Geervliet in grootmoeders tijd

Geervliet in grootmoeders tijd

Auteur
:   T.A. Otto
Gemeente
:   Bernisse
Provincie
:   Zuid-Holland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-5218-1
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Geervliet in grootmoeders tijd'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

31. Geervliet heeft een rijke hi storie en bezit een schitterende kerk, gewijd aan Onze Lieve Vrouwe, daarom ook weI Sint Marie genoemd. Tot aan de reformatie was het een katholieke kerk met vele goederen en stukken land.

De eerste gereformeerde predikant was Gerard Jacobszoon Douw. Bij zijn aansteIling in 1573 verdiende hij 12 gulden per maand. Zijn naam staat niet op het predikantenbord vermeld. Waarom dat niet is gebeurd, is niet bekend.

Opvallend aan deze kerk is het verhoudingsgewijs grote koor. Dat staat in verband met de aanwezigheid van vijftien kanunniken, die zeven keer per dag de getijden moesten zingen. De heren van Putten hadden het patronaatsrecht: zij mochten de kanunniken benoemen. Later kwam dit recht aan de Spaanse koning. In het koor staat de graftombe van Nicolaas van Putten en zijn vrouw Aleid van Strijen: het is een van de oudste praalgraven in ons land.

Op het kruisingspunt van het schip en de dwarsarmen stand ooit het vieringstorentje. Het is al weer jaren verdwenen. In 1936 werd de kerk voor een bedrag van f 46.000 gerestaureerd; van dat bedrag werd.f 32.000 door de overheid geschonken. Het restant kwam bijeen door coIlectes en giften. Men ontving ook een gift van koningin Wilhelmina.

Begin jaren zestig is de toren ook gerestaureerd en sindsdien kijkt de klok weer aIle kanten op. De laatste jaren wordt er hard gewerkt om het geld bijeen te krijgen voor de restauratie van het interieur van de kerk. De jaarlijks terugkerende rommelmarkt is daarvoor een goede bron van inkomsten geworden. Door deze inspanningen kon onder andere het huidige orgel worden aangeschaft.

Er zijn nag meer plannen en ik wil hierbij de hoop uitspreken dat deze allemaal ongewijzigd kunnen worden uitgevoerd!

32. De Oude Singel was heel lang de verbindingsweg tussen de Landpoort en de Kalkpoort bij de Noorddijk en liep parallel aan de stadsgracht. De Kalkpoort werd voor het eerst genoemd in 1422. Er werden toen werkzaamheden uitgevoerd aan het "callekens poorthuus". Een lang leven is deze poort niet beschoren geweest: in het jaar 1537 werd hij voor het laatst in de stadsrekening vermeld. Toch wordt de plaats ook later nog met Callekenspoort aangeduid. Onze fotograaf staat op de plaats waar de Landpoort stond.

In 1406 werd deze poort voor het eerst als onderdeel van de vestingwerken in de archieven vermeld. In dat jaar woonde ene Dellaart Yessoen in een huisje bij de poort, waarop onder andere de Deurlose weg en de weg "rechtuit" uitkwamen. Ook de Landpoort werd verpacht. Pachters als Adriaan Y sbrantszoon Starck en Ewout Ariens Corvinck namen de verplichting op zich om de poort "raak" te houden, dat wil zeggen: in goede conditie. Dat die verplichting uiteindelijk niet goed werkte, blijkt wel uit het feit dat de poort in 1746 wegens bouwvalligheid moest worden afgebroken. In dat jaar kocht Jan Corneliszoon Prooye voor f 325 het recht om de poort te mogen afbreken.

Het aanzicht van de Oude Singel is door de jaren heen drastisch veranderd. De grote boerderij van Van der Berg verdween, evenals de mooie boomgaard. De sloot aan de rechterkant van de weg werd gedempt en er verrezen nieuwe huizen van onder anderen Gerrit Reedijk, de bakker. Naastzijn huis werd de nieuwe pastorie gebouwd. De boerderij van Piet de Graaff verloor haar oorspronkelijke functie en na een grondige restauratie is er een bedrijfvoor optische instrumenten in gevestigd. De overheid mag zich best gelukkig prijzen met dergelijke particuliere initiatieven, waarvan er in Geervliet al diverse zijn genomen. Op een gegeven moment is het verval zover ingetreden dat herstel niet meer mogelijk is.

De fundamenten van de Landpoort zijn opgegraven tijdens de aanleg van de riolering in 1954. Wie de aan de Landpoortstraat gelegen villa "aan de Landpoort" passeert, zal nooit meer vergeten dat daar een poort stond.

33. Dit is de handwerk- en breiclub onder leiding van juffrouw Mies Engelen.

Bovenste rij, van links naar rechts: Cornelia Landman, Joke v.d. Hoek, Marie Rosenberg, Janna v.d. Hor, Lammie Rosenberg, Bep Luijndijk, Marietje v.d. Hor en Pietje de Knecht.

Daaronder: Annie Kleywegt, Marie Rosenberg, Cornelia Landman, Willie Rosenberg, Mies van der Bie, Ko Kart, Geertje de Baan, Pietje Poldervaart en Jo Hogereide.

Daaronder: Mies Engelen, Dini Engelen, Sjaan van der Bie en Leentje Voogt. Zittend op de grond: Neeltje Landman, Pietje v.d. Slot en Neeltje Mol.

Deze opname is gemaakt op het schoolpleintje aan de Molenstraat, waar zich nu het woonhuis van de familie Gerhardt bevindt.

34. Het onderste deel van de korenmolen had vroeger een heel andere functie. Ais onderdeel van de vestingwerken was het een opslagplaats voor kruit. Toen deze vestingwerken overbodig werden, werd er op de kruittoren een korenmolen gebouwd. Sinds er in de molen een restaurant is gevestigd, is er ook sprake van een wijnkelder. Het schijnt dat er zich onder deze kelder nog een ruimte bevindt. In deze onderste kelder zijn vermoedelijk twee deuren aangebracht die toegang moesten verschaffen tot vluchttunnels. Deze tunnels moesten de verdedigers van de vesting de gelegenheid geven om het vege lijf te redden. Een van die tunnels eindigde in of bij de Hof van Putten. Er is dus vermoedelijk nog een tunnel, maar waar die naar toe moest leiden, is niet bekend. Bewijzen zijn er mijns inziens nooit gevonden, maar het is misschien wel de moeite waard om er eens naar te zoeken.

Een korenmolen is onmisbaar in een agrarische samenleving en dat is Geervliet eeuwenlang geweest. Zo is ook de vlasteelt een onderwerp dat in dit boekje eigenlijk niet buiten beschouwing mag worden gelaten. Het vias werd in het voorjaar gezaaid en in de zomer, als het rijp was, geplukt. De volgende stap in de bewerkingsfase was het repen. Op een plank was een grote ijzeren kam bevestigd, waar het vias doorheen werd getrokken om de zaadbolletjes emit te verwijderen. Van dit lijnzaad werden lijnolie en lijnkoeken gemaakt. Dit laatste was een soort veevoer.

Daarna werd het vias geroot. Een gedeelte van een sloot werd aan twee kanten afgedamd, waarna het vias er in werd geschept. Het geheel werd daarna afgedekt met een laag modder. Na ongeveer twee weken ging de eigenaar kijken of het vlas al goed was. Was dat het geval, dan werd het vlas nit de sloot gehaald en op het land te drogen gelegd. Na het drogen werd het vias door een braakmachine gehaald om het te breken. Daarna ging men zwingelen. Enkele boeren hadden een zwingelkooi, een min of meer open schuur omdat het zwingelen een zeer stoffige bezigheid was. Deze arbeid werd hoofdzakelijk in de winter verricht, omdat er verder op het land niet veel te do en was. Na het zwingelen maakte de opmaker bosjes van het vlas, die naar de industrie werden gebracht, waar er linnen van werd gemaakt.

35. Dit dee I van de Geervlietse polder is ook bekend als het Oude Guldenland. Hier stroomde heel lang geleden de Bernisse, een belangrijke rivier in het internationale handelsverkeer. Maar na verschillende overstromingsrampen is de stroomrichting zodanig gewijzigd, dat de Bernisse langzaam maar zeker is dichtgeslibd.

Het zeewater stond ooit tot tegen de Ringdijk, maar na steeds verdergaande verlanding, zijn er nieuwe polders ingedijkt en tot vruchtbaar land gemaakt, zodat er op het laatst slechts beperkt scheepvaartverkeer mogelijk was.

Het veer Heenvliet-Geervliet werd in 1602 vervangen door een vaste oeververbinding. Sprekende voorbeelden van inpoldering zijn het Oude Guldenland (op deze foto), het Tolland, de Schuddebeurs en de Hoenderhoekse polders.

Op de voorgrond is nog een klein stukje van de "pit" te zien, een heel klein meertje langs de Schapenkade. Nog niet eens zo heel erg lang geleden was dit voor veel Geervlieters een geliefd plekje om in de winter de schaatsen onder te binden. Tegenwoordig staat het vol met riet en waterplanten. Waar de naam Schapenkade vandaan komt is me eigenlijk een raadsel. Er zijn wat koeien te zien en een oud paard, maar schapen zijn er niet.

De naam Geervliet betekent: een spits toelopend stuk land, nabij een onder getijdeninvloed staande waterloop. Het getijde heeft op deze plaats weinig meer in te brengen. In de jaren dertig is er in de haven, dichtbij de Bernisse, een sluisje aangelegd. Sindsdien stroomt er bij niemand het water meer naar binnen. Dat gebeurde wei eens als het water erg hoog stond.

Het torentje langs de Toldijk was een transformatorhuisje van het G.E.B. Die dingen waren toen veel mooier dan nu.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2019 Uitgeverij Europese Bibliotheek