Kramers uitgekraamd - De teloorgang van de straathandel in Rotterdam

Kramers uitgekraamd - De teloorgang van de straathandel in Rotterdam

Auteur
:   Rein Wolters (tekst) en Mario van de Velde (fotografie)
Gemeente
:  
Provincie
:   Zuid-Holland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-1429-5
Pagina's
:   160
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2-3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Kramers uitgekraamd - De teloorgang van de straathandel in Rotterdam'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

Inleiding

Al sinds de officiele erkenning van Rotterdam als stad in het jaar 1340 is het fenomeen 'standwerkcr ' bekend en erkend. Uiteraard was het zes eeuwen geleden anders werken dan anna 2000. De koopman of mars kramer bepaalde door de eeuwen heen zelf wat hij wilde verkopen: garen, band, spelden, pillen, drankjes, haarwater, zalfjes en noem maar op. Dorp na dorp struinde de marskramer langs de deuren of hield halt op een dorpsplein om 'vanuit stand' het samengedromde publiek te vermurwen tot een aankoop. Daarmee is de herkomst van het woord standwerker verklaard.

Anno 2000 waren standwerkers te herleiden tot twee catagorieen: de ouderwetse standwerker die verbaal zijn product tracht te verkopen op bijvoorbeeld een warenmarkt of een familiebeurs, zoals Femina in Ahoy'; of de verkoper die vanaf een niet in de bodem verankerde standplaats haring, gepofte mais, olie- of berlinerbollen, patat, pizza, Vietnamese loempia's, kerstbomen, bloemen, planten of anderszins slijt aan voorbijgangers.

Zo is het door de eeuwen heen geweest en zo had een ieder door de eeuwen heen er over het algemeen ook vrede mee. De regelgeving was soepel. Wie op straat wilde gaan verkopen, en de zakelijke bedoeling bij het gemeentebestuur aannemelijk kon maken, die beschikte al snel over een vergunning.

Vooral na de Tweede Wereldoorlog maakten de straathandel en thuisbezorging (bakker, melkboer, olie- en zeepman) en de standplaatsenverkoop een vlucht door. Door de jaren he en hadden de verschillende gekozen stadsbesturen van Rotterdam er vrede mee: standplaatsen op straat gaven immers drukte en sfeer.

De 'loempialisering', zoals burgemeester dr. A. Peper in 1997 de wildgroei aan standplaatsen in vooral het centrum van Rotterdam omschreef, was een gevolg van de tijd. Eerder al, in 1991, zette het stadsbestuur het tegenoffensief in. Binnen tien jaar moesten alle vaste standplaatsen uit het centrum verdwenen zijn!

Sindsdien is de strijd grotendeels gestreden: een aantal standhouders had in 1999 het hoofd al in de schoot gelegd.

Zes anderen niet, want ze wilden op de Coolsingel en omgeving blijven. Omdat dit boek eerder verscheen dan het verstrijken van het ultimatum van tien jaar op 1 oktober 2001, waren diverse standhouders nog bezig met het veiligstellen van hun belangen. Dit boek vertelt over hun strijd, maar ook over de argumenten die de gemeente Rotterdam al of niet terecht gebruikte om het centrum van Rotterdam vrij van vaste standplaatsen te maken.

Niet zonder slag of stoot is de sanering, verwijdering of verplaatsing naar elders verlopen. Het centrum van de stad is er onwezenlijk kaal en leeg door geworden, daar zijn vriend (stand-

houders) en vijand (politiek) het overigens niet over eens. Maar of het verbannen van de standplaatshouders nou allemaal zo goed is geweest voor de sfeer in de binnenstad, dat valt te betwijfelen!

Rein Wolters Mario van de Velde

Straatverkoop oudste vorm van handel

Met het uitbrengen van dit (foto) boek hebben de samenstellers de intentie een bijdrage te leveren aan het vastleggen van een brok, zeker niet complete, geschiedenis van de handel op straat. In 1991 viel in de gemeenteraad van Rotterdams het besluit om kraampjes (verkoopobjecten) uit het centrum van de stad te weren, omdat 'deze het straatbeeld ontsieren'.

Als hoofddoel had het college van B en Whet realiseren van brede en vooral schone trattoirs. Op basis van die gedachte wilde men schoon schip maken. Grate bouwplannen en veranderingen in het centrum waren hier mede debet aan. Over dit onderwerp is tussen kooplui, raadsleden en andere belanghebbenden veel gediscussieerd. Kranten speelden op de zaak in en schreven er lange artikelen over. Mooie en lelijke facetten kwamen via de media naar buiten.

Door het in 1993 maken van foto's op verschillende locaties van noord naar zuid en van oost naar west, en door toevoeging van niet direct op de handel betrekking hebbende onderwerpen, is een poging gedaan om het beeld van de straathandel van Rotterdam in de twintigste eeuw voor de toekomst vast te houden. Het was immers al sinds mensenheugenis een nadrukkelijk gegeven dat, nadat men genoeg had verbouwd of aangemaakt voor eigen gebruik, het overschot als ruilhandel (en later te koop) werd aangeboden. De me est simpele weg om van een overschot af te komen was het uitstallen (etaleren) voor hut, huis of schuur.

Het was de eerste vorm van straathandel. In veellanden floreert deze manier van straatverkoop nog steeds.

Bewijzen hiervan zijn te vinden in bijvoorbeeld de verkoop van fruit in Luxemburg, Belgie en Duitsland, Frankrijk en Portugal. Bijoutericen, lederwaren en luxe artikelen vormen het straataanbod in onder meer Afrikaanse landen. In Nederland is deze vorm van handelen nog aan te treffen op rammelmarkt, vlooienmarkt ofbraderie.

De verkoop van bloemen en bloemenslingers (in de bollenstreek) en fruit langs wegen in de Betuwe zijn eveneens specifieke vormen van straathandel. De geschiedenis leert dat heel veel kooplieden dezelfde verkoopideeen hadden en daarom met hun spullen naar een dorpsplein of een andere open plek togen om er hun waren aan te bieden.

Al snel kwamen vaste marktplaatsen tot stand met als resultaat dat in de kleinste plaatsen of dorpen wel een markt te bezoeken is.

Naspeuringen vert ellen dat de eerste vaste warenmarkt zich wortelde in Maastricht. De Centrummarkt in Rotterdam is in omvang de op twee na graotste van Nederland. Die van Brunssum in Limburg en de Herman Costerstraat in Den Haag zijn iets grater dan de Rotterdamse markt. De Albert Cuypmarkt in Amsterdam neemt de vierde plaats in op een ranglijst, die overigens niet geldt als officieel.

De straathandel beperkt zich in Rotterdam niet uitsluitend tot het centrum. De elf deelgemeenten voeren bij het toekennen van een standplaatsvergunning een eigen beleid, dat overigens wel is afgestemd op het beleid van de centrale gemeente. Dat levert leuke verkooppunten op. Als voorbeeld is het aardig om het Metroplein in Hoogvliet te noemen en het winkelcentrum In de Fuik in de wijk Zalmplaat, waar een combinatie is van verkoop uit de winkelwagen, gronduitstallingen, kiosken en alledaagse marktkramen.

Het is, zeker voor toeristen die Rotterdam bezoeken, altijd weer een belevenis te wandelen langs kraampjes op straat, die zorgen voor een kleurig en fleurig beeld. In grauw lijkende buurten is dat zeker een vrolijk gezicht.

Tijdens een uitzending van Stads TV Rotterdam (het latere TV Rijnmond) op 17 maart 1993 zijn de nadelen van de straathandel uitgebreid toegelicht. Als het grootste probleem werd het afval genoemd. Enkele middenstanders met besef voor het afvalprobleem, namen speciaal mens en in dienst om tijdens de verkooptijden (denk hierbij aan friteskramen) de straat rondom het verkoopobject schoon te houden.

Als een positief voorbeeld gelden de verschillende vestigingen van 'patatkoning' Bram Ladage. Bij hem breek je bij wijze van spreken je benen niet over lege patatzakken, maar over de talrijke prullenbakken. Deze staan bovendien zo opvallend rondom de verkoopplaats opgesteld, dat je het wel nalaat een restant op straat achter te laten. Behalve dan de enkele koper die rondloopt met oogkleppen. Het is reeds lang gebruik om bij vrijwel elk straatfeest of een winkeliersactie een braderie te houden. Natuurlijk zijn zeer gewild

de periodieke jaarmarkten, kermissen met verkoopkraampjes en, in toenemende mate, paardenmarkten. In Rotterdam (OudI]ssehnonde, Noordplein, Hillegersberg) en omgeving (Heenvliet, Poortugaal, Barendrecht, Capelle en Krimpen aan den I]ssel, Brielle, Schiedam) werden deze in de 20ste eeuw georganiseerd door Rotterdammer Piet Hoepel.

Het deelnemen aan, ofhet bezoeken van, rommel- oftweedehandsmarkten is al decennia een geliefde bezigheid. Op hoogtijdagen zoals Koninginne- en Bevrijdingsdag bestaat hiervoor veel belangstelling. Voor deze vorm van straathandel bestaat geen plicht tot het gebruik van een kraam. Iuist dat maakt het dat het 'vlooiensfeertje' uitgroeit tot een rommelige, maar wel intieme en gezellige sfeer.

Ambtenaren van de Keuringsdienst van Waren van de Inspectie Gezondheidsbescherming zijn op hoogtijdagen extra actief en houden de kwaliteit van de op straat te koop aangeboden etenswaren scherp in de gaten. Veel handelaren zijn, vanwege de verhoogde controle, overgegaan tot het gebruik van koelvitrines. Hiermee wordt gepoogd de gevreesde salmonellabacterie buiten de deur te houden. Die verbetering was niet aIleen goed voor het behoud van de kwaliteit van hun consumptiewaren, maar ook omdat de eisen van de consument en de Warenwet aanzienlijk strenger zijn geworden.

De Nederlands-Duitse handelsgeschiedenis leert, dat er vanuit Munsterland en uit het voormalige Lingen, Hopsten en nog enkele andere steden in het toenmalige Vorstenbisdom Munster, handelaren en zogeheten Todden (Wander-Handler) naar Neder-

land zijn gekomen om hier hun kost te verdienen. Het gebied behoorde tot 1702 aan Nederland.

Munster was een stemhebbend lid van de Staten Generaal der Nederlanden en Huisleen van de Oranjes. Nederland was in de 18de eeuw voor kooplieden uit deze regio een wonderland. De Todden en Hannekemaaiers waren destijds op bijverdiensten aangewezen, omdat zij vaak tot de onderlaag van de sociale samenleving behoorden en op het platteland niet genoeg konden verdi en en. Om onder meer die reden trokken ze als bond- of pakkendrager (ze droegen hun waren in korven op hun rug) naar Nederland. Niet alleen naar Nederland kwamen de Todden, ze togen ook in noordelijke richting en andere delen van Europa: van Vlaanderen tot Riga. Het aantal Todden dat in westelijke richting trok naar Nederland moet tussen de achthonderd en duizend hebben gelegen. Bekende namen van vooraanstaande textielbedrijven zijn onomstotelijk aan die tijd verbonden: C &A (Brenninkmeijer), Hettage, Schweigmann, Lampe en tal van anderen.

In de Nederlands-Engelse handelsgeschiedenis waren de jaren tussen 1871 en 1930 voor Unilever belangrijk. In het jaar 1871 kocht fabrikant Jurgens uit Oss (venter /boterhandelaar - in die tijd werkte men vaak met hondenkarren, kruiwagens en vanaf kleden) de patentrechten van de Franse boterboer Mege Mouries om kunstboter of margarine te mogen produceren. In 1872 wisten Simon van den Bergh en in 1885 de Engelse gebraeders Lever ook margarine te maken. De succesvoIle ondernemer Van den Bergh verlegde in 1890 zijn activiteiten naar Rotterdam, waar hij later ging samenwerken met Jurgens, waaruit het concern Van den Bergh & Jurgens is ontstaan.

Marskramers en andere venters trokken vroeger van plaats naar plaats om hun koopwaren aan de man of vrouw te brengen. Ook hier geldt, dat de naam marskramer gedachten oproept aan lang vervlogen tijden. Toen liepen deze mens en met een (buik)kistje of (rug)kast langs velden en wegen om hun waren aan te prijzen. De rugkastjes ofkorven werden ook wel poepkastjes genoemd.

De winkelketen Marskramer (opgericht in 1940 door Huibers sr.) maakte in 1999 deel uit van een grate winkelketen onder de mantel van het beursgenoteerde concern Koninklijk Bijenkorf Beheer (KBB). In dit fotoboek is ook een foto opgenomen van de eerste Marskramerwinkel met die naam in Nederland en wel in de Lusthofstraat in Rotterdam-Kralingen. De naamMars kramer' is in dit geval aIleen als handelsnaam bedoeld en heeft geen betekenis in de geschiedenis van het bedrijf ofhet beroep als zodanig.

Met de komst van betere infrastructuur is het voor bijna een ieder mogelijk om de plaats voor aankoop van goederen te bereiken. Veel mensen zijn van mening dat door de wat gemakkelijker vorm van vervoer voor de consument de venthandel bijna is uitgestorven. Men maakt op andere plaatsen een keuzeaankoop, omdat die mogelijkheid daarvoor simpelweg aanwezig is.

Bij hoge uitzondering kwam er in de jaren negentig van de twintigste eeuw nog wel eens een groenteman, een SRV-winkelwagen, een braodbezorger of een ijscoman door de woonstraten. Het was toch nog maar enkele decennia geleden dat in de straten ambulante ondernemers op luide toon hun waren te koop aan-

boden. Niets was ondenkbaar: hoedendozen, haring, mosselen, brood, melk, eieren, boter, kaas, petroleum, zeepsoorten, diverse soorten pap, bloemen, fruit, zure bommen, pinda's, chocolade en allerlei andere zaken.

In de eerste helft van de 20ste eeuw bestond er een grate verscheidenheid aan straatmuzikanten, onder wie zangers, orgeldraaiers, trekzakbespelers, fluitspelers en potsenmakers, om er maar enkelen te vernoemen. Voor het uitoefenen van dergelijke beraepen en/of diensten moest men in het bezit zi jn van een vergunning of een verklaring van de politie op zak hebben.

In Rotterdam berust het verstrekken van de vergunning en het recht op een standplaats bij de Dienst Midden- en Kleinbedrijf, Marktwezen en Entrepot. Wie over een vergunning beschikt, dient zich te houden aan een aantal voorschriften. Zo mag men zich niet installeren binnen 50 meter van een winkel waar dezelfde of soortgelijke artikelen worden verkocht; dient men een afstand van 100 meter in acht te nemen tussen de eigen en een andere standplaats waar dezelfde of soortgelijke artikelen worden verkocht en 250 meter uit de buurt te blijven van een markt.

Een van de belangrijkste voorschriften is het verbod om aan personen waren en/of diensten aan te bieden, in welke vorm dan ook, langs de weg of aan een openbaar water, zonder daarvoor een vergunning te hebben.

Er was en is nog steeds een verschil tussen een ventvergunning en de toestemming om een vaste standplaats in te nemen. In het verleden is het wel voorgekomen dat een bloemenventer of

iemand met een mand met paling bij een contrale de mand op zijn voet plaatste en zodoende niet de straat gebruikte. Als hij werd betrapt, dan stond hem een praces-verbaal en een fikse boete te wachten, omdat hij volgens de wet een overtreding maakte, wanneer de mand de straat raakte.

De verkeersveiligheid speelde eveneens een belangrijke rol in de toewijzing van verkoopplaatsen. Wanneer men toestemming kreeg om een permanente locatie in gebruik te nemen, moest aan het exterieur de nodige aandacht worden besteed en gold de brandbeveiliging als een belangrijk onderdeel.

Kabels, buizen en alle andere zaken van nutsbedrijven moeten direct bereikbaar zijn. De tijdsduur waarvoor de locatie beschikbaar is, kwam eveneens bij de toekenning aan de orde. Het college van B en W stelde een maximum aan het aantal uit te geven standplaatsen voor gedeelten van de gemeente of per branche. Tot de plicht van de ondernemer behoorde het zich laten inschrijyen bij de Kamer van Koophandel en het Centraal Registratiekantoor. Uiteraard moest men in het bezit zijn van een vestigingsvergunning, men diende handelsbekwaam te worden geacht, terwijl handelen het hoofdberoep moest zijn.

1 De (verdwenen) bloemkiosk van Schoots aan het Binnenwegplein. Nadien is op

deze plaats een pand van twee verdiepingen gebouwd voor Febo en New York pizza met

zitplaatsen binnen en een buitenterras.

2 De verkoopstand van groente- en fruithandelaar P.]. van Brenkelen aan het

Binnenwegplein voor de deur van boekhandel Donner.

In juli 1999 werd zijn kiosk

een aantal meter opgeschoven voor het renoveren van het Binnenwegplein.

3 Bloemen- en plantenhandel Gerda van B. Put-Dorchain aan de kop van Dordtselaan,

Mijnsherenlaan en Brielselaan bij het metrostation Maashaven.

4 In 1940 began handelaar ]. Huibers sr. zijn Marskramer in huishaudelijke artikelen en

speelgaed aan de Lusthafstraat in Kralingen.

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek