Kent u ze nog... de Rooienaren (Sint-Oedenrode)

Kent u ze nog... de Rooienaren (Sint-Oedenrode)

Auteur
:   W. Heesters
Gemeente
:   Sint-Oedenrode
Provincie
:   Noord-Brabant
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4346-2
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Kent u ze nog... de Rooienaren (Sint-Oedenrode)'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  >  |  >>

6. De St.-Vincentiusschool.

In de jaren tussen 1903 en 1916 gonsde Sint-Oedenrode van de bouwactiviteiten van pastoor Van Erp (1903-1944). In 1904 bouwde hij het St.-Martinushuis. In 1906 kwam, na veel touwtrekken met het gemeentebestuur, het St.-Odagesticht gereed. In 1913 werd de eerste steen gelegd van de nieuwe St.-Martinuskerk en in 1916 werd een nieuwe rooms-katholieke jongensschool annex klein-patronaat in gebruik genomen. In het St.-Odagesticht was ongeveer alles ondergebracht wat de pastoor aan roomse liefdewerken had kunnen verzamelen. Er was een bewaarschool, een bijzondere meisjesschool met een aparte afdeling voor vrouwelijke handwerken, er was een ziekenhuis met kraamafdeling, operatiezaal, rontgenkamer, een zaaltje voor zieke kinderen en een afzonderlijke afdeling voor tuberculose-patienten, Daamaast was er een pension voor oude ziekelijke mannen en vrouwen, een deftig pension voor kostdames en kostheren, een afdeling voor overspannen mens en, terwijl ook het Wit-Gele Kruis er was ondergebracht. Bij de meisjesschool was een Vincentiuskeuken, waar arme schoolkinderen een bord soep konden krijgen, en zelfs weeskinderen stonden op het programma. Ten slotte had den ook de zusters, die dit alles moesten drijven, nog ergens hun kloosterafdeling. De bijzondere meisjesschool was reeds in 1904 met de drie hoogste klassen gestart in het St.-Martinushuis. Toen in 1906 .het prachtige St-Odagesticht" klaar was, werd de nieuwe St.-Vincentiusschool betrokken.

Op de foto staat een groep meisjes van deze school. Het zijn, voor zover nog bekend, op de vierde rij: 1. Martina Gevers, 2. Cato van de Brand, 3. Antonia Gevers, 5. Johanna van Hastenberg, 7. Miet Habraken, 8. Lena van Uden, 9. Miet van Zeelst (van de Wijdeven), 10. Marie van Mierlo (Habraken) en 11. Cato van Mierlo (Habraken). Derde rij: 1. Truus Spierings, 3. Hanneke van Hastenberg, 4. Berta der Kinderen, 5. Sien van Erp, 6. Grarda der Kinderen, 7. Anna Hermes, 8. Jana Versantvoort, 10. Hanneke van de Brand en 11. Lena Rovers. Tweede rij: 1. Hanneke van Hastenberg (nichtje van het meisje op de derde rij), 3. Mieke van Erp, 4. Nel Huibers, 6. Mien Hermes en 7. Berta van der Heijden. Eerste rij: 1. Cornelia Kuijpers, 2. Dina Vorstenbosch, 4. Martina Dortmans, 5. Hanneke Lathouwers (van het Schoor), 7. Jana Hermes, 8. ? Vervoort, 9. A. Clynk, 10. Orelia Clynk, 11. Marie Foolen en 12. Marie van Uden.

7. De St.-Odaschool.

Sinds 1806 werd de algemene doelstelling van het onderwijs omschreven als: opvoeding tot maatschappelijke en christelijke deugden. Vanwege de geloofsverdeeldheid in het land werd het onderwijs echter neutraal gehouden en godsdienstonderricht was op de openbare lagere school verboden. Bijzondere scholen waren onder bepaalde voorwaarden wel toegestaan, maar werden niet gesubsidieerd. Het gevolg van dit alles was een langdurige en hevige schoolstrijd. Pas in 1920 volgde de volledige gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs. Te Sint-Oedenrode waren de zusters augustinessen van Dommelrode reeds in het begin van de vorige eeuw begonnen met het geven van bijzonder onderwijs aan een aantal kinderen op een zogenaamde buitenschool. Na 1876 beperkten zij zich echter tot het geven van catechismusonderricht. Toen, na 1889, het bijzonder onderwijs voor het eerst wat subsidie ging krijgen, kon men gaan denken aan een bijzondere rooms-katholieke school in het dorp. Voorlopig kwam daar echter niets van, want pastoor Van Heck was daar de man niet naar. Toen in 1900 het lager onderwijs verplicht werd en de subsidie voor bijzondere scholen was verhoogd, werd een van de eerste zorgen van pastoor Van Erp het oprichten van rooms-katholieke scholen. In 1904 startte hij met de meisjesschool, mogelijk gemaakt door de medewerking van de zusters van Schijndel. De jongensschool volgde pas in 1916, want hier kon men niet van de zusters profiteren, maar er moesten volledig betaalde krachten worden aangetrokken. De gemeente was met deze gang van zaken zeer ingenomen, want zij werd hierdoor van een grote zorg verlost. Minder blij was ongetwijfeld meester Roelvink die binnen een paar jaar zijn bloeiende school zag teruglopen tot een schijntje van wat zij vroeger was. De hoofdmeester van de nieuwe St.-Odaschool werd Paul van de Linden.

Hi] staat hiernaast afgebeeld met een van de eerste groepen leerlingen van de nieuwe school. Het zijn op de vierde rij: meester Van Lith, Gerard Glaudemans, Gerrit Vogels, Jan de Koning, Jan van Roosmalen, Piet Peijnenburg, Jan van Lieshout, Gerard van de Wijdeven, Willem Hulsen en meester Van de Linden. Derde rij: Piet van der Heijden, Graard Brouwers, Thomas Willems, Janus Korsten, Toontje van Erp, Wim Verschuiten, Cor de Koning, Bertus van den Oever, Tinus Hulsen, Frans Rokven en Nardje van den Vorstenbosch. Tweede rij: Piet Pepers, Jack Peters, Toon van de Wetering, Jan Swinkels, Marinus Versantvoort, Marte van den Biggelaar, onbekend, Piet van de. Kamp, Dorus Oerlemans, Marinus van der Heijden en Karel van Roosmalen. Eerste rij: Toon de Baay, Toon Habraken, Janus van Heeswijk, Wimke van Zon, Gerard van den Vorstenbosch, Janus Brugmans, Bernard Brugmans, Toon van de Yen, Jan Habraken, Johan van den Vorstenbosch en Piet van Gerwen.

8. Eerstesteenlegging te Nijnsel.

In het najaar van 1909 werd te Nijnsel een commissie in het leven geroepen, onder voorzitterschap van meester W. Klomp, met het doel zo spoedig mogelijk te komen tot de bouw van een eigen parochiekerk, De mens en van Nijnsel en Vressel werkten volop mee en de meesten verbonden zich zelfs schriftelijk tot een jaarlijkse bijdrage: voor iedere koe die zij bezaten een gulden, voor ieder paard een gulden vijftig en per persoon boven de elf jaar dertig cent. Ofschoon dit in die tijd voor veel mensen een ruime gift betekende, werden hiermee de financiele problemen niet opgelost. De bisschop spoorde hen dan ook aan om uit te zien naar een geestelijke, die de nodige middelen bezat en deze beschikbaar wilde stell en va or dit doel.

De eerste maanden kwam op hun verzoek daartoe geen enkele reactie, maar, zo lezen we in de kronieken, onverwacht als een bliksernschicht in de donkere nacht verspreidt zich in Nijnsel het bericht dat de commissie een schrijven heeft ontvangen van de weleerwaarde heer J .A.M. Panken, kapelaan te Fellenoord, waarin deze om inlichtingen vraagt. Men kende hem als oud-kapelaan van Rooi (1907-1909). Voor vijfenveertighonderd gulden werd het terrein, waarop Panken zijn oog had laten vallen, aangekocht: de Waterlaat, eigendom van Jan en Hendrik Aarts. De Nijnselnaren hielpen met man en paard en in een minimum van tijd waren de voorbereidende werkzaamheden gereed. Op 8 augustus 1910 kon de eerste steen worden gelegd. De buurt werd versierd en met de tram van kwart over drie arriveerde Panken, opgewacht door de commissie, talrijke genodigden, waaronder de notabelen van Sint-Oedenrode, en een grote schare parochianen. In optocht, begeleid door de fanfare "Nos Iungit Apollo", trok men naar het terrein.

Op de foto ziet men het he le gezelschap bijeen. Hier volgen enkele namen uit de middengroep: Harrie Schoonhen, Martien van Oorschot (met strohoed), Nel van Engeland (met poffer), v66r haar het bruidje Marie van de Meerakker, Harrie van de Kamp (met schelleboom), Anna van de Laar (met poffer), Johan van den Broek, Christ van de Rijt, Willem Habraken (met de hand aan de mond), Janus Aarts, pastoor Panken, de jongens met sjerp, Rut van de Laar, Bert van Oorschodt, Harrie Klomp, Toon van Genugten en Marietje van Liempd (het meisje met de hoed). Links van haar staat meester Klomp en rechts meester Diels.

9. De liedertafel "Ons Genoegen".

Vooral in de tweede he lft van de vorige eeuw ontstonden, zoals overal elders, te Sint-Oedenrode allerlei verenigingen. Sommige met een uitgesproken menslievend doel; de meeste echter aileen maar als min of meer besloten clubs met een of andere liefhebberij. De leden behoorden aanvankelijk bijna uitsluitend tot de gegoede stand en tot wat men toen de burgerij noemde. Zo von den we hier van deze laatste groep in de vorige eeuw onder andere drie liedertafels: "Cecilia" (in de kom van het dorp), "Ons Genoegen" (in Eerschot) en "Amicitia" (in Olland). Verder was er de fanfare "Nos Iungit Apollo", de rederijkersclub .Volharding", de societeit "Unitas" en een .Kaart Compagnie" in de Boskant. En dat terwijl overal, naast de reeds bestaande, nieuwe handboogschutterijen werden opgericht. We telden er op zeker moment twaalf. In het begin van deze eeuw kwamen daar nog bij: de gymnastiekclub "Oefening Staalt Spieren", de voetbalclub "Voorwaarts Is Ons Streven" en zelfs een wielerclub:

"Steeds Vlugger Is Ons Doel". Dit is slechts een kleine bloemlezing uit de talrijke verenigingen die als paddestoelen uit de grond schoten, om dikwijls ook weer even spoedig te verdwijnen. Er bestonden allerlei contacten tussen deze clubs. Men luisterde elkaars bijeenkomsten op, men organiseerde dorpsfeesten, men gaf voorstellingen ten bate van de armen in het dorp, men drank en teerde en de herbergiers voeren er wel bij. Van meerdere van deze verenigingen zijn nog foto's bewaard gebleven en we laten er hier een aantal volgen. Eerst ziet u de liedertafel "Ons Genoegen". De foto dateert van 1897. Gaame hadden we van dit gezelschap wat nadere gegevens gehad, maar dat bleek niet meer mogelijk te zijn. Het enige dat we konden achterhalen was dat er een paar goede zangers bij waren en dat zij hun clublokaal had den in cafe "Kolkzicht" bij Van de Laar, of wei "de Slappe".

De zangers op de derde rij zijn: me ester Bosch, Jantje van Erp, Dort van den Brand, Jan van den Brand, Jac, Maas, Johan Kernps, Johan Harkx en Jac. van den Brand. Tweede rij: Theo Heywegen, Jan van de Wittenboer, Antoon Fassbender, Willem Verhoeven, Theo van Liempd en Harrie Koenen. Eerste rij: Janus van de Laar (bijgenaamd "de Slappe", vaandeldrager), Ferdinand van de Ven, Mathieu Aarts, Driekske van de Laar, Cornelis Vervoort, meester Jan de Wit, Arnout Ketelaars en dirigent meester P. Diels.

10. Romantiek.

Romantiek was in het begin van deze eeuw bij de Rooise burgerij geen onbekend verschijnsel. Zij vond haar uitlaatklep onder andere in de talrijke zangverenigingen en de fanfare met de daaraan verbonden toneelgroepen. En wat zegt u van het hier afgebeelde dameskoortje, sierlijk uitgedost in de romantische kleding van die tijd en geleid door een blinde dirigent? Was er wel iets mooiers denkbaar? De dirigent was Sjef Kluijtmans. Als blinde had hij zijn opleiding genoten te Grave en hij was hier lange tijd organist in de St.-Martinuskerk. Oudere mensen zeggen dat Rooi nooit zo'n goede organist heeft gekend. Over dit vrouwenkoortje, dat geen naam had, is maar heel weinig bekend. Het was geen congregatiekoor en het was dus waarschijnlijk een navolging van de liedertafels bij de mannen. We kunnen ons echter moeilijk voorstellen dat zij in die tijd optraden in een cafe, zoals de liedertafels. Het ligt meer voor de hand dat zij hun uitvoeringen in besloten kring gaven. In deze richting wijst ook het enige .optreden dat van dit koortje nog bekend is: de uitvoering van een kerstcantate bij de familie Van Leeuwen op het slotje Emmaus.

De leden van het koortje zijn, staande van links naar rechts: Janske Kemps, Anna van der Heyden, Piet Kluijtmans, Betsie Bruning, Theo van Leeuwen, Sjef Kluijtmans, Cornelia Moonen, Marie (gedienstige bij de familie Bodenstaff), Anna Jansen en Cisca van Leeuwen. Zittend: Lena Leegte, Carolien van den Nieuwenhuizen, Mieke Ven, Jans Maas, Marie van Leeuwen en Anneke Kemps.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Algemene voorwaarden | Algemene verkoopvoorwaarden | © 2009 - 2021 Uitgeverij Europese Bibliotheek