Dinteloord in oude ansichten deel 1

Dinteloord in oude ansichten deel 1

Auteur
:   H. Goulooze
Gemeente
:   Steenbergen
Provincie
:   Noord-Brabant
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-3618-1
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Dinteloord in oude ansichten deel 1'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

INLEIDING

Men kan het een goede of minder goede gewoonte vinden, maar het is nu eenmaal gebruikelijk, dat wanneer een werkje als dit verschijnt, er ook iets over de betreffende gemeente wordt geschreven. Dus waarom nu niet? Zullen we dan beginnen met een stapje in de tijd terug te doen? Nou ja, stapje, liever stap, laten we zeggen tot het jaar 1600. "Ha," zegt u, "dat is tenminste een jaartal dat ik nog uit mijn schooltijd onthouden heb. 1600 Slag bij Nieuwpoort, maar wat heeft dat met Dinteloord te maken?" Nu ja, het is dan ook maar om even uw gedachten te bepalen, immers bij enig nadenken weet u, dat die slag viel in onze tachtigjarige oorlog en dat die slag geleverd en gewonnen werd door prins Maurits. Deze Maurits had een oudere half-broer, Philips Willem, de oudste zoon van prins Willem van Oranje. Reeds bij het begin van de tachtigjarige oorlog was deze Philips Willem - op veertienjarige leeftijd - vanuit Leuven waar hij studeerde, als gijzelaar weggevoerd naar Spanje. In 1596 keerde hij weer in de Nederlanden terug en omdat de goede man toch moest leven, wilde hij zich al dra met zijn erfdeel gaan bemoeien. Tot dit erfdeel, dat in hoofdzaak van moederszijde kwam, behoorden de gorzen in het land van Steenbergen, ruwweg tussen de huidige Mark en Dintel en de Roosendaalse- of Steenbergse Vliet. Eigenlijk was dit gebied van niet zo veel betekenis. 0 zeker, het was een prachtig, biesbosachtig natuurgebied, maar daar had men toen nog niet zo'n behoefte aan. Aan de zuidzijde begon Steenbergen in aanzien te komen, in tegenstelling tot het noorden waar het eiland van de Fijnaart lag en waar de vestingen Klundert en Willemstad lagen in betrekkelijk jonge polders, die ook al van betekenis gingen worden.

Omstreeks het roemruchte jaar 1600 dan, bleek dat de gorzen in het gebied van Philips Willem al tamelijk rijp voor bedijking geworden waren en de prins, die voor zijn geestesoog het goudgele koren reeds zag wuiven in de wind, liet er dan ook geen gewoon gras over groeien en nog minder het ranke maar ruige riet, de taaie biezen en het wilgenhout. Nu zat het hem tegen, dat de tijden nogal verward waren. Aan wie moest hij nu vergunning tot bedijking vragen? Zekerheidshalve stak hij daarom twee ijzers in het vuur: hij vroeg de daartoe benodigde octrooi- of dijkbrieven aan, zowel aan de Staten-Generaal der Verenigde N ederlanden als aan aartshertog Albertus van Oostenrijk, de landvoogd van koning Philips II van Spanje. Waarom aan beiden? WeI, het was nu eenmaal het gebruik, dat al was men eigenaar van een bepaald gebied, de toestemming voor bedijking gegeven diende te worden door de vorst of andere hoogste instantie binnen wiens territoir het gebied gelegen was. En aangezien zowel de Staten-Generaal als koning Philips beiden pretendeerden het oppergezag in deze streek uit te oefenen, hield Philips Willem op zeer tactische wijze de kerk zo'n beetje in het midden. Respectievelijk in 1603 en in 1604 verkreeg hij van beiden de gewenste toestemming en vrijwel meteen zijn zijn mensen aan het werk getogen. Reeds in het voorjaar van 1605 is de polder droog en kunnen de gronden voor bebouwing beschikbaar worden gesteld. Dat zich vrijwel onmiddellijk een behoorlijk aantal mensen in die polder, die van meet af aan de naam van Prinslandsepolder kreeg, vestigden, blijkt onder meer uit het feit, dat toen Jan van der Daesdonck in november van dat jaar tot dijkgraaf werd benoemd hij reeds schout was van Prin-

senland. Er was dus toen al een zekere gemeenschap en het ligt voor de hand, dat dan ook al spoedig de behoefte ontstond aan verzorgende en dienstverlenende personen en instanties. De boeren hadden een smid en een timmerman nodig, een barbier en een taveerne om hun gemeenschappelijke belangen met elkaar te kunnen bespreken. Voor de huishoudens van boeren en knechten en al die anderen ontstond dan weer behoefte aan neringdoenden en dan moeten er ook weer mensen zijn voor aanvoer van verschillende benodigdheden en afvoer van de produkten uit de polder. Ret ligt dus voor de hand dat er al heel snel in het daartoe gereserveerde en ook reeds geplande deel van de polder, een dorpsgemeenschap gevormd werd en dat die kern juist op deze plaats was gepland, zal weI mede oorzaak zijn van het feit, dat de goedkoopste en gemakkelijkste verkeersweg, de Dintel, voor de deur stroomde.

Ook het polderbestuur was hier vanaf het begin gevestigd en alles wat voor het dagelijkse leven noodzakelijk was, vond men bij elkaar. AIle zaken die de gemeenschap raakten, werden ook van het begin af reeds behoorlijk geadministreerd, wat onder meer blijkt uit het feit, dat reeds in 1606 aIle eigendomsoverdrachten, zowel van gebouwde als ongebouwde eigendommen nauwkeurig werden geregistreerd in het zogenaamde "erffdomboeck" van schepenen, terwijl in datzelfde jaar ook reeds aIle leningen, hypotheken, huurkontrakten, testamenten, enzovoort werden ingeschreven in het "recognitieboeck" van schepenen. AI met al blijkt dus dat er in Prinsenland aan de oever van de Dintel in korte tijd een nijver en geriefIijk oord was ontstaan, dat - en dat is duidelijk eigenlijk Dinteloord in Prinsenland had moeten heten.

o nee, niet alles was zo eenvoudig als hier is neergepend en niet alles was zonder horten of stoten verlopen. Behalve het verzet tegen de inpoldering van Zeeuwse zijde was er - om nu maar een ding te noemen - het verzet van de militaire gouverneur van Willemstad, die zich in zijn plannen om reeds toen een goede Schelde-Rijn verbinding, door een kanaal van Antwerpen naar Dordrecht, tot stand te brengen zag gedwarsboomd. Voor dit plan immers lag Prinsenland wel een beetje in de weg. En ja, al zit er nu dan wel schot in, die korte ScheldeRijn verbinding is er nu eigenlijk nog niet, maar Dinteloord en Prinsenland zijn niet meer weg te denken.

Zoals u natuurlijk weet, beslaat het tegenwoordige grondgebied van de gemeente weI iets meer dan de oude Prinslandsepolder. Nog in de tweede helft van de zeventiende eeuw volgden respectievelijk de Willemspolder (1649), de Mariapolder (1650), de Beaumontspolder (1652) en de Koningsoordpolder (1699). In de achttiende eeuw volgen dan nog de indijkingen van niet minder dan acht andere, meest kleinere polders en tot slot in de vorige eeuw nog de Drie Vriendenpolder. Ret zou, in het kader van dit voorwoord te ver voeren om op de overige aspecten van de ontwikkeling van Dinteloord in te gaan. Daarorn dan maar niets over de godsdienstige, politieke, sociale of wat voor toestanden in het verleden ook. Vast staat, dat hoe moeilijk de gemeente het ook, vooral in financieel opzicht, in het begin heeft gehad, zij zich al spoedig ontwikkelde tot een vrije en zelfstandige heerlijkheid, bewoond door een stug werkend, vriendelijk en betrouwbaar slag mensen.

o zeker, ik weet net als u, dat we in West-Brabant aan de vooravond staan van grote veranderingen. De in-

dustrie in de omgeving bloeit op. Ais een zwaard van Damocles hangt het plan voor een tweede nationale luchthaven boven ons hoofd, om dan nog maar niet te spreken over het onmogelijke plan om deze gemeente samen te voegen met enkele anderen. Nou, wat Dinteloord en Prinsenland betreft, hoeft dat helemaal niet. Het is een van de zeer weinige gemeenten in ons land, die nog steeds kans ziet elk jaar met een sluitende begroting voor de dag te komen en waar de openbare voorzieningen de toets der kritiek zeer glansrijk kunnen weerstaan. En wat bestuurskracht betreft, lag aan het eind van de laatste wereldoorlog niet vrijwel heel het dorp letterlijk in puin? En kom nu eens kijken? Natuurlijk, het dorp wordt groter en moderner en meer en meer inwoners zullen hun bestaan in de industrie in plaats van in de landbouw vinden. Maar als ik het voor het zeggen zou hebben, dan zou dit mooie dorp nog lange, lange jaren als een typisch agrarisch dorp met zijn fraaie kern bij het gemeentehuis en bij de Kreek mogen blijven bestaan, te midden van vruchtbare en rijke akkers en van boombeplante dijken, met statige wolkenstoeten boven de wijde polders en ik hoop, dat van de Prinslander gezegd kan blijven, zoals de dichter M. Mok in een van zijn verzen deed:

Nooit was de mens zijn bodem zozeer eigen als dit hardnekkig ras, dat kwam en schiep een nieuwe wereld, in het peilloos zwijgen dat langs de oevers van de hemel liep.

De velden strekten zich, de oogsten. stegen gaud en bewogen naar het zonlicht op,

de sprakeloze aard had stem gekregen,

de echo van des mensen harteklop .

Ziin werk bezong zich in het lied del' aren, hij heeit zijn overwinning niet doorgrond, maar soms verloren in een peinzend staren ontspande van zijn verbeten mond.

Hij werd reeds naar de aarde toegebogen, zijn handen waren barstig en vereelt,

het [onge karen rijpte 1'001' zijn ogen

en door zijn haren lieejt de wind gespeeld.

De grenzen van de wereld gingen deinzen. Hij rustte, bijna was zljn deel volbracht. Vel' juichten kinderstemmen en zijn peinzen brak in het roepen van een nieuw geslacht.

't Was niet eenvoudig om aan materiaal en gegevens over Dinteloord uit grootvaders tijd te komen. Veel dank ben ik verschuldigd aan hen die mij aan het een en ander geholpen hebben. Veruit de meeste toto's kwamen uit de particuliere verzameling van de heer J. Dane van wie ik ook nog al wat gegevens verkreeg die op uitnemende wijze werden aangevuld door de nu vijfentachtigjarige heer D. Herselman.

Moge dit boekje de kijkers en lezers enige aangename uren bezorgen.

IlITG. l'AUTA, VELSEN.

3577.

DI TELOORD, - Gerneentehuis.

1. Oppervlakkig gezien is er sedert dit plaatje werd gemaakt (circa 1905) niet zo heel veel veranderd. Het gemeentehuis ziet er nog net zo uit. Het enige dat (gelukkig) verdwenen is, is het brandspuithuisje op de hoek van de Westerstraat en de kerk en ... de grappige huifkarren hebben plaats gemaakt voor het (al of niet) glanzende blik van onze auto's. Heeft u vader Petrus en zoon Gerardus Vlamings al herkend?

01 NTELOORO, - Gemeentehuis.

2. Een paar jaar later. De West Voorstraat is nu geen grindweg meer, maar is met keien bestraat en een hekje voor het gemeentehuis verhindert het zitten in de vensterbanken. Het lijkt er op of bode Aart de Wit juist een bruidspaar uitgeleide doet, maar dat zal wei niet zo zijn, want dan hadden er in de plaats van slager Jan Huijbregts en die andere manncn wei vrouwen gestaan.

3. Een kijkje op de Kreek en de achterzijde van het gemeentehuis. Op het waterstoepje links vooraan, juist voorbij de zadelmakerij van Hartman, staan timmerman Jaap van de Merbel en zijn knecht.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek