Kermis en circus in beeld

Kermis en circus in beeld

Auteur
:   H.W. Keikes
Gemeente
:  
Provincie
:  
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-0070-0
Pagina's
:   144
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Kermis en circus in beeld'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

INLEIDING

De kermis lijkt dood te zijn, doordat de techniek de romantiek verdreef. Het variété heeft zich op enkele stellingen teruggetrokken. Het circus is gemechaniseerd en geautomatiseerd. Het lijkt of het voorbij is allemaal, maar dat is schijn.

De grote circussen zijn bijna industriële giganten geworden, maar er verschijnen alweer nieuwe, dappere, kleine onderneminkjes op 's Heren wegen, die de sfeer ademen van de romantische bedrijfjes, waaruit die giganten ontstonden ... De kermis is bezig te bewijzen dat de mens van nu zich net zo aan technische verfijningen kan vergapen als aan spiegeltjes en kraaltjes van vroeger... en wanneer de televisiecamera's alle ellende en alle verveling hebben geregistreerd, dan zal de mens zijn vadsigheid afleggen en weer leren leven ... dan zullen er ook variététheaters weer hun deuren openen.

Er groeien generaties op die de hele wonderwereld van circus en variété alleen maar van het blauwe oog in de kamer kennen, maar zij zullen ervaren dat de werkelijkheid oneindig veel boeiender is, zoals reizen in niets is te vergelijken met het bladeren in fraai geïllustreerde reisgidsen.

De kinderen en kleinkinderen van de artiesten van nu bereiden zich daarop voor. Ze dansen en jongleren, ze zetten de eerste passen op de draad en ze klimmen naar de trapeze. Intussen blikken wij, in deze door welvaart en televisie afgedwongen adempauze, even terug naar de tweede helft van de vorige en de eerste helft van deze eeuw, welke periode een glorietijd was voor deze vorm van vermaak.

Na de Tweede Wereldoorlog leek het er even op of alles gewoon zou doorgaan, maar de televisie, de vliegvakantie, de auto en het tweede huisje, kortom het goede leventje, staken daar een stokje voor en er brak voor het reizende volk een zorgelijke tijd aan. In de woonwagens waakten de ouderen en droomden de jongeren; na de glorie kwam de zorg, maar de hoop blééf. Het laatste kwart van deze eeuw brak aan: de televisie verloor zijn greep en het welvaartsmenu bleek niet zodanig van samenstelling dat men er zich blijvend gelukkig bij voelde... Laat de jeugd in de wagens maar dromen van applaus!

Het circus reist rusteloos verder. De rollemannen en -vrouwen zijn voortdurend onderweg, maar ze zijn meer thuis dan wie ook, want hun wagen 24 of 43 staat in elke speelplaats aan de rechterkant van de zadelplaats tussen de paarde- en de olifantenstallen. Nog plaatsgebondener zijn de circussen en nummers, waarvan alleen nog maar de glorierijke herinnering rest en waarvan enkel affiches, foto's, programma's of strooibiljetten zijn bijgezet in particuliere of gemeentearchieven. In deze tegennatuurlijke omgeving van stof en stilte is de geur, kleur en klank van kermis en circus gevangen in portefeuilles met groene lintjes. Maar er zijn nog meer nummers en circussen die nièt in archieven voorkomen om de eenvoudige reden dat zij nog niet ingestudeerd of opgericht zijn. Er zullen Schumanns, Bougliones, Althoffs en Strassburgers in optreden.

1. Jongen met hond en aapje: H.D. Loeff.
Dit boekje blikt zonder pretenties of zelfs maar het streven naar volledigheid terug op de kermissen en circussen, zoals Nederland die zag in de eeuw die voorafging aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Uiteraard gaat het ook niet voorbij aan die mengvorm, die als variété generaties boeide binnen de schouwburgen. Maar of men nu een theaterdak, een tentdoek of de blauwe hemel boven zich had, men vertoonde specialiteiten en zocht steeds weer een ander publiek. Dat betekende reizen, van dorp naar dorp, van stad naar stad, van land naar land. Het reizende volk, verspreid als men is, vormt een hechte gemeenschap en de jongen met de hond het het aapje is verwant aan de directeuren van de grootste en modernste circusbedrijven. Ja, misschien is hij de stamvader van één van hen.

2. De man met de beer.
Het circus zoals we dat nu kennen is nog niet zo oud als soms wordt gezegd. Vele circusboeken sleuren het Circus Maximus uit de Romeinse tijd de circushistorie binnen, maar men kan dat met evenveel (on)recht doen met wielerbanen en voetbalstadions. Het eerste circus, waarin het huidige circus te herkennen valt, is dat van Philip Astley (1742-1821) in Londen. Vergeleken met andere cultuuruitingen is het circus dus jong, niet alleen in geest, maar ook in jaren. Daarvoor waren er de losse koorddansers, de jongleurs, de goochelaars, de mannen met gedresseerde beren of apen en de paardrijders, die van jaarmarkt naar jaarmarkt trokken. Deze zwervende artiesten, die hun wisselvallig bestaan zochten op de kermissen, gingen met de pet rond, in casu het mansbakje of de schaal...

3. Het wandelend orkest.
... Sommige circusdirecties, die nog te dicht bij hun kermisverleden staan, kunnen het collecteren nog steeds niet laten, maar in circussen van standing komt dit niet meer voor. Er zijn geen scherpe lijnen te trekken tussen kermis en circus, tussen circus en variété, want in principe bestaat er geen enkel verschil tussen de paradetent met het ezeltje of het rekenpaardje en de clowns en acrobaten en het grote tentcircus. De wagen, hoe krakkemikkig ook, ontsloot een groter gebied en bood beschutting tegen het weer. De "rollemannen", die door de landen reisden, leefden automatisch dicht bij de natuur. Ze zwalkten over slechte wegen en konden slechts hopen en bidden dat het weer gunstig bleef, dat ziekte en ongeluk hen bespaard bleef. Zij ontwikkelden een primitief, maar puur en oprecht geloof.

4. Circus Kinsbergen.
Sommige kleine circusjes gingen ten onder aan hun groei. Zo niet het minieme Circus Kinsbergcn, dat zichzelf gelijk bleef en het langst van allemaal door Nederland bleef reizen. De naam is al gevestigd, wanneer niemand nog heeft gehoord van de latere reuzen en meer dan honderd jaar later reist het nog. De laatste echte Kinsbergen was Jeanette van der Pol-Kinsbergen, die tot op zeer hoge leeftijd met haar gedresseerde hondjes optrad. De Kinsbergens waren verwant aan Jacques Schuitenvoerder, de beroemde August van Circus Oscar Carré en Schuitenvoerder was op zijn beurt een schoonzoon van Blanus.

5. Circus Dassie, circa 1870.
Wie in de Nederlandse circusgeschiedenis van de vorige eeuw duikt, komt daarin namen tegen, die een klank hadden die omgekeerd evenredig was aan de omvang van het bedrijf: Dassie, Blanus, Cohen, Schuitenvoerder, Loisset, B1ondin, Kinsbergen en natuurlijk Carré, Wat bezielde (en bezielt! ) al die mensen om het harde, ongewisse leven van het circus te kiezen, ongeacht of dat nu een miniatuurcircus bij de tent met gedresseerde honden en apen van Dassie is of een reizende gigant? Men spreekt over circusdynastieën en de vergelijking met vorstenhuizen gaat in meer dan één opzicht op, Het devies "De koning is dood, leve de koning" geldt ook hier, want er mag geen hiaat in de regering zijn en de jonge generatie is al voorbereid op de wachtende taak. Het circus is een territoir, omgeven door een hek, dat in wezen een landsgrens is...

6. Paardenspel van Blanus, 1870.
... Er is geen leger nodig, want iemand die er niet hoort, zal er niet in slagen in deze wereld door te dringen. De circuswereld is een eeuwenoude staat, die is opgebouwd uit allemaal kleine enclaves in alle landen van de wereld, die zich verplaatsen alsof er geen grenzen bestaan. Waar zou men buiten de omheining bereid zijn zo lang en zo hard te werken, zonder vrije zaterdag, zelfs zonder vrije zondag? Waar zouden zonder mopperen zoveel overuren worden gemaakt, waar bestaat nog het echte gezag van het hoofd van de familie, in casu de chef van de troep, ook wanneer hij al niet meer zelf in de manege komt en omgekeerd? Waar accepteert de oudere generatie het terugtreden ten behoeve van de jeugd gemakkelijker dan hier? ...

7. Nationaal Friesch Circus, Cohen, 1900.

... De hoog betaalde topartiest drinkt in het circusrestaurant zij aan zij met de tentbouwer zijn biertje. In deze utopisch lijkende wereld, waarin iedereen zich, op welke plaats dan ook, nuttig kan blijven maken, reist men zonder diplomatenpas, maar men brengt de mensen moeiteloos dichter bij elkaar. Een van de geheimen is de vanzelfsprekende totale inzet. Verder is er natuurlijk de lotsverbondenheid en de niet zelden zeer sterke familieband. Het is dankzij deze structuur dat het cirucs, waarvan het sterven is voorspeld zolang het bestaat, zal blijven bestaan. Terug naar de kermiscircusjes: Kinsbergen is de oudste, Blanus (die dan weer alleen, dan weer met Dassie, dan weer met Cohen samen reisde) de bekendste.

8. Tekening Joh. Braakensiek: Blanus.
Dat zovelen nog de naam Blanus weten en dat die naam bijna een synoniem is geworden voor "paardenspel", bewijst wel hoeveel indruk Mozes Blanus wist te maken met zijn verschijning en verrichtingen. Het reisde met een houten constructie, een soort kiosk, waarvoor een estrade was gebouwd, waarop de artiesten zich aan het publiek presenteerden. Blanus zelf fungeerde als boniseur. Een indrukwekkende figuur met glanzende, hoge zij, een astrakan pelsjas met daaronder een rose tricot met zwart fluwelen broekje. Zijn artiesten kwamen te paard op de estrade en konden via een schuine loopplank zelfs een rondje op straat maken. Allo, allo, dames en heren, boeren en buitenlui, hier is de hippologische academie van Blanus. Zo moet Blanus zich tot het publiek hebben gewend, aldus de jeugdherinneringen van Justus van Maurik.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek