Grepen uit de historie van Lith

Grepen uit de historie van Lith

Auteur
:   G.H.J. Ulijn
Gemeente
:   Lith
Provincie
:   Noord-Brabant
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-5804-6
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Grepen uit de historie van Lith'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

++De .HEER. .jOHAN CHLINCK en J1iJf'.()U'.f/1 .BER.TINA VAN Ll~DEN. en verdere Geerfdens zullen op manda, .. + _ ... ~ .. a .:M~art 1777. 's oadcmiddag s om twee uuren ten H~rberge van HENDRIK VAN OPLOO in Lith Publicq VERP AGTEN ? den Lilbfen KOOREN !WlNTMOOLEN ? R.OSW100LEN. HUlS EN ER. V.E met dell daar un au-

'lIexCen' tim.",. .

.. 00It zaJ .tCD zelve dage en Herberge puellcq ofte weI uit de baht! VER.!{OGT worden Cell RENT van 166 GulĀ· dens 13 St. en 6 Pean. regens vier Procenro , als oak een 18de part in den LITHSEN MOOLE.N.

26. In maart 1947 werd de eerste naoorlogse middenstandsbeurs te Lith gehouden. In groten get ale kwamen de inwoners van Lith en van ver daarbuiten naar Lith om de nieuwste produkten te bekijken. Zo vlak na de oorlog was het realiteit dat vooral de ruilhandel floreerde. Dat gold ook voor de boeren die in de oorlog met de ruilhandel goede zaken hadden gedaan. Dit leidde tot de hier afgebeelde cartoon van Jo Peters, de latere loepkijker. Heel toepasselijk schreef hij onder zijn tekening:

Wa uitveinding. Wa uitveinding, he Drieka?

Van 'n oud beddelaken maken ze voort een tafelzeil. Jammer, da we gen ouw beddelaken meer hebben, Hannes, want die we in de kast hebben liggen zijn allemaol vuurnei.

De boerenstand is in Lith altijd erg goed vertegenwoordigd geweest. Zo waren er in 1803 in totaal 467 koeien in Lith bij de boeren, verdeeld in 237 koeien onder en 230 koeien boven de 2 jaar. Neringdoenden in 1806 waren onder anderen: Pero van Drunen, die molenaar was. Er was een slaehter, Roelof Piet van Heck genaamd. Er waren toen zes slachtersknechten, die waarsehijnlijk bij genoemde slachter werkzaam waren. Hun namen waren: Jan van Lieshout, Theodorus van Heck, Anthony Dirk van Kessel, Maggiel de Poot, Hermanus Verhoeven en IJmert van Venrooy. In genoemd jaar was er een vleeshouwer, de joodse slager Salomon Levi. Tevens kende Lith in 1806 een grutter (kruidenier) en weI Piet Jan de Goey.

OJ) DE MfODENSTANDSBEURS. TE liTH

..

27. Lith, ook genaamd "dorp aan de rivier", doet zijn naam eer aan. De hele noordgrens van de gemeente wordt door de Maas bepaald. Vanwege het zo noodzakelijke sociale en economische verkeer heeft de pont als oeververbinding altijd een belangrijke rol in de gemeenschap van Lith vervuld. Menig huwelijk is dank zij de pont tot stand gekomen. In het verfilmde boek "Dorp aan de Rivier" van Antoon Coolen, speelt de pont van Lith een duidelijke ro1.

We zien hier een weergave van deze pont afgebeeld, zoals die er door de ogen van de in Lith geboren kunstenaar Hendrik Wiegersma uit zag.

Een pont in het dorp betekent ook dat er vaak extra kosten gemaakt moeten worden. Dit gaf ook bestuurlijk de nodige problemen, vooral als er naar vergoedingen gevraagd werd. Zo kreeg de Lithse dorpsbode in 1800 de opdracht om via Heerewaarden naar Den Bosch te gaan. Hij kon dan ook de brieven en bestuurlijke stukken van die gemeente meenemen. Over de logic a van deze werkwijze is niets bekend.

De dorpsbode van Lith vroeg een vergoeding van de kosten die hij voor het gebruik van de pont moest maken. In de vergadering van het gemeentebestuur van Lith van 20 november 1801 werd besloten dat de dorpsbode van Lith voor iedere reis met de pont heen en weer een vergoeding van vier stuivers zou ontvangen. Dit geschiedde met terugwerkende kracht vanaf september 1800. Het bedrag dat de dorpsbode voor die periode zou ontvangen werd vastgesteld op veertien guldens. Gezien tegen de tijd waren de ponten dus beslist niet goedkoop te noemen.

~.-

28. Het was een he Ie consternatie to en in 1888 een aantal notabelen in Lith met een fiets door de Lithse straten fietste. Een hele consternatie, vanwege het niet begrijpen dat je met een zo'n hoog wiel vooruit kwam, zonder dat je omviel. Hoofdschuddend stonden de inwoners langs de kant van de weg. Het werd helemaal te gek to en men besloot om een club op te richten, die men de "Lithsche wielrijders club" noemde.

Reeds in november 1888 werd de eerste wielerwegwedstrijd georganiseerd. De eerste prijs voor de buitenleden werd gewonnen door de heer Streef uit Kuilenburg. Tweede werd de heer Van Mourik uit Kuilenburg. Van de eigen leden zegevierde A. van Mourik, de "kapitein" van de Lithse vereniging. De tweede prijs werd gewonnen door P. Frijlinck, de voorzitter van de vereniging. De wedstrijd ging over 19,5 kilometer. De tijd die men hierover deed, is jammer genoeg niet bekend. De club werd opgericht omdat er in Lith veel belangstelling voor het wielrijden bestond.

Op een bevolking van minder dan 1300 inwoners waren in 1888 reeds negen wielrijders, behalve de kinderen, ,onder welke ook veelliefhebberij voor dezen tak van sport bestaat". Dat de zetel in Lith was, was geen belemmering voor leden van buiten Lith. Zij konden lid worden "voor zooveel het platteland betreft" .

Wanneer de wielrijdersvereniging is opgehouden te bestaan, is niet meer te achterhalen. Wei is zeker dat deze in 1906 nog bestond, getuige het hierbij afgebeelde lidmaatschapsspeldje uit dat jaar.

29. Brand was vroeger een ramp die bijna niet bestreden kon worden. Het heeft lang geduurd voordat men een ander systeem dan het , ,emmertje doorgeven" had ontwikkeld. Vanaf de zeventiende eeuw werden de brands lang en blusmiddelen onder de kerktoren bewaard en opgeslagen. Dat was een praktische oplossing want bij brand werden ogenblikkelijk de klokken geluid en kon men meteen met "groot materieel" uitrukken. Had men voor 1800 nog een "groote brandspuit", toch besloot het gemeentebestuur om in 1803 drie kleine brandspuiten aan te kopen, die in Nijmegen gemaakt werden.

Werd in vroeger tijd gedreigd een huis in brand te steken, dan gebeurde dit soms ook echt, getuige de schoolbrand van de Lithse school in 1795. Die was bedoeld om de toenmalige schoolonderwijzer Rombouts weg te krijgen. De schade beliep 150 gulden.

Rampen in de particuliere sfeer worden in de archieven nauwkeurig beschreven. Maar we hoeven geen honderden jaren terug te gaan, want in 1928 gingen er zes huizen aan brand ten onder. De families De Jong, Van Schijndel, Van Nunen, Jansen, Van Dijk en nogmaals De Jong kwamen op straat te staan. De brandweer uit Lith was niet in staat om de brand te blussen. Samen met de Osse brandweer duurde het blussingswerk uren. De brouwerij van Van Mourik die tussen de woningen stond, kon behouden blijven.

Was het in die jaren tussen de brandweren van Lith en Oss nog pais en vree, in 1947 was dat anders. Naar het schijnt was het conflict ontstaan to en Oss niet tijdig wilde assisteren. Bij de brandweerwedstrijden in Den Bosch namen ze revanche en behaalden de eerste prijs. Loepkijker tekende in "Het dagblad voor Oss en omgeving" de afgebeelde spotprent. Saillant detail: de Lithse burgemeester J .M. Smits is de chauffeur van de brandweerauto.

BRANOYEER

NIET NODJ6.

30. De hier afgebeelde stempel was van de gecommitteerden die in 1804 de landelijke belasting van de Lithse inwoners inden. Lith viel, zoals te zien, onder district N 22. Er was in die tijd een groot aantal belastingen waar de mensen voor moesten betalen. Zo waren er de zogenaamde contributies (een soort inkomstenbelasting), belasting op hun nering, belasting op het kapitaal, belasting op deuren en ramen enz. enz.

De burgemeesters zorgden voor de inning van de gemeentelijke belastingen. Ze werden door de gemeentebestuurders gevraagd en konden niet weigeren. De burgemeesters zorgden ervoor dat ze meer binnenkregen dan moesten afdragen. Het overschot mocht men als beloning houden. Soms liep de verhoging de spuigaten uit en gingen de inwoners klagen. Zo is er een zeer geheim document uit 1807 bekend waarin de landdrost van Brabant aan de schout van Lith zijn zorg over de belastinginning mededeelt. Hij schrijft dat hij van ter zijde is geinformeerd dat sommige ambtenaren de inwoners hard en ruw bejegend zouden hebben. Deze druk werkt slecht op mensen die onder zware belastingdruk gebukt gaan. Hij stelt dat ambtenaren die zo werken in zijn ogen misdadig bezig zijn. Hij eist dat dat wordt tegengegaan en gecorrigeerd. Zijn advies is om op de serieuste wijze de klachten te onderzoeken en de bevindingen naar hem, de landdrost, te sturen. Dit onderzoek moet met inachtneming dat dat zo geheim mogelijk dient te gebeuren.

De inners van de belastingen klaagden juist, in 1803, dat ze al dat werk deden zonder dat daar enige vergoeding tegenover stond. Ze stonden toen op het punt om 300 gulden niet aan de ontvanger-generaal mr. H.B. Martini af te dragen.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek