 ook aan deze ontwikkeling een abrupt einde kwam.

De rnobilisatie en daarna het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog waarin ook ons land betrokken raakte, hebben het lot van Den Helder als militaire stad bepaald. Beperken wij ons tot het weI en wee in woord en beeld van Den Helder tot 1940, dan kan niet zonder weemoed vermeld worden dat zeer veel van wat op volgende bladzijden aan u wordt getoond, door de oorlogshandelingen tussen 1940 en 1945 werd weggevaagd of onherstelbaar vernield.

DEN HELDER 1940

1. Den Helder Iigt in de uiterste noordpunt van Noord-HoIIand, ver verwijderd van andere steden van enige betekenis. Het is een .Jandsend", waar Hollands imposante duingebied versmalt en eindigt in de machtige Helderse Zeewering. Het Helderse gebied vormt een schiereiland, want het wordt aan drie zijden door water ornspoeld: de Noordzee, het Marsdiep en de Waddenzee, waardoor het bijzondere karakter van de stad bepaaId is. Wegen, spoorIijn en Noordhollandskanaal eindigen aile in de stad; doorgaand verkeer is er slechts door middeI van de boot naar Texel. De Fortengordel, daterend van de Napoleontische tijd, vormt tijdens onze wandeling nog de grens van de stedelijke bebouwing.

Panorama N. V. Zeebad Huisduinen

2. De grote aantrekkelijkheid van Den Helder is de Noordzee, die altijd een machtig, imposant schouwspel biedt. Vrijwel vanaf het punt waar de Noordzee en het Marsdiep, bij Kaaphoofd, elkaar raken, wordt de kust in zuidelijke richting omgebogen en gevormd door een smalle duinreep met daarvoor een breed strand. De eigenlijke badplaats op Helders gebied is Huisduinen, een klein dorp dat langs verschillende wegen vanuit de stad te bereiken is. Van hieruit gaan wij onze forse wandeling beginnen, omdat het mooie weer ons uitnodigt tot een verrukkelijke strandwandeling, waarvoor het straks, later op de dag, wellicht wat te warm zal worden. Vanuit de duinen dalen wij ten zuiden van het drukkere officiele strand af naar de mulle zandvlakte, om ons naar de begaanbare rand van het water te begeven, waar overkomend water en rollend schuim van de branding ons soms parten spelen.

Strandqezicht - }(uisduinen.

3. Het strand ligt in volle glorie voor ons. Links de onafzienbare, deinende watervlakte met wijde horizon, rechts het golvende duinlandschap, met het ver naar de kust geschoven fort "Kijkduin", de loods van de kustwacht, het badpaviljoen en hoog boven alles uitrijzend de vuurtoren Kijkduin (Lange Jaap). Het "Kijkduin" ter plaatse van het in 1811 gebouwde fort "Kijkduin" was het hoogste duin ten zuidwesten van Huisduinen. De naam is ontstaan uit het praktische gebruik dat de loodsen destijds van deze hoogte maakten als overzicht op de schepen die geloodst moesten worden.

4./5. We gaan de bouwsels aan de kust eens wat van dichterbij bekijken en ontmoeten daarbij het eerst het badpaviljoen van Huisduinen. Het is een houten restaurant, gesticht door F. Sant en Th. Terra, dat dateert van 1890, de tijd dat het strand meer en meer in trek kwam voor ontspanning. Er mocht in deze omgeving praktisch gesproken niet gebouwd worden, aileen in hout en dan alleen maar in

beperkte mate. Voor een wijde kring om het nabijgelegen fort "Kijkduin" gold de zogenaamde Kringenwet, hetgeen eigenlijk neerkwam op een bouwverbod binnen die kring. De gezellige, aantrekkelijke inrichting, de prettige gelegenheid tot samenkomst van enkelingen, als ook van hele families en gezelschappen, maakten het paviljoen tot een uitverkoren verblijfplaats na wandeling of strandbezoek.

6. Op het terras van het restaurant genoot men van een wijds uitzieht. Het stand ervoor, dat bij eb zeer breed was, noemde men het luxe strand, waar men onder toezicht kon baden in een door touwen afgezet gedeelte. De veranderde, wisselva1lige getijstromen dieht langs de kust maakten het zwemmen buiten dit strandgedeelte uiterst gevaarlijk. De vele ondiepten en banken die de kust gevaarlijk maken, zijn sorns vanaf deze hoogte duidelijk ziehtbaar. De Razende Bol, De Haaksgronden ...

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek