Heel in grootmoeders tijd

Heel in grootmoeders tijd

Auteur
:   P.J.L. Jansen
Gemeente
:   Heel
Provincie
:   Limburg
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4518-3
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Heel in grootmoeders tijd'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

INLEIDING

De samensteller van het boekje "Heel en Panheel in oude ansichten deel1" heeft in zijn inleiding een beeld gegeven van de oude en jongere geschiedenis van Heel. Weinig is bekend over de oorlogsjaren. Daar ik deze op jeugdige leeftijd heb meegemaakt, ben ik gaan speuren en heb hierover twee artikelen kunnen opduiken, die ik hierbij laat volgen:

UIT HET DAGBOEK VAN EEN DUITSE LUITENANT (1940)

(Gepubliceerd in Bericht van de Tweede Wereldoorlog, uitgegeven door Amsterdam Boek B. V.)

Limburg, 10 mei - Sinds een paar uur zijn we in het land van de vijand. In Roermond wordt onze eerste verbindingspost op vreemde bodem ingericht. Tegen de middag komt het bevel om de verbinding met de divisie te verleggen; het nieuwe eindpunt wordt het dorp Heel, dat 10 km verderop ligt. Mijn opdracht is daar een telefoonkabel naar toe te leggen, maar dat is allesbehaive eenvoudig. De bruggen over de Maas zijn opgeblazen, waardoor het overzetten van troepen en materieel veel tijd kost. De veerpont zet voorlopig aIleen het belangrijkste materiaal over dat wij op kabelwagentjes hebben geladen. Mijn vrachtwagens blijven achter op de oostelijke oever. Laat in de middag, als we nog 4 km van het dorp zijn verwijderd, is aIle kabel verbruikt en wanneer de nieuwe aanvoer komt is niet te overzien. De divisiestaf heeft zich niet meer gemeld sinds wij de laatste kilometer aanlegden; ergens moet de verbinding dus gestoord zijn. Er zit maar een ding op: ik zal naar Heel moeten gaan. Daar moet de staf zich bevinden en daar zal ook wel een kabel voor mij zijn.

Een van mijn manschappen neem ik mee; bij een naburig huis lenen we twee fietsen en daarna gaan we op weg. Vlakbij Heel ontmoeten we een Hollandse soldaat in volle uitrusting. Hij reageert even verbaasd als wij, maar geen van allen neemt de moeite de ander te ondervragen over zijn aanwezigheid op deze plek.

In Heel is de kerk leeg en de divisiestaf is nergens te vinden. Daarom vragen wij de eerste de beste inwoner om inlichtingen. Tot onze verbazing antwoord hij in plat Duits en zegt dat hier nog geen Duitsers zijn. Nu begrijp ik de situatie. De spits is natuurlijk al verder getrokken, evenals de verkenningsafdeling en doordat onze kabel was gebroken, konden zij ons niet meer waarschuwen. Voor ons blijft nu nog maar een mogelijkheid over: terug naar Roermond om daar verdere instructies te vragen. Ais we terugfietsen, denk ik nog eens na

over de soldaat die we tegenkwamen en wat die burger me vertelde - dat hij nog geen Duitse soldaten had gezien. In gedachten verdiept rijd ik het dorpje Beegden door. Plotseling wordt ons de weg versperd door een groep zwaarbewapende Hollandse soldaten. We springen van onze fietsen, wat de Hollanders verrast. Ze staan als aan de grond genageld. Nu moeten we handelen. Daarom verbreek ik de stilte en bulder: "Waar is uw officier?" Even blijft de situatie hetzelfde; dan maakt zich een man los uit de groep. "Ik ben de sergeant." "Spreekt u Duits" vraag ik. "Wij verstaan het allemaal," antwoordt hij. "Uitstekend, luister dan, de Duitse troepen zijn tot ver in Nederland doorgedrongen; u bent aan aIle kanten ingesloten en daardoor is elke tegenstand nutteloos. Leg nu daarom aIle wapens neer."

Nu komt er beweging in de troep. Er wordt gefluisterd, overlegd; men praat met de sergeant. We voelen op dit ogenblik beiden de geweldige spanning die mijn woorden hebben veroorzaakt. Ik merk dat mijn geweer nog op mijn rug hangt, maar ik besluit het niet af te nemen - dat zou verkeerd begrepen kunnen worden, zeker op dit beslissende moment. Dan komt de sergeant naar me toe. Hij zegt: "We zijn bereid de wapens neer te leggen, maar wat gebeurt er dan met ons?" "Ik breng jullie naar Roermond," antwoord ik. Hij is tevreden. Nu worden de wapens op straat gelegd; geweren, machinegeweren, pistolen en ammunitie. Maar plotseling klinkt een knal, er schiet een kogel over onze hoofden. Iedereen staat als versteend en het bloed vliegt naar mijn hoofd. Dan komt een soldaat op me af en verontschuldigt zich hoffelijk, omdat bij het ontladen zijn geweer is afgegaan. Dat verklaart alles. Ik laat aantreden en tel 35 man. Intussen is de burgerbevolking uit de huizen gekomen. Steeds meer mensen komen dichterbij om het schouwspel gade te slaan. Ik hoop dat wij geen hinder van hen zullen ondervinden en let extra goed op om niet door onverwachte gebeurtenissen overrompeld te worden.

Aan de soldaat die me op de tocht vergezeld heeft, draag ik op de wapens te bewaken tot ik ze laat afhalen. Daarna marcheer ik met mijn gevangenen af. Aan de sergeant vraag ik waar de officieren zijn. Hij vertelt dat zij zich met het grootste deel van de compagnie in een zaaltje aan de andere kant van het dorp bevinden. Nu pas dringt het tot me door aan welke gevaren zij zijn ontsnapt toen wij hiernaartoe kwamen. Maar ik mag nu geen halve maatregelen nemen, ook de anderen wil ik ophalen. Aan het einde van het dorp laat ik halt hou-

den en stuur de sergeant naar binnen om een officier te halen. Dan gebeurt er iets waarop ik niet heb gerekend.

Als er vier officieren uit het gebouw komen, worden zij gevolgd door een eindeloze stroom soldaten met aIle denkbare soorten wapens. Ik kan mijn ogen niet geloven. Daar sta ik als enige Duitse soldaat voor een compagnie Hollandse soldaten in volle gevechtsuitrusting. Nu moet ik optreden. Met vaste tred loop ik op de officieren toe en ik merk dat zij ook mij voor een officier houden. Ik herhaal mijn toespraak van daarnet en 001< deze manschappen zijn bereid de wapens neer te leggen. Een van de officieren zegt er borg voor te staan dat er niets gebeurt. Opnieuw gaan de wapens op een hoop. Daarna geef ik de officier opdracht zijn soldaten in marsorde op te stellen. Als dat gebeurd is, tel ik 145 manschappen en 4 officieren. De troep is ingedeeld, een officier gaat voorop. Dan zet de compagnie zich in beweging, met als doel Roermond. Met een vaandrig loop ik erachteraan.

Het hele dorp is nu op de been; vrouwen huilen, iedereen spreekt mij aan en steeds weer komt de bange vraag naar voren: "Wat gebeurt er met onze jongens?" Het kost me moeite de opgewonden mensen gerust te stellen en na onophoudelijk roepen en zwaaien blijft de bevolking eindelijk achter. De heme! zij dank! Opgelucht haal ik adem.

Kort voor Roermond kan ik na een mars van 8 kilometer mijn gevangenen afleveren. Daarna fiets ik terug naar het dorp om mijn troep nadere orders te geven en de wachtpost bij de wapens af te lossen. Hij heeft intussen nog 14 man opgevangen, die ik op mijn beurt weer mee terugneem naar Roermond.

De volgende dag hoor ik van de divisiecommandant dat het totaal der gevangenen 156 manschappen en 4 officieren bedraagt; dat komt neer op 25% der gevangenen op de eerste dag van de aanval.

(Duitse Luitenant H. Oestern, Deutsche Verlag, Berlin 1941.)

HEEL IN DE KNEL

Huize St. Anna in Heel, een van de oudste stichtingen van de Heerlense congregatie De Kleine Zuster van de H. Joseph, waar geestelijk minder bedeelde mensen werden opgenomen alsook voogdijkinderen, had in de oorlogsja-

ren een bevolking van tegen de duizend zielen: 500 patienten, 240 jongens, 55 zuigelingen en kleuters en 175 zusters. In september 1944 raakte het huis bekneld tussen het Duitse en het Engelse/Amerikaanse front. De hele bevolking leefde twee maanden lang meestentijds in de kelders, terwijl boven hun hoofden het huis op talrijke plaatsen door de granaten werd getroffen. Eind oktober moesten de inwoners van Heel en omliggende dorpen evacueren. St. Anna ontkwam daaraan omdat de Duitse majoor er ook geen raad mee wist.

9 Nov. De gehele dag komen bewoners van het gehucht Pol in de gemeente Weesem, die moesten evacueren, om onderdak vragen. Het is een triest gezicht. Bij stromen valt de regen neer en die arme mensen moeten er doorheen. Waarheen? Zij weten het niet en dan het verzoek om opname in ons huis te moeten afwijzen. Dat is werkelijk geen vrouwenwerk en gelukkig belast Mhr. Rector zich hiermede. Z.E. kent al deze mensen persoonlijk en weet wie zich nog wel kunnen helpen. Wat hard om neen te moe ten zeggen, als men bij het gezicht van aIle ellende wel iedereen zou willen onderbrengen. Maar het gaat niet, we kunnen werkelijk ons overvolle huis niet meer belasten en vooral ook dat alle kelders propvol zitten is erg bezwaarlijk. In enkele gevallen moeten we aan uiterste nood toch tegemoet komen en nemen in het geheel zeven zieken en ouden van dagen op, onder wie ook een vrouwtje dat binnenkort haar eerste kindje verwacht.

's Namiddags kwamen een tiental soldaten aan de voordeurom onze Rectortespreken. Moederwilde Z. E. gaan halen, die in de kelder was, maar werd op de voet door de soldaten gevolgd. Intussen bemerkten we dat alle uitgangen van het gasthuis werden bewaakt; in het geheel waren ze met zo'n 50 man. In de kelder werden in het slaapvertrek van Mhr. Rector alle papieren enz. nagezien en werden enige vragen gesteld o.a. waar Rector Schaeken van de Broeders was. Mhr. Rector wist het niet. De koffers en aIle papieren van de kapelaan van Wessem werden eveneens aan een grondig onderzoek onderworpen. Bij het heengaan vroeg Moeder wat eigenlijk de bedoeling was van deze huiszoeking, waarop de officier ontwijkend antwoordde: "Er is daar achter bij de Broeders wat voorgevaIlen," waarvan wij hier de terugslag ondervonden. Bij de huiszoeking stond Moeder duizend angsten uit dat ze enige "ongerechtigheid" zouden vinden, bijv. een exemplaar van het door de ondergrondse beweging dagelijks uitgegevenkrantje, maar Goddank kwamen weook deze keermet de schrik vrij.

16 Nov. Een dag als de andere, althans bij zonsopgang! Maar tot algemene vreugde kwam tegen de avond een groep soldaten de tuin in, eindelijk de langverwachte Engelsen! De gehele communiteit loopt uit naar de tuin en de soldaten zien wel aan de blijde gezichten dat ze welkom zijn, De begroeting duurt maar enkele ogenblikken, want de mannen moeten zich met de kanonnen opstellen. De luitenant vraagt slaapplaatsen voor de mannen en nu heerst al gauw grote bedrijvigheid in huis. We willen de schoollokalen voorinkwartiering afstaan, maar dat is te ver van het front. Nu kan niet anders gevonden worden of we moeten de bijrefter afstaan en de kolenkelder, waar anders achttien zusters sliepen. Een hele drukte, maar we moesten erwat voorover hebben: de bevrijding is het waard. De lui tenant zegt ons blij te zijn ons klooster te hebben bereikt, hetwelk het doel van hun opmars was. De toren namelijk aan de zijde van de refteris een pracht observatiepost, vanwaarzij de gehele omtrek, bijzonder ook de Maas, kunnen overzien. De volgende dagenkomen nogsteedsmeersoldaten voorinkwartiering. We hebben er meer dan 200 in huis. De soldaten voelen zich heel goed thuis en doen ons zo weinig mogelijk last aan, integendeel, ze willen ons op allerlei manieren goed doen en van dienst zi jn.

22 Nov. Brengt men ons ter bewaking twee vrouwelijke gevangenen die om politieke redenen in bewaring worden gesteld. Ze worden opgesloten in de cellen bij de H. Hartzaal, waar anders onrustige patienten worden gezet.

23 Nov. In de loop van de dag brengt men ons nog een mannelijke gevangene ter bewaking. ' s Middags wordt het deerlijk verminkte lijk binnengebracht van een zeventienjarig meisje uit het dorp dat door een granaat is getroffen. Tegen de avond komen nieuwe Engelse soldaten binnen, onze bevrijders zullen morgen vertrekken. Een Engelse sergeant vraagt ofhij voor de laatste avond aanwezigmagzijn bij het gemeenschappelijk gebedin de kelder. Hij vraagt als een gunst of hij voor ons een gebed mag uitspreken om uiting te geven aan de gevoelens van dankbaarheid voor de hartelijke ontvangst in ons huis. Zoals hij zegt is het in Engeland de gewoonte, alvorens men als vrienden afscheid neemt, voor elkaar te bidden.

1. Aanleg van het kanaal Wessem-Nederweert 1926/27. Op 16 april 1986 bij de start van de verbetering van de kanalen verrichtte minister N. Smit-Kroes van Verkeer en Waterstaat de eerste werkzaamheden te Panheel.

2. Deze foto werd genom en op de spee1plaats van de jongensschool van huize St. Anna. Rechts zien we me ester Mertens en links me ester Graus.

Zittend: een pupil van huize St. Anna.

3. De Eerste Wereldoorlog, 1914-1918. Tijdens de mobilisatie waren de soldaten op de foto ingekwartierd bij de familie Henckens.

Deze foto is genomen voor de bakkerij annex cafe Henckens te Panheel. Het pand was gelegen op de hoek Heelderweg-P.J. Schreursweg.

De andere foto toont nog een groep soldaten uit de mobilisatietijd, gefotografeerd voor de bakkerij Henckens te Panheel.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek