Groesbeek in oude ansichten deel 2

Groesbeek in oude ansichten deel 2

Auteur
:   G.G. Driessen
Gemeente
:   Groesbeek
Provincie
:   Gelderland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-0287-2
Pagina's
:   192
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Groesbeek in oude ansichten deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  >  |  >>

tlt ~it ~?tliltlC$it(;~ _ 48. tlro.1 ?? ~ttT _l ?? ~~ld ? ,O.roc. lat"r1"l_!I_~~ld .

;.t1t4t01Clf _ '_~"I~L2{l.1·ot.

j. nt4r1~lt -,*. ~o1"lf _ l.rot .

. ~. nt4t"~~n . 4 _~old. 'O.1'Ot. ~n _ '5_~yrcf .40.r4t-

1. Groesbeek met het Rijkswald. Den 26 Mei 1040 schonk koning Hendrik UI in vollen eigendom aan zijn waldgraaf van het Rijkswald (syndicus forestarius) "een hof (mansurn) in het dorp Groesbeek met al zijn toebehooren, bestaande in gebouwen, landerijen, graslanden, weilanden, bebouwde en onbebouwde, verdeelde en onverdeelde gronden, wateren en stroornen, inkomsten en opbrengsten". De afstammelingen van dezen ongenoemden waldgraaf namen den naam van den hun geschonken hof aan en bleven erfelijke waldgraven. Omtrent de uitgebreid van het woud, dat de waldgraaf in 1040 onder zijn beheer had, weten wij niets. In oorkonden van 1290, 1320, 1329 en 1360 wordt zijn gebied genoemd het woud Kellewalt, het waltgreveschafft Kelwalt, nemus imperiale dictum Kellewalt. Dat er andere personen waren, die ook rechten op het Rijkswald bezaten, blijkt uit oorkonden. Eerst uit de aanstelling van Hendrik van Galen dd. 3 April 1497, en de daarbij gegeven instructiën worden wij bekend met verschillende bijzonderheden omtrent dit ambt. De waldgraaf was verplicht twee "reisichge" paarden (strijdrossen) te houden, benevens een goeden, ervaren knecht, die hem kon bijstaan in het bewaken van het woud. Hij moest de grenzen van het Wald handhaven, het met de waldforsters en zijn knecht behoorlijk behoeden en bewaken; geen hout noch rijs laten houwen, tenzij het "jarich ind houwber na waltrecht" was; de breuken en boeten invorderen. Zijn traetement zou bedragen 55 Rh. gl. 's jaars, benevens twee oude schilden van elke hoeve hout, die gehouwen en verkocht werd, doch uit die percenten moest hij de kosten betalen der drinkgelagen, die bij de verkooping plaats hadden. Voor zijn brandstoffen mocht hij nemen 40 vimmen rijs, voor zijn paarden 4 voeder hooi en 40 malder haver tegen 8 st. den malder. Hij mocht te zijnen bate aanwenden alle boeten, die op het woud vielen, "behalve die bruecken to lijve ind to guede dragende," die den vorst alleen toekwamen. Al die boeten zouden opgelegd worden door "onse vorsteren" , die dus de vonniswijzers waren. Voorts zou de waldgraaf dezelfde kleedij ontvangen als de hofstaat ("ons huysgesinde") of wel, hij mocht dezelve "naer onse divisien" doen maken (d. W.Z. met 's vorsten kleuren, in dit geval rood en geel) en dan daarvoor vijf Rh. gl. in rekening brengen.

2. Het Rijkswald was oorspronkelijk een jachtterrein verbonden aan den burcht, welks uitgestrektheid weleer zoo groot was; dat het van Kleef tot de muren van Nijmegen reikte. Later lag de grens aanmerkelijk meer oostwaarts. Zoo klaagde de Rekenmeester van Gelderland bij den raad van Nijmegen, 10 Mei 1619, dat bij het slaan der limietpalen, op last van den magistraat, omtrent 90 morgen land van het Rijkswald bij het Schependom getrokken waren, die de Landschap dientengevolge moest missen, waarop in het volgende jaar de grenzen nader bepaald werden.

Hoe vroeger de tijden, van zooveel te meer beteekenis was de jacht in het Rijkswald. Van Karel den Groote en zijn opvolgers wordt uitdrukkelijk in de kronieken vermeld, dat zij jaarlijks op den Nijmeegsehen burcht vertoefden, ten einde het genoegen van de jacht in het Rijkswald te smaken. Willem van Gulik had jachthonden in Groesbeek liggen, zooals blijkt uit de rentmeestersrekening van 1398, waarin" 7 malder haveren, item 1 malder roggen" voor die honden geboekt staan. In de 15de eeuw genoten daar nog beiden de landsheer en de landsvrouw het jachtvermaak. De jagers lagen twaalf weken lang te Groesbeek in 1408, "doe men dat heert yaechden". Er werden vandaar 20 herten naar Gelre gezonden, en voor elk hert 8 meeuwen vracht betaald, totaal 11 gl. 12 meeuwen. Onder de "knechten, die hielpen yaghen", drijvers, waren er, die twee paar schoenen, anderen, die een paar laarzen kregen, denkelijk omdat hun schoeisel in het kreupelhout vernield was. "Bucken (bokking), bairs ende ander vische" worden onder de uitgaven gevonden. De totale kosten beliepen voor die jachtpartij de gansch niet onbelangrijke som van f 338-5 meeuwen-3 groot. Omtrent midwinter had men ook op wilde zwijnen en wolven gejaagd. De hertogin zien wij aan het werk in 1414. "Item so was mijn genedige vrouwe tot Cranenborch tot den Heylgen Cruyce aldair; doen buten ende up den walde; daer sij doe yayghden, 7 quarten drancx ende malmesyen, peren, noeten, kese, kuecken," enz. Aldus in des waldgraafs rekening van 1414. In het volgende jaar verteerden "mijnre genediger vrouwen yaghers" te Groesbeek, van den Zondag na St. Michael (29 September) tot den Zondag na St. Pauls Bekeering (25 Januari) 425 maaltijden à 6 gr. elk, en "tusschen tiden" dronken zij 600 kannen bier. Een ander maal, van Decoll. Johannis (29 Augustus) tot 13 Mei toe, 404 maaltijden, en tusschen tijden 128 kannen bier. Uit een post in het stedelijke rekenboek van Nijmegen over 1648 mag men misschien opmaken, dat de stadhouder Willem II ook nog in het Rijkswald gejaagd heeft. 25 Augustus van dat jaar ontving iemand in of bij Nijmegen f 20 "voor 't logeren van 17 hasenwindthonden en 4 knechten van sijn Hoocheit," den 1 September een ander f 10 "voort logeren eeniger honden" en een derde voor hetzelfde f 8. Hazenwinden zijn minder geschikt voor de jacht in het Rijkswald, doch daar kunnen de andere honden gebruikt zijn.

Dat ook de Groesbeekse jagers (lees: stropers) zich niet onbetuigd lieten, toont deze foto uit 1900. Vol trots lieten zij zich vereeuwigen met drie geschoten reeën. Links "d'n Eiken ziene Lin". Midden "d'n Eike ziene Jan". Rechts "de Schroef".

~jutfLtl

1:2. (tt.tUUWI'19 DO ·

3. "Van het huis of kasteel van Groesbeek, dat reeds vóór 1 040 moet bestaan hebben, is niets meer dan de plaats waar het lag, met een klein deel der grachten overgebleven. Het eenvoudig maar riant gelegen huis hetwelk nu daar wordt aangetroffen, strekt thans tot woning van den Rijksontvanger en behoort met een kleine omgeving tot 's Rijks Domeinen. De Hoogleraar Alberdingk Thijm te Amsterdam was in het bezit van een steen, uit een huis te Amsterdam afkomstig, waarop een sterk kasteel stond afgebeeld met het opschrift: "Dit is het Huis te Groesbeek". Ook op eene kaart van Groesbeek ten jare 1570, berustende in het Provinciaal archief, is het Huis Groesbeek als eene aanzienlijke sterkte met een zwaren toren afgebeeld."

Bovenstaand citaat kan men vinden in een werk van begin dezer eeuw, geschreven door D.G. Montenberg, plantagemeester van het Kroondomein Groesbeek.

De R.K.-Kerkgemeenschap, die het gebouw als kerk in gebruik wil nemen, omschrijft het in een verzoekschrift van 1815 als volgt: "Eene Huising, achterhuis, een schuurtje met tuin, aangelegen landerijen en plantagiën, daaronder begreepen een Hutje of Stulpje gelegen N.O. voorgeschreven Goederen, genaamd de Rentmeesterij, groot ongeveer twee en drievierde Hollandse morgen, gelegen te Groesbeek in de kom van het Dorp, palende enerzijds de Erven in gebruik of eigendom bij den tegenwoordigen Burgemeester, anderzijds Herman Wijers, met het eene Eind de Gemeente straat en andere Eind Jan Theunissen, alsmede de plantagiën en het recht van dien op den molen aan enz. enz.".

Gezien het feit dat men het gebouw als kerk wilde gaan gebruiken, moeten wij aannemen dat het toen nog een vrij ruime behuizing is geweest. Het verzoek is niet ingewilligd en wat er verder met het gebouw is gebeurd is niet te achterhalen. Het is echter aannemelijk dat het gedeeltelijk afgebroken is want onze oud gemeente-secretaris, C. Luijben, schrijft omstreeks 1965: "Het is een weinig aanzienlijk gebouw, dat een kwart eeuw geleden nauwelijks bewoonbaar kon worden genoemd. Door herstel en verruiming (verhoging van de bovenverdieping) werd het in de huidige vorm gebracht. Het was vele jaren de ambtswoning van de Rijksontvangers, die Groesbeek als standplaats hadden. Tot in het begin van deze eeuw woonde daar de Rentmeester der Domeinen; vandaar de naam: "De Rentmeesterij". Architectonische waarde kan men aan dit gebouw niet toekennen. Maar uit historisch oogpunt heeft dit gebouw met zijn naaste omgeving grote betekenis". Tot zover de heer C. Luijben.

Op de foto zien wij het "Huis Groesbeek" omstreeks 1900.

De laatste rijksontvanger, de heer van Dijk, vertrok in het begin van de jaren veertig. Omstreeks 1950 is huis en hof verkocht en werd het eigendom van de Stichting Groesbeekse Tehuizen, die er zijn hoofdkantoor in vestigde. Rechtsboven op de fotobladzijde zien wij een plattegrond, waarvan men de uitleg vindt op bij DE BOUW VAN HET KASTEEL

.-

I

~on op 7.35 - onder 3.57.

Huize .Groesbeek" te Groesbe

4. Op de foto zien wij de Eikenlaan, nu beter bekend als de Hoflaan.

Deze fraaie Eikenlaan zien wij reeds ingetekend op een landkaart van de Vrije Heerlijkheid Groesbeek uit het jaar 1750. Aan het begin van de laan lag de boerderij van "d'n Hofse Piet". Deze boerderij staat ook op deze kaart vermeld. De laan was plm. 100 meter lang en via deze weg kwam men ook bij het poorthuis van het kasteel. Volgens de oude kaart moet de laan dan richting Cranenburgsestraat gedraaid zijn en eindigde hij vlak bij de splitsing naar de Molenweg. zodat men ook komende van de molen rechtstreeks naar het kasteel kon. Volgens Pastoor H. Hoek, bekend onderzoeker van de plaatselijke geschiedenis, zou de molen vroeger een verdedigingsen/of uitkijktoren geweest zijn behorende bij het kasteel. Er is een oud verhaal dat er ooit een onderaardse gang van het kasteel naar de molen heeft gelopen, maar bewijzen zijn nooit gevonden. Rond de eeuwwisseling is de Eikenlaan eigendom van de heer Montenberg. Als hij omstreeks 1913 overlijdt worden zijn eigendommen verkocht. Tot schrik van verscheidene Groesbekers worden ook de eikenbomen te koop aangeboden.

De Vereniging voor Vreemdelingen Verkeer Groesbeeks Belang komt in het geweer en schrijft de volgende brief naar de Raad van de Gemeente Groesbeek: " ... dat het met veel leedwezen heeft vernomen, dat tengevolge den verkoop van de eigendommen van wijlen den heer J.D. Montenberg de boomen in de laan Kad. Sectie no. 281 zullen worden geveld; dat het gemeend heeft- nu het nog tijd is - onder Uwen aandacht te moeten brengen welk een groot sieraad door het vellen dezer boomen aan ons dorp zou ontvallen. Dat het genoemde bestuur voorziet, dat door de aankoop van die laan door de gemeente een tweeledig doel kan worden bereikt: ten eerste het behoud van natuurschoon in ons dorp; ten tweede den gelegenheid om een flinken toegangsweg naar het Vilje te maken. Redenen waarom adressant zich tot uw College wendt met beleefd verzoek - zoo mogelijk - alsnog de land Kad. no. 281 voor de gemeente Groesbeek te willen aankopen."

De brief is ondertekend door de voorzitter de heer D.G. Montenberg, Plantagemeester van het Kroondomein te Groesbeek. Aangezien hij ook tot de erven behoorde is het niet onwaarschijnlijk dat hem een ander tweeledig doel voor ogen stond; enerzijds het behoud van de laan en anderzijds een hoger bod op de laan, hetgeen dan weer aan de erven ten goede was gekomen.

Hoe het ook zijn mag, in 1913 is de Eikenlaan gekapt. De bomen moeten toen ongeveer 170 jaar oud geweest zijn. Groesbeek was inderdaad een "sieraad ontvallen".

Gttoesbeek, Eikenlaan.

5. Een gunstig gevolg van het kappen van de bomen in de Eikenlaan is, dat een fotograaf enige jaren later een weidse overzichtsfoto kon maken van het voorste gedeelte van de Hoflaan. Dit geldt speciaal voor het gezicht op de oude boerderij, die honderden jaren bij het "Hof van de Heren van Groesbeek" hoorde. De boeren die het beheerden kregen altijd een bijnaam voor de eigenlijke naam: zo heette de laatste boer "d'n Hofse Piet".

Op de foto zien wij het voorhuis van de boerderij. Om de lezer enig inzicht te verschaffen in de bouw van een dergelijk voorhuis, geven wij een summier overzicht van de indeling. Het hoofdvertrek, dat het grote middengedeelte van het voorhuis besloeg heette "den haard". Dit gedeelte diende, vooral vroeger, bijna het gehele jaar door als het énige woonvertrek. Het bezit van een kachel werd vóór 1880 als een echte weelde beschouwd, die maar weinigen zich konden permitteren. Er moest dus ook bij de hevigste vorst warmte gezocht worden bij de schouwen als de kring zo groot werd dat sommigen vóór het schouwvuur en dus nog in den haard een plaats moesten vinden, gebeurde het vaak dat zij de verzuchting slaakten: "van veuren smelten en van achteren bevriezen". Door de voordeur kwam men direkt in "den haard", die vroeger een lemen vloer had, welke later door bakstenen werd vervangen. De plavuizen werden pas na 1880 algemeen gebruikelijk. Rechts in het voorhuis lag meestal de "goei kamer". Het meubilair in deze kamer blonk van helderheid en op het "goei kááske" stonden potjes met kunstbloemen bij de beeltenissen van de Heilige Familie en andere heiligen. De goei kamer was bijna een heiligdom waar men zelden kwam, tenzij bij hoog bezoek van bijvoorbeeld pastoor of burgemeester. Verder bevonden zich in het voorhuis nog enkele bedsteden, een bergkamer en een bakoven. Via dit gedeelte kwam men in "de deel", waar ook de "geutsteen" stond die diende voor de dagelijkse omwas van potten en ander vaatwerk. Door de deel belandde men in de stal, die onderverdeeld was in achterstal, dorsvloer en achterschuur.

Tegen de achtergevel was de W.C. (,,'t huuske") gebouwd, gewoonlijk van buitenaf en vanaf de voorstal te bereiken. Het water moest men buiten halen in de waterput, pas later werden er pompen in de deel of keuken gebouwd.

De landerijen links op de foto werden bebouwd aan het einde van de dertiger jaren. De boerderij werd verwoest bij de bevrijding in september 1944. De vrijgekomen grond werd in de vijftiger jaren volgebouwd met zakenpanden en woonhuizen, zoals die tegenwoordig te zien zijn in de Hoflaan en aan het begin van de Molenweg.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2019 Uitgeverij Europese Bibliotheek