Geleen in oude ansichten deel 2

Geleen in oude ansichten deel 2

Auteur
:   prof. dr. M.J.H.A. Schrijnemakers
Gemeente
:   Geleen
Provincie
:   Limburg
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-0273-5
Pagina's
:   112
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Geleen in oude ansichten deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  >  |  >>

39. "De Berg" van het noordwesten uit gezien; linoleumsnede door Jacob van Hoof naar een tekening door P.A. Schols. Dit romantische gebouw in vakwerk op het noordelijke einde van een natuurlijke landrug langs de Geleenbeek was vroeger met een watergracht omgeven. Ofschoon de gedachte aan een Middeleeuwse burch t zich opdringt, ligt zijn oorsprong in het duister. Voor de bewering, dat hier een ridder Vos zou hebben gewoond, ontbreekt elke historische grond. In het begin van deze eeuw woonden er de gebroeders P.M. Ramakers (1848-1928) en J.S. Ramakers (1853-1926) en M.S. Sieben (1868-1926), echtgenote van eerstvermelde. Toen was er nog niet de pomp, die op deze afbeelding staat; de bewoners schepten het water voor koffie, eten, was en ander gebruik uit de Geleenbeek. Na het overlijden van de drie genoemden werd dit deel van het gebouw verhuurd.

40. Verscheidene generaties lang was "de Berg" in tweeën gedeeld. Hier geeft een linoleumsnede door Jacob van Hoof naar een tekening door P.A. Schols de zuidoostzijde weer. De linkervleugel op deze afbeelding is de rechtervleugel op de vorige (afb. 39). Op 8 september 1875 werd dit gedeelte gekocht door de weduwe G. Schrijnemakers-Pluyrneekers (1811-1889), die toen nog in de Jodenstraat woonde (zie afb. 45). Haar jongste zoon Louis Schrijnernakers (1852-1932), die later op de Pesch woonde (zie afb. 27 en 28), zou er vele jaren lang cider (appelwijn) en "èètje" (azijn) maken. Na zijn dood werd dit gedeelte door de buurman Leo Janssen (1888-1960) gekocht. Op 18 januari 1945 heeft een vliegende bom, die vlakbij ten oosten van de Geleenbeek terechtkwam, het gehele complex verwoest. Thans staan op de plaats ervan drie nieuwe woningen; van de vroegere situatie is nauwelijks een spoor overgebleven.

41. Vooraanzicht van "Huize Koekamp". Dit landhuis werd in 1781-1782 gebouwd door de advocaat J.J.F. Meyer, wiens moeder een dochter van de Bokkerijder Willem de Gavarelle was (zie afb. 5). Dit complex lag tot 1794 binnen het graafschap Geleen en tot 1808 binnen de gemeente Geleen. Toen de Geleenbeek in 1808 de grens werd, kwam het landgoed binnen de gemeente Munstergeleen te liggen. Op 28 juli 1810 werd het door de erfgenamen Meyer aan De Wynants verkocht; deze verkocht het in 1826 aan W. Strengnart, die reeds eigenaar van Abshoven was. Op 1 november 1858 werd "Huize Koekamp" gehuurd door Joseph Russel (1829-1888), die een achterkleinzoon van drossaard R. Corten was. In 1860 publiceerde deze "De Heerlijkheid Geleen" (in 1974 opnieuw uitgegeven) en in 1863 "De Auvermannetjes", een romantisch verhaal over kabouters, dat zich voornamelijk rond de Hanenhof en "de Berg" afspeelde.

42. Luchtfoto van "Huize Koekamp". In 1877 kwam Th.J. Pijls van Schinnen (geb. 1851) naar dit landgoed; hij zou er een leerlooierij exploiteren. In 1885 werd hij tevens burgemeester van Munstergeleen; hij overleed reeds in december van datzelfde jaar. De weduwe E. Pijls-Meens (1845-1909), in de volksmond "JOffer Piels" genoemd, bleef tot 1900 met haar kinderen op "Huize Koekamp" wonen. In datzelfde jaar verkocht zij het complex aan M. Haan uit MilIen (1838-1902). Na zijn dood bleef de dochter C1ara Haan (1864-1940), in de volksmond "de Freule" genoemd, er alleen wonen. In 1929 verhuurde ze en in 1931 verkocht zij "Huize Koekamp" aan het echtpaar O. Strens-Haan. De heer Otto Strens (1900-1952), een afstammeling van de beide Geleense drossaarden Strens, legde zich speciaal op de fruitteelt toe.

43. De achterkant (noordzijde) van de molens van Munstergeleen in de 30-er jaren. Tussen de beide schepraderen ziet men een hefboom om de sluizen te bedienen en de waterloop te regelen. Rond 1940 werden de raderen door water-turbines vervangen. Reeds in 1287 werd hier een molen vermeld, en uit een document van 1439 blijkt, dat er toen al twee molens tegenover elkaar lagen. Op de westelijke oever (rechts) lag een graanmolen en op de oostelijke oever (links) lag een oliemolen. Beide molens behoorden eeuwenlang tot Munstergeleen. maar toen de Geleenbeek in 1808 tot grens werd verklaard, kwam de graanmolen bij de gemeente Geleen. In de graanmolen woonden in de 17de en 18de eeuw leden van de familie Lemmens. In 1771 trouwde een dochter Lemmens met een Houben uit Einighausen. In de oliemolen woonden in diezelfde periode leden van de familie Luyten, In 1816 huwde de graanmulder P.J.A. Houben met J.E. Luyten, dochter van zijn buurman in de oliemolen. Zij werden de ouders van Andries Houben (Pater Karel), die op 11 december 1821 in de graanmolen werd geboren. In 1874 kwam P.H.M. Welters uit Holturn-Bom naar de oliemolen; in de 90-er jaren richtte hij die molen eveneens als graanmolen in. Maar nadat hij in het bezit van beide molens was geraakt, werd de vroegere oliemolen in 1912 tot houtzaagmolen omgebouwd. Na zijn dood (1916) nam zijn jongste zoon Pierre de laatstvermelde molen over, kreeg zijn zoon Guillaume de graanmolen en bleef voor zijn oudste zoon Sjang de boerderij.

44. De voorkant (zuidzijde) van de graanmolen met woning (in de hoek) op de westelijke oever van de Geleen naar een reconstructie door Jan Siskens. Hier werd op 11 december 1821 Andries Houben geboren. Hij zou bij de Paters Passionisten intreden en op 5 januari 1893 als Father Charles (in het Nederlands: Pater Karel, maar in de volksmond spreekt men nog graag van pater Carolus) C.P. te Dublin (Ierland) in geur van heiligheid overlijden. Het Apostolische Zaligverklaringsproces nam in 1935 een aanvang. In datzelfde jaar werd zijn geboortekamer tot openbare bidkapel ingericht; ze werd een waar pelgrimsoord. De huidige buitendeur (bij het linker raam) is een toevoeging uit 1891; voordien ging men via de molen naar de woonvertrekken. In 1954 werd de schuur (links) volgens het ontwerp van architect P.A. Schols tot kapel omgebouwd. Daar wordt tweemaal per jaar de H.Mis opgedragen.

45. Rond 1894, tijdens het winterseizoen, kwam de Jezuïet Houben uit Sittard en plaatste zijn fototoestel ten noorden van de Jodenstraat om dit beeld vast te leggen. Links ziet men de witte woning (ronde poort) van de weduwe van burgemeester Göbbels met daarachter het hoge dak van de leerlooierij. Daarnaast lag het witte gebouw (vierkante poort), waar de familie Schrijnemakers van omstreeks 1837 tot 1882 een bierbrouwerij exploiteerde en sedert 1882 de familie J. Boyens-Hoofs woonde. Rechts daarvan ziet men het dak van het in 1892 gebouwde beeldhouwers-atelier Ramakers. Op de achtergrond steekt de hoge nok van het dak van het "Huis Maes" uit (zie afb. 5); de spits van het hoektorentje is goed te zien. Vooraan ligt de thans nog bestaande hoeve Vroemen. Rechts, in het noordelijke verlengde van de kerk, is de oude pastorie te zien (zie afb. 6).

46. Bij het oostelijke begin van de Jodenstraat zag men vroeger het hoge gebouw van de leerlooierij Göbbels met op de achtergrond de kerktoren. Rechts van die looierij lagen bijgebouwen van het complex Göbbels (zie afb. 45 en 47). Dit complex werd kort na 1800 door J.G. Vleugels (1781-1821) gebouwd. Daarna kwam het aan zijn schoonzoon Mathias Göbbels (geb. 1811), die in 1852 burgemeester van Geleen werd. Op 8 november 1859 overleed deze tengevolge van een bloedvergiftiging, die hij bij het looien had opgelopen. Begin december 1944 werd de looierij door Engelse troepen afgebroken. Het puin werd gebruikt om de modderige doorgang tussen de hoeve Vroemen en het atelier Ramakers beter passeerbaar te maken.

47. Het complex Göbbels aan de Jodenstraat vanuit het oosten gezien. Op de voorgrond links ziet men de duidelijke resten van de vloedgraaf, die eertijds langs de volle lengte van de Jodenstraat liep. Na de dood van burgemeester Göbbe1s (1859) bleef zijn weduwe A.M. Vleugels (1819-1901) er met haar kinderen wonen. Kort vóór 1900 werd de straatgevel gecementeerd; volgens de plaatselijke overlevering was dit de eerste gevel in Oud-Geleen, die aldus gemoderniseerd werd. Bij die gelegenheid werd het voorste (oostelijke) gedeelte, waar de leerkamer was geweest, tot woning ingericht en verhuurd. In de oude woning ten westen van de poort bleven de gezusters Josephine Göbbels (1849-1923) en Jeannette Göbbels (1856-1920) nog vele jaren tesamen wonen. In 1962 werd het hele complex afgebroken; daar begint thans de Penrisstraat. Op de achtergrond ziet men het witte huis Luyten (thans Dohmen).

48. De Jodenstraat vanaf de Leursstraat van oost naar west gezien. Het eerste bakstenen huis rechts heeft in de 3O-er jaren de plaats van een oude woning ingenomen. Links daarvan ligt de witte woning van de familie Boesten-Janssen; ook dit gebouw werd sedertdien door nieuwbouw vervangen. Daarnaast ziet men een inrit, die toegang gaf tot de woning van de familie Hamers-Ubachs, Dit oude gebouwtje, waarvan de spits-toelopende straatgevel vroeger gewit was, moest eveneens voor nieuwbouw wijken. Vlak onder de haag en treurwilg van de pastorie (links) liep eertijds een vloedgraaf. Aangezien hier geen doorgaand verkeer passeerde, was dit een opvallend stille straat, waar men een bijna gewijde verzonkenheid in het verleden aanvoelde. Maar die dromerige stilte werd verstoord, toen de Jodenstraat rond 1970 tot aan de nieuwe overweg bij "Huize Koekamp" werd doorgetrokken.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Algemene voorwaarden | Algemene verkoopvoorwaarden | © 2009 - 2021 Uitgeverij Europese Bibliotheek