Kent u ze nog... de Groesbekers

Kent u ze nog... de Groesbekers

Auteur
:   G.G. Driessen
Gemeente
:   Groesbeek
Provincie
:   Gelderland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4015-7
Pagina's
:   160
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Kent u ze nog... de Groesbekers'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  >  |  >>

16.

Den Bessembinder van de Stekkenberg

E en kleine Ho t. drmselig Leve, dat het Liefheer om metgegeve.

Kortbej, in 't Wald ston Heii en berke worrut sin Hand de Bessems werke.

Sin Bessems sin guud vor et Kere,mar Cent en Gros sich gauw vertere.

Uw lang vor 't Brood mot mddj hej lope van Door nor Door om te verkope.

Sin Daag sin schwoor hej es tevreje.Wij et nict es denn met met om mar es in 't Wald

gon Bessems schneje.

Dit is een van de verzen uit het bundeltje "Oem den Burenhof", geschreven in het Nederfrankisch dialect. Het bundeltje verhaalt over het 1even van "Land en Luj" aan de Neder-Rijn, De schrijver is Karl Gahlings en het is uitgegeven door Umbach in Ka1kar. Op de foto de prins der "Gruusbekse bessembienders", Det Vissers, beter bekend a1s "De Vuurba1".

17. Op deze foto zien we nogmaals deze bekende Groesbeekse bezembinder aan het werk, geholpen door zijn vrouw "Getje". In die tijd was "bessembienden" een veel beoefend en lonend beroep. Veel Groesbekers verdienden er hun dagelijks brood mee. De bezems werden veel gekocht en gebruikt door het leger dat in die jaren uitsluitend gebruik maakte van paardentractie en de bezems nodig had om de stallen te vegen. Verder gingen de bezembinders of hun vrouwen er in de wijde omgeving mee venten, want ieder huis of hof had bezems nodig om het vuil te "kere" (vegen). Vroeger maakte men vooral veel heibezems. Heide was er toen volop in deze omgeving; veel stukken grond die nu in cultuur zijn gebracht herinneren ons daar nog aan: de Knaphei, het Heiland, de Steenbroeksehei, de Galgenhei en de Plaksehei. De beste bezems maa kte men van berketwijgjes (rijshout), die men, veelal in de wintertijd, ging snijden in het Rijkswald. Het aloude gereedschap van de bezembinder bestaat uit een lang, dik touw en een scherpe biil met hakblok. De heide of dunne berketwijgjes worden op een tafel gesorteerd en gemodelleerd tot een bezemvorm. Op handige wijze wordt deze losse bezem in het touw, dat aan een kant aan de muur bevestigd is, gedraaid en stevig vastgerold. Bovendien maakt de bezembinder de twijgen nog vast door er taai teenhout omheen te draaien. Daarna worden de te ver uitstekende takken met een bijl afgehakt en de bezem is klaar.

18. Begin 1900 schrijven meester Smolders en C. Franzmann: Een halve eeuw geleden bestond de bevolking voor het grootste gedeelte uit armen mensen. Zi] vonden een sober bestaan door in de zomer boschbessen te plukken en in de winter door hout te sprokkelen, hun welwillend toegestaan door de eigenaren der bosschen, van welk takkebosschen werden gebonden, die als brandhout te Nijmegen verkocht werden.

En in een streekbeschrijving uit het jaar 1875 van het Rijk van Nimwegen, samengesteld ten behoeve van reizigers, lezen wij: En terwijl sommige mensch en aan kleurblindheid lijden, scheen het onderscheid tusschen dood en levend hout voor vele Groesbeeksche sprokkelaars wel eene verborgenheid te zijn. waarschiinliik meenden zii, dat het oude voorrecht der Nijmeegse burgers, om in het Nederrijksche wald niet slechts al het doode hout, maar ook al het groene te mogen hakken, dat zii "op een wagen staande bereiken en met den derden slagafhouwen konden", steeds op hen van toepassing was. Ten jare 1842 verkocht de Staat ziine uitgestrekte domeingronden in die streken aan verschillende personen. De Groesbeekers, wel verre van dien bijzonderen eigendom te ontzien, trokken bij geheele troepen het bosch in en sleepten niet minder dan 60 karvrachten hout weg. Het gevolg hiervan was een monster-proces voor het gerechtshof te Arnhem, waarbii zij ten getale van 130 tegelijk terecht stonden en, op 7 hunner na, die werden vrijgesproken, tot korter of langer gevangenisstraf veroordeeld werden. Aldus een Nijmeegse schrijver in 1875.

De foto is een reproduktie uit een Katholieke Illustratie van 1916. De vrouw die de kruiwagen trekt is T. Gerrits (Tonia van Wiek ziene Jan). De man die duwt is Wim Gerrits (Wim van Wiek ziene Jan). De kleine jongen is Jan Gerrits en daarnaast Hendrik Gerrits; achter de kruiwagen Hanne Gerrits. De foto is gemaakt op de Stekkenberg. Rechts "De Leppert".

ยท .

DE .S~(OKKELARIJ IN HET GROESBEEKSCHE.

n kiekje .,,~ den bekenden Steckenberg bij Groesbeek, het hroeinest der smokkelarij. l lier eze typische laag neerhurkende huisjes wonen talrijkc menschen aan wie de smokkelhandcl n reemd is. Hierbdven een aardig kiekje van eenige huiswaarts keerendc houtsprokkelaar ( es

19. Groesbeek bood in die jaren weinig of geen werkgelegenheid. V oor vee I Groesbekers zat er daarom niets anders op dan hun geld buiten het dorp te gaan verdienen. Kleine boeren en landarbeiders gingen in de oogsttijd in Holland of Duitsland maaien. Bou wvakkers en losarbeiders gingen diep Duits1and in om te werken. Houthakkers uit Groesbeek zijn zelfs in Polen en Frankriik geweest. Omstreeks 1910 werden er aan de andere kant van de grens nieuwe fabrieken gebouwd, onder andere in K1eef en in Goch. Deze fabrieken boden veel werk, ook voor mensen uit Groesbeek en omgeving. Er werkten toen ongeveer vijfhonderd Groesbekers die elke morgen hier op de trein stapten en's avonds weer terugkeerden. Men had zelfs een "R.K. Vereenigmg van Nederlandsche Arbeiders in Duitschland" opgericht ondervoorzitterschap van de heren Keukens en Kersten.

Op de foto zien wij vier mannen die werk hadden gekregen in Duitsland en wel in de plaats Bottrop. Zij werkten daar aan een spoorlijn. De foto stamt uit 1913. Van links naar rechts: zittend Jan de Bruin (een zoon van Kobus de Bruin), de man staande is afkomstig uit Arnhem, "den kel met die moj kuuf" is Gerrit Claus. Geheel rechts Lindert Jacobs (de Smokert).

20. De mannen die we op deze foto zien, behoorden tot de liehting 1900-1901. De foto is gemaakt aan het eind van de mobilisatietijd, namelijk in 1917 toen aIle weerbare mannen opgeroepen werden. Dit wil zeggen dat deze mannen to en ongeveer zesendertig jaar oud waren. Ook zij, die vroeger vrij geloot hadden of vrij waren we gens broederdienst werden opgeroepen. Ze moesten gaan dienen in de landstorm. (De mann en op de foto hebben echter geen van allen meer gediend.) De normale gang van zaken was als voIgt: aIle mannen die goedgekeurd waren, moesten op een bepaalde dag op het gemeentehuis versehijnen. In aanwezigheid van twee officieren en de veldwachter werd er een lot getrokken uit een glazen pot, waarin zieh evenveelloten bevonden als er lotelingen waren. De laagste nummers moesten dienen. Waren er dus zestig lotelingen en moest de gemeente Groesbeek vijfentwintig soldaten leveren dan gingen de nummers een tot vijfentwintig in dienst. Het kon eehter gebeuren dat nummer veertig nog dienen moest doordat er onder de lage nummers mannen waren die vrij kwamen wegens broederdienst, dezen waren eehter wel verplieht om mee te loten. De cafes hadden het op de lotingsdag altijd erg druk, want de een "pruufde" op het geluk en de ander op het ongeluk, dat hem ten deel was gevallen. Op de foto van links naar reehts: staande J. Vissers of weI "de Zwarte Jan", J. Nas of wel "Joeg van Siemen Nas", F. Nillesen of weI "Frans van Fen", Wim Roelofs, Frans van Bernebeek, Hendrik Fleuren en Jan Wennekers. Zittend: Antoon Michels, Marinus Hagemans, G. Gerrits of weI "Grad van Andries" en Jan Wijers.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2020 Uitgeverij Europese Bibliotheek