Groesbeek in oude ansichten deel 2

Groesbeek in oude ansichten deel 2

Auteur
:   G.G. Driessen
Gemeente
:   Groesbeek
Provincie
:   Gelderland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-0287-2
Pagina's
:   192
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Groesbeek in oude ansichten deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  >  |  >>

6. Om een inzicht te krijgen in de sociale en maatschappelijke toestanden in en om oud Groesbeek, citeren wij uit een studie van de heer DI. H. van Rooij. Hij beschrijft hierin de samenlevingsorganisatie op de zandgronden van Groesbeek en omgeving. Een vorm van samenleving, die in vele opzichten afsteekt tegen die van de rivierkleigebieden, heeft zich met de loop van de tijd ontwikkeld in de bosrijke omgeving van het Nederrijkswoud. Het centrum van deze streek wordt gevormd door de dorps- en gehuchtengemeenschap van Groesbeek. Eertijds beperkte zich het agrarische aspekt van deze streek tot enkele hier en daar verspreid liggende schrale akkers. Voor het overige trof men in de wijde omtrek slechts uitgestrekte bossen en heidevelden aan. Het zijn vooral deze laatste gronden, die een voorname funktie hebben vervuld bij de totstandkoming van de specifieke samenlevingsvorm, die zich hier ontwikkeld heeft. Zij heeft haar karakter tot in onze eeuw in allerlei restanten weten te bewaren. De situatie in het Rijk van Nijmegen is niet te begrijpen, zonder dat men zich daarover enig idee gevormd heeft. Dit vroeger tamelijk ontoegankelijke en dun bevolkte gebied eiste een geheel aparte bestuursvorm, volkomen onderscheiden van die der waterschapscolleges. De zogenaamde waldgraaf, geassisteerd door zijn forsters (boswachters), verenigde in zijn persoon de funkties van administratief beherend rentmeester en rechtsprekend ambtsman. Nagenoeg de gehele streek bestond eertijds uit keizerlijke, later hertogelijke domeingoederen. Het Rijkswald was het geliefkoosd jachtterrein van de Gelderse adel, die er jacht maakte op everzwijnen en ander wild, dat in deze ondoordringbare wouden in overvloed voorhanden was. Voor het overige had deze woeste en ongekultiveerde grond voor hen weinig betekenis, zodat hij zo goed als geheel aan zijn lot werd overgelaten. Op voorwaarde, dat het terrein als hun jachtgebied werd gerespekteerd en de bossen niet al te zeer werden gehavend, stonden de adellijke heren met vorstelijk gebaar aan de bewoners van de omliggende plaatsen uitgebreide privileges toe wat betreft het betreden van het woud en het gebruik maken van zijn voortbrengselen. Evenals de burgers van Nijmegen zelf, hadden zij van oudsher het recht "al het droge hout af te snijden alsmede dat groenhout dat zij staande op hunne wagen met één hand konden buigen en met de derde slag afhouwen". Voor dit recht behoefden zij jaarlijks aan de forsters slechts drie lichte penningen te betalen. Het voordeel van deze "heerlijke" gunst was, dat de forsters zodoende grotendeels door de bevolking der streek zelf werd onderhouden, terwijl anderzijds het houtgewas niet zodanig verwilderde en toegroeide, dat de jagers er niet meer te paard onder door konden rijden. Zo werden door de bewoners van het Nederrijkswoud eeuwen lang op goedkope wijze enorme hoeveelheden hout gesprokkeld en gekapt. Op bepaalde tijden was het er ook toegestaan varkens, koeien en schapen te laten grazen, gras te maaien en plaggen te steken.

7. Zelfs schijnen er "gouden tijden" bestaan te hebben, waarin de inwoners van het Rijk van Nijmegen op bepaalde voorwaarden mochten jagen op wolven en beren. Dat deze nauwelijks omschreven voorrechten, in dit onherbergzame oord met zijn vele schuilhoeken, wel eens tot misbruiken aanleiding gaven, laat zich denken. Steeds talrijker werden op den duur de bepalingen, waarin dit duidelijk naar voren treedt. Zo werd onder andere het voorschrift uitgevaardigd, dat men zich bij het hout kappen alleen mocht bedienen van "een hakmes van vijf duimen lengte, dat met het hecht mee niet meer dan anderhalf pond woog". Nadat aldus een einde was gekomen aan het misbruik der té lange messen, ging men blijkbaar de perken weer te buiten door bij het kappen op de wielen van de wagen te gaan staan, hetgeen eveneens weer op minutieus omschreven wijze verboden en beboet werd. Zo bleek het voortdurend nodig, nieuwe bepalingen af te kondigen en oude te onderstrepen ter voorkoming van .het afhouwen van jonge bomen en struiken, van het voortijdig en op verboden plaatsen weiden van beesten en het gras maaien, van het ongeoorloofde jagen en wild stropen. Ook kregen de waldgraaf en zijn forsters de hen toegekende penningen niet altijd tot de laatste cent binnen, terwijl het innen van de opgelegde boeten eveneens niet steeds zo vlot verliep. Deze bosbewoners zagen in elke nieuwe bepaling een verdere aanranding van hun voorvaderlijke rechten, zodat de overtredingen groeiden naarmate de verboden talrijker werden. Daarbij kwam dat de bevolking van Groesbeeks buurtschappen langzamerhand in getalsterkte toenam, doordat er zich vele arme gezinnen, ook uit Nijmegen zelf, gingen vestigen. Soms kwamen zij in zulke grote menigte in het woud opdagen om hun vermeende rechten te doen gelden, dat de waldgraaf met zijn officieren niets tegen hen kon uitrichten. Als gevolg daarvan werden de straffen steeds strenger, zodat op zekere tijden de delinkwenten, die zich verzetten, "de rechterhand- verbeurden, te redimeren met zestig daalders". Ook het bestuur van de stad Nijmegen meende meermalen te moeten opkomen tegen de al te ingrijpende maatregelen van de waldgraaf, waarin het een aanslag zag op de rechten van haar arme ingezetenen. Daardoor bleven sommige bepalingen wel eens een dode letter. Maar bij het aanhouden van de klachten van de zijde der forsters wendde de waldgraaf zich tenslotte tot de burggraaf en moest het bestuur van de stad zwichten voor dat van het wald. De bewoners van het Rijkswald beschikten niet over die wettelijke middelen van verhaal en achtten zich daarom bevoegd om zelf zo nodig hun rechten op te eisen. In sommige gevallen scheen de "Prochiaen" certificaten voor het hout sprokkelen te mogen afgeven, waarmee hij dan ook vaak voor zijn arme gelovigen in de bres sprong.

Op de voorgrond van de foto zien we de "Tien Geboden", tien arbeiderswoningen onder een kap; verwoest in 1944.



r-

_. ./-

8. Het grootste deel van het uitgestrekte woud schijnt een soort niemandsland geweest te zijn, waarop moeilijk toezicht te houden viel en waar men zich "vrijgevochten" kon gevoelen. Ieder haalde er, wat hij voor zijn gading kon gebruiken, zodat het wald steeds meer gehavend werd. Van jaar tot jaar bleef men blijkens het groot Gelders Placaetboek resolutiën uitvaardigen om het verder "onordentelijk verhouwen" te voorkomen. Uitdrukkelijk wordt daarin telkens vastgesteld, dat de voorafgaande bepalingen niets geholpen hebben. Zij zijn speciaal gericht tegen "eenige dorpen omtrent het wald, waer arme luyden wonen", die zich bezondigen aan het afsnijden van jonge scheuten om er bezems van te binden. De bepalingen zijn meestal van de volgende strekking: "Endo so verre iemand bevonden warde in de voorschreven bosschen te snijden of gesneden hebbende besernrijs of eenige jonge scheuten om rijsbossen te binden of andersints in eenige rnaniere, die sal verbeuren vijftien Rijnse gulden". Andere hebben ook betrekking op het wild stropen en de houtdiefstallen.

Ten tijde van de Franse overheersing werd zelfs een speciale brigade gendarmerie te Groesbeek gestationneerd om de bosbewoners schrik aan te jagen en hun "ongerechtigheden" te voorkomen. De gendarmen bonden de betrapte boosdoeners aan de staart van hun paarden en voerden hen ten aanschouwen van hun medeburgers publiekelijk als gevangenen rnee.! Naast het vervaardigen van bezems uit heidestruiken, wat hun voornaamste bron van inkomen was, trachtten de Stekken bergers ook wat te verdienen met het plukken van waldbeziën (bosbessen). Allerwegen in de verre omtrek werden deze beide handelsprodukten al ventende langs de huizen aan de man gebracht. Ofschoon hun de grondstoffen, welke zij in de bossen en heidevelden vonden, weinig kostten, leverde hun handel nauwelijks een minimum-bestaan op.

Velen van deze doodarme natuurmensen moesten zich tevreden stellen met in de hei uitgegraven holen, welke van boven met het weinig kostbare materiaal van takken en plaggen afgedekt werden. Ook hun kleding liet alles te wensen over. Zelfs de volwassen kinderen droegen 's zomers weinig meer dan een kiel. Hun voeding bestond grotendeels uit de ruwe produkten van moeder aarde, en het gedierte en gevogelte, dat de bossen hen verschaften. Op deze wijze leefde een groot deel van deze bevolking van het Nederrijkswald als het ware in het wild.

L In het kasboek van Pastoor Thijs van Lunen staat te lezen: ,,12 Mei 1769 is begraven Jan Otten die door de Fransen op 4 Mei in het wald is doodgestoken", en verder ,,17 Julie 1772 is begraven Peter Jans, de welcke op 10 Julie van de Walt dienaars in het wald wierd doodgeschoten, mijnende, dat hij wilde bomen hauwen, hetwelck zijn intentie niet en was".

9. Haar historisch gegroeide sociale opvattingen en rechtsgevoelens werden wel zeer pijnlijk op de proef gesteld, toen sedert het midden der 1ge eeuw steeds meer domeingronden, die zij voor publiek gebruik bestemd achtte, in handen van particulieren overgingen. Van lieverlee werden grote oppervlakten bossen en heidevelden gerooid en in cultuur gebracht. Boswachters werden aangesteld als opzichters, om de rechten van de nieuwe eigenaren te beschermen. Op strenge straffen werd dan verboden op die terreinen "hout te kappen, besernrijs, hei, gras of varens te snijden, in grotere hoeveelheid dan een half schepel wilde appelen, beukenaten of eikels te rapen, grint uit te graven en zoden te steken."

Naar mate het privaat-eigendom in omvang toenam, voelden deze natuurbewoners zich steeds meer in hun armzalig bestaan bedreigd. Redelijkerwijze kon men bezwaarlijk verwachten, dat deze maatschappelijk uitgestotenen, die toch al onder zulke benarde omstandigheden leefden, zich van hun laatste bestaansmiddelen gedwee zouden laten beroven, zonder dat er van de kant van de maatschappij iets tegenover gesteld werd.

Het was onder deze omstandigheden alleszins begrijpelijk, dat hun niet aan het verstand kon gebracht worden, dat hun vroegere vrijheden en privileges zo maar konden ophouden te bestaan. Deze sociale hervorming eiste van hen, dat zij het voortaan zonder meer als diefstal zouden aanzien, wanneer zij zich voor hun eigen onderhoud voorzagen van natuurgeschenken, welke hun altijd ten dienste gestaan hadden. Deze sprong konden zij met hun primitieve rechtsgevoel niet zo plotseling maken. Integendeel, zij zagen in de particuliere kopers dieven en aanranders van hun verworven rechten.

Zo voelden zij zich bij elke nieuwe verkoop of verpachting steeds meer te kort gedaan en verstijfd in hun opvatting, dat driestere plannen moesten beraamd worden om zich schrap te zetten tegen verdere voortschrijding van dat "sociale euvel! "

De uitgestrekte vlakten van het Nederrijkswald boden goede kansen om zich op allerlei wijze ongestraft te verzetten, als het eventueel niet lukte de bos- en veldwachters te verschalken. Men kon deze gerechtsdienaars op vele plaatsen van verre zien naderen en zich op tijd van de overtuigingsstukken ontdoen.

Groet uit Groesbeek

10. Slaagde men er niet in zich op die wijze veilig te stellen, dan waren er nog altijd andere vergeldingsmaatregelen mogelijk om het hun belagers "af te leren" de oude rechten aan te tasten.

Staats Evers vertelt van een groepje Stekkenbergers, dat eens op heterdaad betrapt werd, terwijl men juist op het punt stond de reeds bijeengebonden rijsbundels op de schouders te laden.

Naar gewoonte lieten zij hun vrachtje vallen en gingen er van door, om zich in de nabijheid te verschuilen en te wachten, totdat de boswachter weer verdwenen was en het hout kon opgehaald worden.

Deze kende echter zijn pappenheimers en sneed de touwen in stukjes om het vervoer onmogelijk te maken. Zijn euveldaad zat de bedrogen Stekkenbergers zó hoog, dat de boswachter tot zijn straf de volgende morgen op de plaats des onheils een groot aantal jonge beukenheesters drie voet boven de grond afgehakt vond en de stammen netjes naast de stronken gelegd.

Dat zij overigens niet zo kwaad van inborst waren en in goedhartigheid en trouw voor de andere plattelandsbewoners van ons studiegebied niet onderdeden, mits men enig begrip voor hun noodtoestand toonde, wordt typisch geïllustreerd door de volgende historische gebeurtenis.

Op zekere dag ontdekte een eigenaar toevallig een groepje bezem binders, dat bezig was om het loof van zijn pas geplante berkenbos af te snijden. Daar hij zich alleen toch niet tegen hen opgewassen gevoelde, maakte hij van de nood een deugd en begon een praatje met hen te maken. Van deze gelegenheid profiteerde hij om er de onthutste toehoorders op te wijzen, dat zij zijn bos aan het vernielen waren en dat het eigenlijk onnodig was om hem op die manier te benadelen.

Hij legde hen uit, hoe het loof op minder schadelijke wijze kon gesnoeid worden, zodat zij er van beide kanten voordeel van hadden. De bezembinders boden hem daarop hun excuus aan met de lofprijzing, dat zij nergens in de omtrek zo'n goed materiaal hadden kunnen vinden en beloofden spontaan, dat zij zich aan zijn aanwijzingen niet alleen stipt zouden houden, maar er ook voor zouden zorg dragen, dat geen andere "ondeskundige" liefhebbers zich aan dit bos vergrepen. Zij hielden zich aan hun woord, zolang deze eigenaar leefde. Dit voorval bewijst, hoe weinig deze "dieven" zich van het nieuwe sociale karakter van hun daad bewust waren.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2019 Uitgeverij Europese Bibliotheek