Kent u ze nog... de Hoogmadenaren en Woubruggenaren deel 2

Kent u ze nog... de Hoogmadenaren en Woubruggenaren deel 2

Auteur
:   Hans van der Wereld
Gemeente
:   Jacobswoude
Provincie
:   Zuid-Holland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-6151-0
Pagina's
:   88
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Kent u ze nog... de Hoogmadenaren en Woubruggenaren deel 2'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  >  |  >>

11 Per 1 januari 1 947 werd de op 16 februari 1918 te Hoogmade geboren Hendrikus Johannes Hoogenboom benoemd tot gemeentesecretaris van Woubrugge. Hij groeide op als oudste in een gezin met vijftien kinderen en ging waarschijnlijk als eerste inwoner van Hoogmade (afgezien van enkele seminaristen) naar de HBS in Leiden. Na zijn schoolopleiding trad hij in dienst van een conservenfabriek in Leiden. Hoewel hij van nature geen ambtenarenbloed had, werd hij in 1940 toch aangesteld bij de gemeente Woubrugge. Via zijn vader had hij gehoord dat er bij de distributiedienst een plaatsje vrij was. Hij solliciteerde en werd voor een salaris van vijftig gulden per maand aangenomen. Toen hij eenmaal tot het inzicht was gekomen dat het beroep van ambtenaar toch ook zijn voordelen had, werd zijn studie voor het diploma gemeenteadministratie beloond. Tijdens de oorlogsjaren werd ook de arbeid van Hoogenboom ingezet. Vanuit het gemeentehuis moest van alles geregeld worden, zoals vorderingen, inkwartiering van manschappen van de Luftwaffe en andere detachementen uit Rusland, die in Woubrugge wat op verhaal moesten komen. Tankgrachten werden door de Duitsers gegraven en bunkermuren gebouwd, terwijl de Heimanswetering werd afgeschermd met prikkeldraad. De bezetters dachten op die manier een waterlinie te hebben om zo vanaf de Boddens Hosangweg Engeland te kunnen aanvallen! Hoogenboom heeft in die jaren geprobeerd de problemen van de gemeentenaren in verband met voedselbonnen, persoonsbewijzen en onderduikadressen zo goed mogelijk op te lossen. Nadat in 1947 de functie van gemeentesecretaris vrijkwam werd Hoogenboom uit dertig sollicitanten

gekozen. In de raad werd zijn benoeming met vier tegen drie stemmen bekrachtigd. Deze kleine meerderheid betrof destijds niet zozeer de capaciteiten van Hoogenboom als wel her feit dat hij een van de eerste rooms-katholieke ambtenaren op de secretarie van Woubrugge zou worden. Op 17 augustus 1965 werd hij gehuldigd vanwege het feit dat hij vijfentwintig jaar in dienst was van de gemeente. Dat gebeurde in een bijzondere raadsvergadering in de bovenzaal van "Het Oude Raedthuys". Gedurende zijnloopbaan als gemeentesecretaris, die vijfendertig jaar beliep, zou Hoogenboom in totaal vijfburgemeesters "verslijten". Een van zijn belangrijkste nevenactiviteiten ontplooide hij in de parochieraad van Woubrugge, waar hij zich mede inzette voor de totstandkoming van het multifunctionele gebouw aan de Bateweg, tevens roorns-katholieke kerk. Toen in 1978 een nieuwe klok van deze kerk werd ingewijd, kon men daarop het volgende Latijnse opschrift lezen: .Bcclesiae lux late splendebit sub umbra arboris altae" (het licht van de kerk zal helder schijnen in de schaduw van een hoge boom). Hij was een kwart eeuw bestuurslid van het Groene Kruis en even zovele jaren van de Feestcommissiel928. Van 1938 tot 1963 was hij bestuurslid en vele jaren ook voorzitter van de Roomsch-Katholieke Staatspartij (later KVP) afdelingWoubrugge en Hoogmade. Op 25 februari 1983 narn Hoogenboom afscheid van Woubrugge. Hij werd onderscheiden met de eremedaille in goud, verbonden aan de orde van Oranje-Nassau.

12 Ten tijde van de eeuvvwisseling was Christiaan Jan van Eeghen ambachtsheer van Esselijkerwoude, het tegenwoordige Woubrugge. Een ambacht was een stuk overheidsgezag, dat men niet als ambtenaar en dus niet als ondergeschikte uitoefende, maar dat men als eigen erfelijk recht, zij het ook gemeentelijk, in leen had. Een andere betekenis van ambacht ofheerlijkheid was het gebied waarover heerlijkheid werd uitgeoefend. Degene die anders dan als soeverein oflandsheer heerlijkheid uitoefende, noemde men ambachtsheer, een term die vooral in Holland en Zeeland werd gebruikt, Ambacht betekende dus zowel ambt, betrekking, als het gebied waarbinnen het ambt werd uitgeoefend. Ambachtsheer was dan degene, die in het bijzouder het ambt van rechter uitoefende of liet uitoefenen. De benaming ambachtsheerlijkheid werd ook gebruikt in tegenstelling tot hoge of vrije heerlijkheid, De heer in een ambachtsheerlijkheid was niet bevoegd tot rechtspraak in lijfstraffelijke zaken, de vrijheer of hal sheer wel, In de Burgerlijke en Staatkundige Grondregels van 1798 werden alle heerlijke rechten voor altijd nietig verklaard, maar na 1801 werd in veel gevallen de uitoefening van heerlijke en andere rechten weer ter hand genomen. Het jaar 1814 bracht hers tel van de heerlijke rechten, voorzover verbonden aan een heerlijkheid. Met de definitieve afschaffing in 1848 van de heerlijke rechten betreffende voordracht of aanstelling tot open bare betrekkingen was ook de laatste rest van heerlijkheid afgeschaft. De vroegere ambachtsheren bleven eigenaar van de heerlijke rechten en hun onroerende zaken en niet-heerlijke vermogensrechten. Dit goederencomplex kan een heerlijkheid genoemd worden, mits men zich ervan bewust is

dat het beg rip heerlijkheid dan in een andere betekenis wordt gebruikt dan voor 1848, Zo worden ook nu nog "heerlijkheden" verkocht, geschonken en door vererving verkregen. Wat men dan verkrijgt is een vermogen waartoe enkele gedecrocheerde heerlijke rechten behoren. Terug naar ambachtsheer Van Eeghen, Hij werd op 12 [anuari 1851 te Amsterdam geboren uit het huwelijk van Jan van Eeghen en Henriette Louise Labouchere. Van Eeghen werd ambachtsheer van Esselijkerwoude nadat hi] het ambacht krachtens rechterlijke machtiging na een openbare verkoop in De Burcht te Leiden, ten overstaan van de AIphense notaris J. W Kluit, verwierf. Van Eeghen betaalde er

f 27,000 voor en hij bezat de heerlijkheid tot aan zijn dood, Hij was van 1879 tot 1896 burgemeester van het naburige Oudshoorn en van 1 881 tot 1 886 tevens secretaris van die gemeente. In 1896 vertrok hij naar Putten, waar hij tot burgemeester was benoemd. Hier legde hi] op 12 september 1899 om gezondheidsredenen zijn functie neer en vertrok daarna voor enige tijd naar Florence in Italie. Van Eeghen. die ongehuwd was en de doopsgezinde religie aanhing. overleed in 1901 te Doorn. Op 20 [uli 1963 besloot de gemeenteraad om een straat in Woubrugge naar hem te vernoemen, de Van Eeghenstraat. Bij deze naamgeving wilde het college wederom uitgaan van plaatselijke historische feiten, waardoor zou worden voortgegaan met het eigen karakter van de gemeente tot uitdrukking brengen in het stratenplan.

13 Na de dood van Chr.]. van Eeghen werd de heerlijkheid Esselijkerwoude op 24 februari bij opbod en op 3 maart 1902 bij afslag geveild ten overstaan van notaris C. C. Krom. Koper werd voor f 18.900Th. P'Viruly. Theodorus PieterViruly werd op 29 augustus 1822 te Rotterdam geboren, waar zijn vader koopman was. Hij vestigde zich op 1 mei 1841 als fabrikant in Gouda, waar hij op 10 oktober 1840 al tot lid van de gemeenteraad was gekozen en in oktober 185 1 benoemd werd tot wethouder. Als zodanig werd hij herhaalde malen gekozen, maar hij nam op 4 december 1877 ontslag wegens zijn verhuizing naar Leiden. Hier werd hij president-hoof ding eland van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Op 15 september 1862 werd hi] door Provinciale Staten van Zuid-Holland als lid afgevaardigd naar de Eerste Kamer der Staten-Generaal, werd herhaalde rnalen als zodanig herkozen en bekleedde deze functie tot zijn overlijden. Viruly, die onder andere Commandeur in de Orde van de Nederlandsche Leeuw was, overleed op 10 april 1902 te Leiden. Hij was dus maar heel erg kort ambachtsheer. Als zodanig werd hij opgevolgd door zijn weduwe Aegidia Johanna Elisabeth Ledeboer. Bij de besprekingen over de uit te voeren nieuwbouw in plan-West in Woubrugge werd in de zomer van 1963 ter nadere orientering reeds gesproken over gronden ten noorden en ten zuiden van de zogenaamde verlengde Tuindersweg, omdat voor de aldaar ontworpen straten nog geen namen waren vastgesteld. Aangezien inmiddels besluiten waren genomen met betrekking tot het woningcontingent-1963, er een optie voor sommige percelen was gevraagd en ook reeds tekeningen voor premie- en vrije-sectorwoningen werden ingezon-

den, moesten de namen voor de ontworpen straten worden vastgesteld. Bij de naamgeving wilde her college van burgemeester en wethouders ook ditmaal uitgaan van plaatselijke historische feiten. Men stelde de raad voor ook hier de namen van ambachtsheren, uit verschillende families afkomstig, aan te wenden. "De rechten en plichten van genoemde families zijn me de van invloed op de ontwikkeling van het dorp, waarin wij hopen, dat de bouwnijverheid zich gunstig zal ontwikkelen," zo schreefhet college van burgemeester en wethouders in zijn advies aan de raad. In de raadsvergadering van 20 juli 1963 werd door P. G. van Luling de vraag gesteld of de huidige generatie wel enige kennis had van de geschiedkundige figuren, die bij deze straatnaamgeving waren betrokken. Dit werd door P. Schraverus geen bezwaar geacht; misschien werd door deze straatnarnen de belangstelling opgewekt c.q. versterkt. Toch stelde Van Luling prijs op meer moderne naamgeving in de vorm van bloemen- of vogelnamen. Dit achtte de voorzitter te algemeen. De voorgestelde namen achtte hij daarenboven, door de daarbij te stellen onderschriften, "opvoedend". Zonder hoofdelijke stemming werd hierna conform het voorstel besloten en kreeg Woubrugge zijn Van Duivenvoordestraat, Van Eeghenstraat, Van Hoogstratenlaan, Van Schellingerhoutstraat, Vingerhoedtstraat, Virulystraat, Van Wassenaarstraat en Van Woudeweg.

14 Rond de eeuwwisseling was mr. F. A. P. baron Wittert van Hoogland ambachtsheer van Hoogmade. Hij bekleedde deze functie sinds 19 mei 1891, nadat hij eerder - sinds 15 november 1890 - tweede regent van de Stichting Erven Cornelis Sprongh was geweest. Frederik Adriaan Petrus Wittert van Hoogland werd geboren te Den Haag op 27 februari 1840. Hij promoveerde op 12 november 1 864 te Leiden en werd griffier bij het kantongerecht te Alphen aan den Rijn en Amersfoort en vervolgens substituut -griffier bij het gerechtshof te Den Haag. In de residentie was hij van 1877 tot 1896 lid van de gemeenteraad en van 1 888 tot 1896 wethouder, alsmede ambtenaar van de burgerlijke stand en bevolkingsregisters, voorzitter van het burgerlijk armbestuur en sedert de oprichting in 1880 regent van de Sophiastichting. Deze Ridder in de Souvereine Orde van Malta trad op 16 juni 1 874 te Roermond in het huwelijk met Augusta Maria Carolina Hubertina van Berenbroeck (18531924). Uit dit huwelijk werden vijfkinderen geboren, drie ZOOllS en twee dochters. Wittert van Hoogland overleed op 3 juli 1 922 en werd vier dagen later begraven in het familiegraf op het rooms-katholiek kerkhof te Hoogland. Personen van de naam Wittert komen reeds voor in de dertiende eeuw. We noemen in dit verb and Jan Wittert, die op 24 maart 1309 behoorde tot een gezantschap van West-Friezen naar de bisschop van Utrecht. De geregeld doorlopende genealogie begint met "Heer Jan Wittert", geboren in 1318. De eerste die in officiele bescheiden, als tot de adelstand behorende, voorkomt met de titel "ecuyer" (jonker) is Adriaen Wittert, heer van Langebakkersoord en Eyffelsbroeck, geboren in 1626. Zijn nakomelingen

voerden eveneens die titel totdat keizerin Maria Theresia aan de ene tak, die van de vrijheren van Valkenburg (ZH) en Driebrugge, op 22 februari 1 741 de titel van ridder verleende en aan de andere, die van de heren van Hoogland en Emiclaer, op 14 juni 1 778 de titel van baron. In dat laatste diploma verkregen zij het recht om al hun reeds verkregen ofnog te verkrijgen goederen en heerlijkheden tot baronie te verheffen en werd hun tevens de negenpaarlige kroon toegekend.Tegen het einde van de achttiende eeuw vestigde zich een tak in de Zuidelijke Nederlanden, terwijl de andere tak metterwoon in Nederland bleef In ons land werd het geslacht, als behorende tot de adel van het Heilige Roomsche Rijk, op 9 december 1815 in de Nederlandse adel ingelijfd. Wittert kon ambachtsheer van Hoogmade worden orndat Cornelis Sprongh (1642-1706) gehuwd was met Johanna Maria Wittert van der Aa (tI684); uit haar familie stamde hij af Sprongh had in zijn testament twaalf personen genoemd (onder wie twee Wittert van der Aa's) , waaruit een tweetal regenten zou moeten worden gekozen die zijn hof]e aan de Breestraat (later op de hoek van de Douzastraat en het Rapenburg) te Leiden moesten beheren. Dit hotje moest onderhouden worden van pachtopbrengsten uit Hoogmade, welke heerlijkheid Sprongh op 8 januari 1692 gekocht had. Naast heer van Hoogmade was mr. F. A. P. Wittert van Hoogland ook nog heer van Hoogland, Emiclaer, Langenoorth en BloemendaeL Als zodanig werd hi] na zijn dood opgevolgd door zijn oudste zoon.

15 De volgende heer van Hoogmade werd mr. Evert Bonifacius Francois Frederik baron Wittert van Hoogland. Hij werd op 2 april 1875 te Den Haag geboren. Van 1888 tot 1893 bezocht hij het gymnasium, waarna hij in Leiden rechten ging studeren. In 1901 richtte hij het "NederlandschAdelsboek" op, waarvan hij tot 1946 redacteur zou blijven. Op 16 januari 1904 promoveerde hi] op juridische stellingen, waarna hij op 1 januari 1906 benoemd werd tot commies-griffier van de Eerste Kamer. Hij deed zich kennen als een man met geniale ideeen, waardoor hij belangrijk werk achter de schermen kon verrichten. Zo was hij de inspirator van de sociale wetten van de door hem zeer bewonderde minister A. S. Talma. Zelf zou hij zich bezighouden met de uitvoering van de invaliditeitswet (19 11) en van de ziektewet (1913). De heroprichting van de Nederlandsche Balije van de Orde van Malta was Witterts initiatief Daardoor raakte hij bevriend met prins Hendrik; zij deelden de liefde voor de [acht. Een conflict met de prins werd aanleiding van Witterts ontslag in 191 7 als lid van het hoofdbestuur van het Rode Kruis. In 1926 scheen Wittert de aangewezen man om de post van minister van Sociale Zaken te vervullen, maar particuliere omstandigheden verhinderden zulks. Hij brak na zijn echtscheiding met de kerk. In 1939 koos hij partij voor Duitsland, maar na de oorlog werd hi] vrijgesteld van de beschuldiging als zou hij in strijd met het belang van het vaderland gehandeld hebben. Wittert stierf op 24 december 1959 te Apeldoorn; op zijn sterfbed verzoende hij zich met de Kerk.

16 Arnoldus Josephus Sormani werd op 27 augustus 1892 geboren te Maastricht. Na het stedelijk gymnasium in Nijmegen bezocht te hebben becindigdc hi] in 1 917 zijn rechtenstudie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij keerde terug naar het zuiden van het land voor een functie bij de inspectie der belastingen, die hi] spoedig verruilde voor een werkkring bij de provinciale griffie in Den Haag. Het ambtelijk bedrijfkon hem echter niet blijvend boeien en in 192 1 vestigde hi] zich als advocaat te Leiden, waar hij in 1963 zijn praktijk ook afsloot. Zijn huwelijk op 21 oktober 1919 met Maria Hendrica Elisabeth Klaverwijden was beslissend voor een groot deel van zijn activiteiten in Leiden. Op 11 december 1919 werd hij de opvolger van zijn schoonvader mr. C. H. P. Klaverwijden als rentmeester van onder meer het Hof]e van Cornelis Sprongh, welks modernisering hij ter hand nam. Van 30 januari 193 1 tot 5 oktober 1 933 was hij tweede regent van de Stichting Erven Cornelis Sprongh, welks bezit de heerlijkheid Hoogmade hem inspireerde tot het schrijven van de geschiedenis van de parochie Hoogmade. De uitgave ervan is door de oorlog en ten gevolge van de interne moeilijkheden binnen het regentencollege, dat hem in 1947 tot het neerleggen van zijn functie noopte, in portefeuille gebleven. Hij overleed op 31 maart 1979 te Leiden. Op de foto van links naar rechts: mr. A. J. Sormani, baron Wittert en J. B. Borst, molenaar van de Bosmolen.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2019 Uitgeverij Europese Bibliotheek