Kerken van Cuypers in oude ansichten

Kerken van Cuypers in oude ansichten

Auteur
:   Andries Monna en Jan Jongepier
Gemeente
:  
Provincie
:  
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-4368-4
Pagina's
:   80
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Kerken van Cuypers in oude ansichten'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

INLEIDING

De toren wordt gebouwd voor de gemeentenaren buiten de kerk. De toren moet hoog zijn. Hij dient om uit de verte de plaats der kerk aan te toonen. Hij moet hoog zijn, omdat de klokken het geluid in de verte over de woningen der gemeentenaren moeten verspreiden en hen ter kerke roepen. Een lage toren is een onding, Deze regels, verschenen in het Bouwkundig Weekblad van 1886, zijn afkomstig van bouwmeester Petrus J.H. Cuypers (1827-1921). De architect heeft het niet bij woorden aileen gelaten. Het silhouet van veel steden en dorpen in ons land wordt voor een groot deel bepaa1d door een kerkgebouw waarvoor hij het ontwerp heeft getekend.

Dat Cuypers zovee1 opdrachten kreeg, kwam omdat hij werkte in een tijd waarin het rooms-katholieke volksdee1 van Nederland druk bezig was met de ernancipatie. De in de Franse tijd opgestelde grondwet van 1798 bepaa1de dat al1e godsdiensten gelijke rechten zouden hebben. Daarmee kwam er een eind aan de bevoorrechte positie van de Nederlands Hervormde Kerk. Voor de katholieken betekende het dat ze hun schuilkerkjes konden verlaten en nieuwe, ruime bedehuizen gingen bouwen.

Aanvankelijk gebeurde dit in de zogenaamde waterstaatsstijl, een stijl die zijn naam ontleende aan het feit dat ingenieurs van het Ministerie van Waterstaat vaak nauw bij . de plannen betrokken waren. De kerken van dit type doen met hun klassieke ternpelfront, dikwijls gecombineerd met een koepeltorentje,

nogal deftig aan. De Amsterdamse Mozes en Aaronkerk is er een goed voorbeeld van.

Omstreeks 1850 maakte het neoclassicisme van de waterstaatskerken geleidelijk plaats voor de neogotiek. De eerste voortbrengselen van deze stijl vielen niet zo gelukkig uit en daarom werden ze fel gehekeld door de rooms-katholieke geleerde en schrijver Josephus A. A1berdingk Thijm (1820-1889). Naar zijn inzichten moest een kerkgebouw aan de hoogste eisen in constructief', esthetisch en godsdienstig opzicht voldoen. Omdat hij in de middeleeuwse gotiek deze voorwaarden voortreffelijk vervuld zag, werd hij de vurige propagandist van de neogotiek in ons land. Spoedig vond Alberdingk Thijm in de jonge architect Cuypers een kunstenaar die in staat was voor de katholieken kerken te bouwen die, evenals in de midde1eeuwen, duidelijk getuigenis zouden afleggen van hun geloof.

Cuypers' restauraties en ontwerpen, uitbundig geprezen door A1berdingk Thijm, brachten steeds meer bouwpastoors ertoe hun nieuwbouwplannen te laten uitvoeren door de Roermondse architect. Zijn belangrijkste inspiratiebron lag in de jaren tussen 1850 en 1870 in de dertiende-eeuwse gotiek van Noord-Frankrijk en het Rijn1and. De Sint Catharinakerk in Eindhoven ge1dt als het hoogtepunt uit deze periode. Na 1870 zijn in een tweede periode ook elementen ontleend aan de Nederlandse, de Engelse, de Scandinavische en de Italiaanse gotiek aan te

wijzen. De Haagse Sint Jacobuskerk, de Leeuwarder Sint Bonifatiuskerk en de Hilversumse Sint Vituskerk laten deze ontwikkeling goed uitkomen. Tevens probeert Cuypers dan in sommige ontwerpen een samengaan tussen de gotische, basilikale plattegrond en centraalbouw te bereiken, Het mooiste voorbeeld hiervan is de Heilig Hart- of Vondelkerk in Amsterdam, de stad waar hi] zich in 1865 had gevestigd in verband met het toenemende aantal opdrachten uit het noorden van het land. Dat Cuypers ook buiten katholieke kringen erkenning kreeg, bleek to en hem de bouw van het Rijksmuseum en het Centraal Station in de hoofdstad werd toevertrouwd.

Zodra de katholieken waren gewonnen voor de neogotiek, werden Cuypers en zijn Utrechtse collega Alfred Tepe (1840-1920) overstelpt met aanvragen. Grootse bouwwerken met hoge torens moesten na de schuilkerkentijd de herwonnen vrijheid van godsdienst overal tot uitdrukking brengen l

Het einde van de neogotiek brak aan toen in het begin van de twintigste eeuw architecten als Berlage (1856-1934) nieuwe vormen in de bouwkunst aan de orde stelden. Lange tijd hebben kunsthistorici weinig waardering kunnen opbrengen voor de neogotische kerken. Vaak was hun afkeer terecht, want vooral uit de door leerlingen van Cuypers en Tepe geleverde ontwerpen spreekt weinig bezieling. Maar ook voor het werk van Cuypers zelf toonde men nauwelijks interesse. Zonder noemenswaardige protesten ver-

dwenen het kerkje in het Friese Wijtgaard, de kathedraal van Breda en in Amsterdam de Maria Magdalenakerk en de Sint Willibrordus buiten de Veste. Een trieste reeks die in 1982 nog een vervolg kreeg door de afbraak van de Sint Martinuskerk in Groningen ...

Gelukkig is er in de jaren zeventig meer begrip voor de oorspronkelijkheid van Cuypers' oeuvre ontstaan. Een respectabel aantal van zijn kerken werd op de lijst van beschermde monumenten geplaatst. Ook ging men hem, zoals Berlage dat al eerder had gedaan, meer en meer zien als de gene die door eerlijk materiaalgebruik en moderne constructiemethoden de basis had gelegd voor de architectuur van deze eeuw.

Door ruimtegebrek konden Diet alle kerken van Cuypers in dit album worden opgenomen. De auteurs hebben een selectie gemaakt, waarbij ze getracht hebben niet aileen de nieuwbouwplannen maar ook de omvangrijke restauratiepraktijk van de architect te belichten.

Sommige kerken zijn in de oorlog verwoest, voor andere kwam de herwaardering te laat. Wat rest is slechts de afbeelding op een oude ansichtkaart... Dit boekje zal af en toe goede herinneringen oproepen aan een kerkgebouw dat er niet meer staat. Mogelijk doet het menige lezer ook met des te meer waardering kijken naar de Cuyperskerk die nu nog zo trots het silhouet van zijn woonplaats bepaalt.

tin, r u it L..1:\"HC1'.

1. Blauwhuis, Sint Vitus.

Het ontwerp voor de driebeukige kerk van BIauwhuis, een dorp niet ver van Sneek, was het eerste van de in totaal zeven die Cuypers voor Friesland zou maken. Als opzichter bij de bouw van de Sint Vitus, die plaatsvond. van 1869 tot 1871, trad Cornelis H. Peters (1847-1932) op. Hij zou later als rijksbouwmeester bekendheid krijgen met het hoofdpostkantoor in Amsterdam en het Ministerie van Justitie in Den Haag.

Dockum R. C. Kerk

2. Dokkum, Sint Martinus en Bonifatius.

In 1872 kwam deze driebeukige kruisbasiliek gereed. De naast het koor geplaatste toren stortte in 1874 in en werd even later herbouwd. Gelukkig zijn van de jaren zestig daterende sloopplannen niet tot uitvoering gekomen. Onlangs is de kerk geheel gerestaureerd. Als belangrijk relikwie wordt in de kapel onder de toren een deel van de schedel van Bonifatius bewaard.

3. Heeg, Sint Jozef.

Voor deze eenbeukige kerk had de bouwpastoor zowel door Cuypers als door Tepe sehetsen laten maken. Cuypers moest van de pastoor elementen uit het plan van Tepe overnemen. Voordat het definitieve ontwerp kon worden uitgevoerd, rezen er bezwaren over het feit dat het bouwterrein te dieht bij de hervormde kerk lag. Op 22 november 1876, het feest van Sint Caeeilia, werd de kerk ingewijd.

l.e euwarden

~ loorslreek.

4. Leeuwarden, Sint Bonifatius.

Sinds 1884 wordt het silhouet van Leeuwarden bepaald door de ruim tachtig meter hoge toren van de Bonifatiuskerk, die ge1dt a1s een van de be1angrijkste werken van Cuypers. Een zware storm ve1de in 1976 de spits van Fries1ands hoogste toren. Leeuwarden kreeg zijn toren in 1980 terug toen een enorme kraan een nieuwe spits p1aatste. Dit spectacu1aire karwei vormde het begin van uitvoerige restauratiewerkzaamheden aan de kerk.

5. Leeuwarden, Sint Bonifatius.

Van het interieur van deze kruisbasiliek is met name de koorpartij erg interessant, waar zes natuurstenen zuilen het vemuftig geconstrueerde stergewelf dragen. De preekstoel dateert van de tweede helft van de zeventiende eeuw en is afkomstig uit een vroegere schuilkerk. Op de voorgrond zijn nog de nu niet rneer aanwezige armenbanken te zien,

St. Bone laciuskerk - Lceuwarde n.

R. K.┬Ěl(erk. Nes Ameland

6. Nes op A meland, Sint Clemens.

Voordat in 1878 met de bouw van dit kerkje begonnen werd, waren in Amsterdam reeds alle houten onderde1en gemaakt. Bet transport naar Ameland vond per schip plaats. De boerderijen van het eiland inspireerden Cuypers tot een eenbeukig ontwerp met 1age muren en een hoge kap, dat goed aansluit bij de landelijke omgeving, De aartsbisschop van Utrecht, kardinaa1 Johannes de Jong (1885-1955), die op Ame1and geboren werd, bezocht tijdens zijn vakanties altijd deze kerk.

7. Sneek, Sint Martinus.

Ret plan voor de kerk van Sneek ontstond in 1869. Van deze driebeukige kruisbasiliek is het schip onvoltooid gebleven. De jonge Nicolaas Molenaar (1850-1930) had het toezicht bij de bouw. In 1915 ontwierp hij ook de nieuwe angelustoren voor de kerk. Ret complex van het Canisius College in Nijmegen toont duidelijk dat deze architect een bekwaam leerling van Cuypers was.

8. Sneek, Sint Martinus.

In het interieur van de kerk valt vooral het metselwerk op dat in verschillende kleuren baksteen is uitgevoerd. Ret hoogaltaar, de preekstoel en de beelden werden geleverd door het atelier van Cuypers en Stoltzenberg te Roermond. Deze werkplaats was in 1853 ontstaan om aan de sterk gestegen vraag naar kerkelijke kunst te kunnen voldoen. Er bestaan op dit moment voor de Sint Martinus restauratieplannen.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek