Groesbeek in oude ansichten deel 2

Groesbeek in oude ansichten deel 2

Auteur
:   G.G. Driessen
Gemeente
:   Groesbeek
Provincie
:   Gelderland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-0287-2
Pagina's
:   192
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Groesbeek in oude ansichten deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  >  |  >>

11. Niet alle eigenaars waren zo verstandig. Sommigen van hen dachten, dat zij zich het veiligst konden wanen, als ze hun terrein en jachtgebied stevig afrasterden. Maar juist deze "aanmatigende" eigendomsacties zetten bij deze buurtbewoners kwaad bloed. Op den duur werd de betrokkenen wel aan hun verstand gebracht, dat dit alles vergeefse moeite was en er op zijn hoogst toe strekte, om de aandacht der omwonenden op de goede kwaliteit van zijn hout en wild te vestigen!

Tot welke hopeloze situaties een exclusief strafrechtelijke politiek, welke zich om het sociale lot dezer mensen niet bekommerde, aanvankelijk geleid heeft, kan het best geïllustreerd worden met een geschiedkundig staaltje van rechtsbedeling.

In April 1842 werd voor de zoveelste maal een grote oppervlakte domeingrond te Groesbeek in het openbaar aan particulieren verkocht. Zodra de arme buurtschapbewoners er lucht van kregen, ontstond er onder hen een hevige opschudding. Zij wilden deze keer eens op meer grootscheepse wijze demonstreren, dat die bossen ten gerieve van hun gemeenschap dienden gereserveerd te blijven.

In de vroege morgen van de 23e April trokken zij er in groten getale met bijlen, hakmessen en ander gereedschap op uit, om de gehele dag en de daarop volgende nacht op de bedoelde terreinen een groot aantal dennenbomen om te kappen, en zo althans een laatste buit daarvan binnen te halen. De twee of drie veldwachters konden weinig anders doen dan toekijken en de namen van de booswichten noteren.

Het gevolg van deze betoging was een gerechtelijke instructie ter zake van diefstal, waarbij niet minder dan 133 daders, waaronder 70 bezembinders, betrokken waren. Als overtuigingsstukken werden met assistentie van de sterke arm 60 karren hout opgehaald.

Meer dan een half jaar later (7 October 1842) moesten de verdachten zich komen verantwoorden voor het provinciale gerechtshof van Gelderland. Men raakte evenwel te Arnhem in grote verlegenheid met de vraag, waar al deze mensen moesten ondergebracht worden gedurende de dagen, dat hun aanwezigheid voor het te voeren proces daar vereist was. Geld om zichzelf voedsel en onderdak te verschaffen, bezaten deze lieden niet. De ingezetenen van Arnhem aan de onaangenaamheden van deze lieden blootstellen, vond men ook niet verantwoord. Na rijp beraad werd besloten hen onder te brengen in de toenmalige stadsmanège, waar hen vanwege de gemeente ligging op stro en brood met water verschaft werd.

?

DE SMOKKELARIJ IN HET GROESBEEKSCHE.

en kiekje van den bekenden Steekenberg bij Groesbeek, het broeinest der smokkelarij. Hier in deze typische laag neerhurkende huisjes wonen talrijke menschen aan wie de smokkelhandel niet vreemd is. Hierboven een aardig kiekje van eenige huiswaarts keerende houtsprokkelaars(sters).

12. Op die wijze kon de rechtzitting doorgaan, tot niet geringe voldoening van de verdachten zelf. Want dit verblijf in de stad betekende voor deze mensen een aangename afleiding in hun eentonig en troosteloos bestaan en bovendien een paar dagen kosteloze vakantie, gedurende welke zij betere voeding en huisvesting genoten dan zij in hun armzalig bestaan op de hei gewend waren. Het "feest" duurde voor allen drie dagen, maar werd op grond van de uitspraak voor de meesten hunner verlengd. Want wegens diefstal bij nacht onder verzwarende omstandigheden werden de zeventien aanvoerders van de demonstratie en 1 03 van hun medeplichtigen "veroordeeld tot gevangenisstraffen" variërende van zes maanden tot drie dagen. De historie verhaalt niet, of deze delinkwenten na hun vrijlating zich aan recidive hebben schuldig gemaakt, maar er bestaat een sterk vermoeden, dat hun nakomelingen door een overgeleverde gewoonte belast waren met neigingen tot hout- en wildstroperijen. Bovendien bleven ook de levensomstandigheden van de buurtschapsbewoners van Groesbeek nog lang van zulk een erbarmelijke aard, dat zij geen geldboeten konden betalen en daarom meestal veroordeeld werden tot gevangenisstraffen, welke voor velen hunner een weinig afschrikwekkend karakter hadden. Tot zover Dr. H. van Rooij in zijn proefschrift.

Voor de geschiedkundige gegevens werd hier geput uit de reeds meermalen geciteerde Groot Gelderse PlacaetBoecken, De Tegenwoordige Staat en verder onder andere uit Staats Evers, Lijfstraffelijke Rechtspleging in Gelderland of belangrijke strafzaken van 1811 tot 1859 aldaar voorgekomen, Arnhem 1859; Van Schevichaven, Het Rijk van Nijmegen, zijn dorpen en heerlijkheden, Gelre's Bijdragen D. 3, pagina 39-90.

De foto links is gekopieerd uit een Katholieke Illustratie, jaargang 1916. Links kijkt men op D'n Dries. In het huis daar woont Jan Wijers (d'n Bul) en naar rechts kijken wij op "de Hord" van boven naar beneden wonen daar: de Foeks, Thieskes-Toon, de Kuukse, Jan van Get en Det van Hendrik.

MOKKELAARS.

13. Gezien de inhoud van de vorige bladzijden, doet het mij deugd te kunnen vermelden dat de beschreven toestanden niet alleen in het Groesbeekse voorkwamen. Deze konklusie kan men trekken uit het boek "Tussen Maas en Waal" onder het hoofdstuk "De opstand der Schutters". Hieronder geven wij een verkorte samenvatting. Op 25 augustus 1830 brak te Brussel een oproer uit, dat de direkte aanleiding zou vormen tot de afscheiding der Belgen van de staat van Koning Willem 1. De geordende troepen van de koning werden weldra uit België verdreven en toen de vonk van de opstand steeds verder noordwaarts dreigde over te slaan, riep de koning op 5 oktober 1830 zijn trouw gebleven onderdanen op zich vrijwillig onder de wapens te begeven om de muiters neer te slaan. Zijn proklamatie eindigde met: "Welaan! Te wapen, op de dringende bede van Uwen Vorst, te wapen, voor de zaak van orde en van regt". Enkele dagen later, op 11 oktober, volgde een K.B. waarin de rustende schutterijen een soort buitengewoon dienstplichtigen, die over het algemeen niet geoefend waren en ook geen wapenen hadden - werden opgeroepen zich naar de garnizoensplaatsen te begeven. Met de opkomst van de dienstplichtige schutters ging het over het algemeen niet erg voorspoedig. Vooral op het katholieke platteland was er weinig animo om de wapens op te vatten teneinde daarmede de opstand in het Zuiden te gaan neerslaan. Men had instinktieve sympathie voor de in opstand gekomen geloofsgenoten en in Maas en Waal en het Rijk van Nijmegen meenden de dienstplichtige schutters, dat ze wél hun eigen landstreek dienden te verdedigen, doch niet verplicht waren om uit te trekken. Velen doken dus onder - ook in de Achterhoek - of vluchtten de grens met Pruisen of Limburg over. In het gebied tussen Maas en Waal waren ruim zeshonderd schutters, die zich op de aangegeven tijd wél kwamen melden bij de burgemeester, doch verder weigerden hun dorpen te verlaten. De zaak veroorzaakte veel deining in de streek. De meeste onrust veroorzaakte het kollektief verzet van de schutters echter bij een kleine groep protestantse rentmeesters, grondbezitters en/of bestuurders. Zij ergerden zich niet alleen aan de afwezigheid van enthousiasme voor de zaak van de koning en het vaderland, maar haalden zich bovendien de situatie voor de geest uit de herfst en winter van 1794-1795, toen door de komst van de Fransen de inerte roomse massa in beweging kwam en zijzelf of hun vaders met gavels en rieken het land uitgejaagd waren.

De foto is gemaakt tijdens de Eerste Wereldoorlog en mobilisatietijd. Ook de Groesbeekse weerbare mannen werden onder de wapenen geroepen en ingekwartierd in de zaal van hotel Gelria, zoals op de foto te zien is. De eigenaar, de heer Braam, staat op de achtergrond. Voor Braam staat Toon Nillessen (Lage Horst), vooraan rechts ligt Jan Eikholt (Siep). De namen van de anderen zijn ons niet bekend.

14. Op zondag 16 januari wordt er dan in alle kerken van het Rijk van Nijmegen en van Maas en Waal een publikatie van de gouverneur voorgelezen en ook in de cafés geplakt. De schutters worden alsnog opgeroepen om zich maandagmorgen bij de burgemeester van hun woonplaats te melden. Zij die alsnog komen zullen ongestraft blijven, maar tegen degenen die onwillig blijven zullen strenge maatregelen worden genomen en geweld zal met geweld beantwoord worden. Op de koude morgen van maandag 17 januari trekken de legers dan inderdaad van twee zijden het gebied binnen. Naar goed militair gebruik van die dagen worden aan de grens van het dorp vaak de pastoor en andere bekende ingezetenen van het dorp gesommeerd zich bij het leger te voegen en bij de intocht in het dorp voorop te lopen om aldus eventueel als kogelvanger te fungeren. Doch tot niet geringe verbazing van de Jagers en hun metgezellen valt er nergens een schot en is er in het gehele uitgestrekte gebied geen spoor van enig verzet te ontwaren. Voorzover de schutters op de bewuste maandagmorgen al geen eieren voor hun geld hebben gekozen, laten ze zich gewillig arresteren en de ruim 200 schutterplichtigen, die inderdaad zijn ondergedoken, komen door de militaire inlegering ook niet boven water. Dorp voor dorp wordt aldus bezet en soms is ook de gouverneur zelf erbij aanwezig. De soldaten, die ondergebracht worden in de boerderijen, blijken een voorkeur te hebben voor spek en ham en niet zelden worden de vuurwapens, die overigens van geen nut blijken, leeggeschoten op kippen, kalkoenen en zelfs varkens, die daarna ras in de kookpotten verdwijnen. De wijnkelders worden terdege aangesproken en wie niet genoeg drank in huis heeft, wordt gedwongen snel een fikse voorraad desnoods in Nijmegen - te gaan halen. Vooral de ruiters blijken er van te houden een paar hammen aan hun zadels te hangen. Ruim twee weken duurt de expeditie en als het legertje op 5 februari weer terugkeert naar zijn garnizoenen, blijkt het vijf koppen minder te tellen. Maar die vijf zijn niet gesneuveld op het veld van eer. Toen zich namelijk nabij Groesbeek een Belgische patrouille liet zien, waren een korporaal met vier dragonders met paarden en wapenen naar de vijand overgelopen. Aldus eindigde de veldtocht.

De heer C. Luijben geeft aan de naam "de Horde" de volgende uitleg: "Het is een smal pad naar de hogerop gelegen buurtschap "De Dries". Gewoonlijk werd deze weg aangeduid als de weg door de "Horden" of "Hordegat". Deze naam houdt verband met de daar vroeger aangetroffen behuizingen, waarvan de wanden bestonden uit gevlochten wilgehout (horren of horden), met kalk of leem bestreken. Deze soort" woningen" hebben daar het langste gestaan. In 1916 nog werd aan de bewoners hiervan betere huisvesting verschaft en werden de restanten van de krotwoningen ter plaatse verbrand.

15. Van Dam van Isselt laat de R.e. geestdrijvers een belangrijke rol spelen en schijnt erfelijk belast met een grote afkeer van de zeer vaderlandloze bewoners van deze streken. Dat blijkt duidelijk als hij in een vervolg op zijn verhaal als bewijs van de zijns inziens laakbare mentaliteit in deze streken aanvoert, dat de bewoners van het Rijk van Nijmegen in de eerste weken van 1814 vaak deserteerden, toen ze opgehaald waren om mee te helpen de Fransen te verjagen uit de vesting Grave. In zijn verhaal vindt men de eenzijdigheid van nagenoeg alle militaire geschiedschrijvers terug. Geen van beiden zocht specifieke achtergronden voor het gebeuren. De bewoners van de dorpen in het rivierengebied hadden van ouds wél allerlei plichten om zich kollektief in te zetten voor de belangen van de eigen streek (dijkbewaking, wolvenjacht, brandbestrijding, wegenonderhoud etc.), doch de schutterplicht welke nu van hen gevorderd werd, was inderdaad onbekend. De landbouwer hier verliet zijn meestal schamele bezit hoogst ongaarne en als men hem inderdaad kwam halen, nam hij vaak de eerste de beste gelegenheid te baat om er tussenuit te knijpen. Het is geenszins ondenkbaar, dat er in deze streken méér sympathie was voor de zaak van de revolterende radikalen in het Zuiden dan men lang heeft verondersteld. En dat dan met of zonder R.e. geestdrijvers. Want een vergelijking tussen de sociale toestanden zoals die in het Rijk van Nijmegen en Maas en Waal bestonden rond 1800 onder het bestuur van de radikale demokraten en zoals ze waren rond 1830 onder het bestuur van vooral de grondbezitters, valt in het voordeel van de eersten uit. Er bestonden in dit gebied toen sociale toestanden waarvan we ons thans welhaast geen voorstelling meer kunnen maken. In talrijke stukken over het verzet in Maas en Waal vindt men de opmerking, dat de weigerachtigen vooral behoorden tot de geringe stand. Daartoe behoorde trouwens ook de overgrote meerderheid van hen die de wapens moesten opnemen, want het systeem van nummerverwisseling maakte het mogelijk, dat de dienstplichtige, die daarvoor enig geld op tafel kon leggen, een ander in zijn plaats stuurde. Van Dam van Isselt had opdracht om zijn soldaten in te kwartieren in de huizen van de onwillige schutters doch in zijn verslag vertelde hij later, dat dit niet mogelijk was gebleken omdat veel van deze huizen geen mogelijkheid boden er nog een soldaat bij te stoppen. In een in hetzelfde jaar 1830 uitgegeven boekje, dat het reisverslag bevat van een Haagse dame door onder andere het land tussen Maas en Waal, kan men lezen hoe men zich deze huizen dient voor te stellen; het waren soms van riet of wilgeteen gemaakte hutten zonder vensters, waarvan de wanden met koemest waren dichtgesmeerd. Ook de graaf Van Rechteren had trouwens kort tevoren nog aan de koning geschreven, dat het Rijk van Nijmegen en Maas en Waal bijna uitsluitend bewoond werden door bedelaars. En bedelaars hebben nu eenmaal geen vaderland.

Deze tekst is overgenomen uit het boek "Tussen Maas en Waal" door H. van Heiningen; blz. 252 tot 262.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2019 Uitgeverij Europese Bibliotheek