Nederlandse watermolens in oude ansichten

Nederlandse watermolens in oude ansichten

Auteur
:   Hans Frieke, Herman Hagens en A. Meesters
Gemeente
:  
Provincie
:  
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-5816-9
Pagina's
:   112
Prijs
:   EUR 16.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 werkdagen (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Nederlandse watermolens in oude ansichten'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  >  |  >>

INLEIDING

In de serie "in oude ansichten" zijn reeds vele deeltjes verschenen, die aile handelden over windmolens. Toch had en heeft Nederland niet aileen windmolens. In een aantal provincies zijn ook watermolens aan te treffen. Met name in de oostelijke en zuidelijke provincies kan men de waterraderen nog zien draaien.

Met "watermolens" worden hier de door water gedreven rnolens bedoeld en niet de in de polders voorkomende "windwaterrnolens". Ter verduidelijking: als tegenhanger voor wat betreft de aandrijvende kracht bij de windmolen spreekt men in die gewesten waar polders zijn van "watermolens". De gekunstelde term" waterradmolen", die door sommigen ter onderscheid van de windwatermolen wordt gebruikt, komt u dus aileen in deze zin tegen; wij hebben die verder bewust vermeden en beschouwen deze ook als historisch onjuist. Watermolens zijn in Nederland thans nog te vinden in Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Vroeger kwamen in enkele andere provincies ook watermolens VOOL De watermolen is onbetwist ouder dan de windmolen. De oudste vermeldingen van Brabantse watermolens stammen al uit de achtste eeuw. In de onder de verantwoording genoemde publikaties wordt dieper ingegaan op de verschillende watermolentypen die er bestaan of bestonden. Hier willen we slechts met een enkele zin de hoofdlijn schetsen. Men onderscheidt de watermolens wei in boven-, midden- en onderslagmolens. Dit naar hoe het water op het rad vall. Het zal duidelijk zijn dat bovenslagmolens, waarbij het water bovenop het rad valt, in heuvelachtige gebieden te vinden zullen zijn en de waterrnolens die gelegen zijn op traag stromende beken in meer vlakke streken, onderslagraderen bezitten. Verder zijn er ook zogenaamde turbinemolens. Het archaische rad is daarbij vervangen door een turbine, die bestaat uit een gietijzeren huis, waarin het turbinerad draait.

Een andere onderverdeling van de watermolens is die waarbij gekeken wordt hoe de molen wordt aangedreven. Hierbij wor-

den de meest bekende watermolens onderscheiden van de minder bekende schipmolens, getijmolens en watervluchtmolens. Van deze laatste drie typen zijn in Nederland helaas geen complete exemplaren meer voorhanden.

De watermolens hebben door de tijd heen ook vele functies gehad. De bekendste functie was en is natuurlijk als korenmolen. Maar de watermolen diende ook onder andere als olie-, pel-, zaag- en papiermolen. De korenmolen is nog in iedere watermolenprovincie aan te treffen. Een pelinrichting is heIaas aileen te zien in Eibergen en Borculo. Oliemolens zijn ook een schaars goed geworden. Voorbeeldig herstelde exemplaren zijn onder andere te vinden in Delden (Deldener Es) en Haaksbergen. De laatste houtzaagmolen op waterkracht is ook in Overijssel te vinden en wei op het landgoed Singraven bij Denekamp. Papiermolens kwamen vooral op de Veluwe VOOL In Loenen is nog een exemplaar behouden. Verder is in het Nederlands Openlucht Museum in Amhem een papiermolen gereconstrueerd.

Kwetsbaar

Nederland wordt van oudsher geidentificeerd met de windmolen. Watermolens worden niet als "Hollands" erkend. Het aandachtsgebied van monumentenorganisaties was dan ook met name gericht op die windmolen. De laatste jaren komt de watermolen meer in de belangstelling. Men realiseert zich dat deze deel uitmaakt van ons cultureel erfgoed, maar toch blijyen het kwetsbare monumenten. Kwetsbaar ten opzichte van hun aandrijfbron, bestemming en ontwikkeling. Het blijft dan ook zaak om de watermolen en zijn omgeving nauwlettend in de gaten te houden.

Zoals de naam al aangeeft is de watermolen afhankelijk van water, en juist dat water blijkt soms ook de oorzaak van zijn verdwijnen te zijn. In deze eeuw zijn het met name de waterschappen geweest die op roekeloze wijze stuw- en waterrechten hebben afgekocht. De molens werden als een hinderlijke

sta-in-de-weg ervaren en dienden dan ook met aile mogelijke middelen te worden bestreden. De sluiswerken verdwenen en de molens werden afgebroken of kwamen in het beste geval op het droge te liggen. Een molen zonderwater is echter geen molen meer. Het is slechts een relict uit een (ver) verleden, dat zijn krachtbron heeft verloren en nooit meer kan functioneren. Het is daarom zaak om de waterhuishouding van de molen, die soms vele kilometers stroomopwaarts al begint, goed in de gaten te houden.

Een ander gevaarschool (enschuilt) in de ontwikkeling van de watermolen. Nog meer dan de windmolen heeft de watermolen zich in sommige streken verder ontwikkeld; de molen is om zo te zeggen met zijn tijd meegegaan. Dit had met name in zuidelijk Nederland tot gevolg dat de molenaar het houten gaande werk verving door een gietijzeren. Soms ook werd het waterrad vervangen door een turbine. Verder ziet men ook weI dat watermolens uitdijden tot fabriekachtige complexen. Ontwikkelingen die de watermolen een ander aanzicht gaven dan soms de sprookjesachtige, veel bezongen en geschilderde watermolens uit de 18e en 1ge eeuw. Juist die ontwikkeling van de watermolen maakt de geschiedenis van het monument zo interessaul. We kunnen aan de hand van de molen als het ware teruggaan in de tijd en stap voor stap bij onze voorvaderen bekijken hoe zij de watermolen konden aanpassen aan de veranderende tijd. Het is daarom ook zaak om deze ontwikkeling te conserveren. Het ongebreideld wijzigen van constructies, zoals het "terugrestaureren" van turbines naar waterraderen, het wijzigen van gebouwen of het slopen van industriele complexen en motormaalderijen dienen dan ook te worden bestreden.

PER PROVINCIE BEKEKEN

Overijssel

Overijssel bestond vanouds uit drie verschillende bestuurlijke

eenheden: Twente, Salland en Het Land van Vollenhhove, ofweI de Kop van Overijssel, Uit de historie is in laatstgenoemd gebied slechts een enkele watermolen bekend: bij Steenwijk. In Salland heeft ooit een vijftiental watermolens gedraaid, Daarvan is niets meer over. De laatste verdween in het begin van deze eeuw: de oude IJzermolen te Deventer. De ongeveer 75 watermolens die Twente ooit heeft gekend, hebben niet aile tegelijkertijd bestaan. Veel verdwenen al in de middeleeuwen, vaak doordat voor aanleg van een grote, nieuwe molen waterlopen dusdanig werden verlegd, dat andere molens droog kwamen te liggen.

Oorlogsgeweld, zoals tijdens de Tachtigjarige Oorlog, verwoestte veel molens. Bij het droger worden van het klimaat werden veel watermolens vervangen door windmolens, vooral in de 18e eeuw. Ontginningen in de 1ge eeuw legden vele natte gronden droog en ontnamen de molens hun water. Tegenwoordig zijn er nog elfwatermolens over, waarvan er negen zijn gerestaureerd en geregeld in werking zijn. De twee andere zijn "molenhuisjes", waarvan het eigenlijke molengedeelte is afgebroken.

Het noordelijke, heuvelachtige gebied van Twente is het land van de kleine bovenslagmolens. Hier ontstond in de 18e eeuw een bescheiden papierindustrie, die uiteindelijk in 1884 in haar geheel naar Wapenveld op de Veluwe verhuisde. Juist vee! van deze kleine molens waren echte "boerenmolens", aan geen molen- of waterrecht onderworpen. Ook "molendwang", de plicht van omwonenden om op een bepaalde molen te laten malen, was, net als in geheel Overijssel, onbekend. In de vlakkere streken van Twente waren en zijn aileen onderslagmolens te vinden. Enkele ervan, zoals te Haaksbergen, Hengelo en Markve!de, hadden ook een bovenslagrad. Dat kon worden gebruikt in droge tijden, wanneer er voor de onderslagraderen te weinig water was.

Gelderland

Drie duidelijk onderscheiden delen van Gelderland, namelijk de Veluwe, de Achterhoek (Graafschap) met de Liemers, en de Betuwe, hebben elk een eigen watermolengeschiedenis. Van de Betuwe is dit een geschiedenis van hoofdzakelijk schipmolens, terwijl in het ten oosten daarvan liggende Rijk van Nijmegen een aantal kleine bovenslagmolens lag, onder andere te Beek. De heuvelachtige Veluwe had, op weinig uitzonderingen na, bovenslagmolens. De Achterhoek was en is het land van onderslagmolens; aileen in Montfer/and stond een kleine bovenslagmolen. De onderslagmolens op de Veluwe, vrijwel aile van middeleeuwse oorsprong, stonden aan de brede beken in de IJsselvallei. Na 1600 werd bij Barneveld een vijftal onderslagmolens gebouwd. De opkomst en de explosieve groei van de papierindustrie, waarvoor het schone Veluwse beekwater zo bij uitstek geschikt was, hebben geleid tot het uitbreiden van bestaande beken en het graven van geheel nieuwe "beken" door middel van talloze nieuw gegraven bronnen, "sprengen" genoemd. Dit vond plaats tussen 1600 en 1800; de laatste werden gegraven te Laag-Soeren.

In de loop van de 18e eeuw bleven de Veluwse papiermolens achter bij de gemoderniseerde Hollandse bedrijven en kwijnden weg. Na 1870 gingen veel papiermakers over op een nieuwe industrie: de wasserij. Ret weinig geaccidenteerde gebied van de Achterhoek he eft desondanks zeker 75 watermolens gekend, maar waarschijnlijk meer. Ret recente veldnamenonderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd voor meer molenplaatsen. Deze molens stonden er niet aile tegelijkertijd. De doorgraving vande Berkel vanafEibergen in de 16e eeuw en de bouw van de grote molens in Borculo heeft zeker vijf watermolens doen verdwijnen. Talloze oorlogen richtten ook onder de molens grote schade aan. De ontginningen in de 1ge eeuw hebben veel molens het bestaan onmogelijk gemaakt. Thans zijn er nog acht te vinden, het molengebouwtje in Montferland meegerekend. Van deze molens zijn er drie

zonder molenwerk, vier zijn gerestaureerd en maalvaardig, een is sterk vervallen.

Noord-Brabant

Binnen de huidige grenzen van de provincie Noord-Brabant komen thans maar acht complete watermolens voor: in Eindhoven (twee), Oploo, Nederwetten, Opwetten, Oirschot, Valkenswaard en Dommelen. Vroeger waren ze in de hele provincie te vinden. De laatste Westbrabantse watermolen stond in Roosendaal op de Molenbeek. De laatste restanten verdwenen helaas in de jaren zestig. Behalve complete watermolens bezit Noord-Brabant ook nog enkele belangrijke restanten. Zo staat er in Steensel een "kanalisatieslachtoffer", waarvan het rad nog aanwezig is, evenals het houten gaande werk. In Bergen op Zoom is aan de haven nog het complete gebouw van een eeuwenoude getijdemolen te vinden. Een grondige opknapbeurt van dit unieke monument is hoognodig. Verderis NoordBrabant ook nog een restant van een watervluchtmolen te Beugt rijk. Ret gebouw van de watermolen alsmede de afgeknotte molenromp vormen hier een ontluisterde herinnering. Doordat de watermolen in de hele provincie Noord-Brabant voorkwam is het moeilijk voor deze langgerekte provincie een typering te geven. Stenen molens kwamen in heel de provincie voor. Wei bleven in het oosten de molens in hout uitgevoerd. De geteerde houten molengebouwen zijn kenmerkend voor de molens rondom Eindhoven. Enkele van deze houten molens werden in deze eeuw nog vervangen door stenen gebouwen. Een tweetal voorbeelden kon worden opgenomen. Opmerkelijk in deze provincie is ook dat de gaande werken meestal van hout zijn. De molenstenen worden hier via een spoorwiel aan de bovenzijde aangedreven. Een gietijzeren gaande werk kwam voor in de verdwenen watermolen van Roosendaal.

In het oosten van Brabant zien we opvallend veel dubbele molens: aan beide zijden van de beek staat een gebouw met een of meer raderen. De functie van een van de gebouwen was

meestal die van korenmolen, de ander meestal van olie- of volmolen. Soms kwamen meer functies voor.

Limburg

Gezien de vorm van het landschap is deze provincie van Nederland wei het meest geschikt voor het vestigen van watermolens. Natuurlijke waterlopen zijn er in aile maten: van zeer klein tot behoorlijk groot. Bovendien is er vrijwel altijd het onontbeerlijke verval.

Het maximale aantal ooit aanwezig geweeste molens ligt bij benadering waarschijnlijk tussen 200 en 300. In 1957 waren het er nog slechts 107, waarvan 57 nog op waterkracht werkten. Momenteel zijn deze aantallen gereduceerd tot 50 a 60%. Dit is afhankelijk van wat men als definitie van een watermolen aanhoudt.

De heel oude watermolens waren van hout gebouwd. Hiervan rest niets meer. De laatste sneuvelden in de jaren dertig. Uiteraard waren deze houten molens voorzien van (houten) raden. Deze werden door stalen raden en door turbines vervangen. Nergens in Nederland gebeurde dit op zo uitgebreide schaal als in Limburg. De eerste werd in 1879 geplaatst. De drie laatste in 1931, afgezien van nog een nakomertje in 1939 en een overplaatsing in 1950. Uiteindelijk waren er minstens veertig geturbiniseerde molens.

Een grote, indirecte dreiging ging uit van de mijnbouw: schitterende laaglandbeken werden open afvoergoten voor kolenslib, dat de flora en fauna erin uitmoordde. Mijnzakkingen verwoestten de molengebouwen!

In 1839, bij de vaststelling van de grens tussen Limburg en Pruissen, werden diverse molens "verscheurd": Rimburg, Millen en Ieshovel (Gennep). Bij deze laatste woonde de mulder aan de "verkeerde" kant. De nieuwe situatie bleek op den duur niet echt bevorderlijk voor de ontwikkeling van de molens.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd onder andere de Sint

Elisabethsmolen te Haelen vernield. De rume is nog te aanschouwen. De molen van Arcen is gelukkig herrezen. Afgezien van de traditionele nijverheden werd er vroeger in de Muggemolen te Eijsdenzinkerts vermalen. De meest moderne toepassing van hydro-energie is de omzetting in elektrische in molens te Eijsden, Meerssen en Wijlre.

Verantwoording

Zoals reeds aangegeven gingen aile voorgaande oude ansichtenboekjes over windmolens. Wei was in een enkel boekje een aantal afbeeldingen opgenornen van watermolens. Als liefhebbers van watermolens meenden wij in deze lacune te moe ten voorzien door een titel geheel aan watermolens te wijden. Wij hopen daarmee aan een behoefte te voldoen en de interesse voor, alsmede de studie van de waterrnolen te bevorderen. Het belangrijkste van deze publikatie zijn natuurlijk de afbeeldingen. Door de auteurs is getracht om zoveel mogelijk origineel ansichtkaartmateriaal op te nemen. Slechts in een enkel geval is gekozen voor een foto. Bijna aile afbeeldingen komen uit de collecties van de auteurs. Waar dat niet het geval is, is dat aangegeven. De datering van bijna aile prentbriefkaarten ligt voor 1940. Gezien de afstempeling is het oprnerkelijk dat veel opgenomen afbeeldingen uit het eerste decennium van deze eeuw stammen. De afbeelding zal soms uit de vorige eeuw zijn. Bij het selecteren van de opgenomen kaarten werden we ernstig beperkt door een eis die we onszelf stelden. Er is gepoogd om doublures met andere ansichtenboekjes en de bekende watermolenboeken te vermijden. De bijschriften bij de afbeeldingen zijn ontleend aan eigen notities, die verkregen zijn aan de hand van gesprekken en archiefonderzoek. Als aanvulling werd ook gebruik gemaakt van de op pagina 2 vermelde titels.

OVERIJSSEL

1. DELDEN (AMBT), Deldener Es. De Noordmolen, een oliemolen op het welbekende landgoed Twickel, stond meer dan een halve eeuw onttakeld en levenloos aan de vervuilde Azelose beek. Gelukkig kwam in de afgelopen jaren hieraan een einde: het water is weer helder en sinds 1990 is de oliemolen hersteld en bedrijfsvaardig, Oorspronkelijk was het een dubbele molen. Tot ongeveer 1820 stond op de andere beekoever de korenmolen. De oliemolen werd tegen het eind van de 1ge eeuw stilgelegd. In 1917 werd het gebouw hersteld en het restant van het waterrad weggebroken. Het oliewerk bleef liggen, prijsgegeven aan de houtworm. Toch was het, hoe vergaan ook, geheel compleet toen de restauratie begon, zodat het getrouw kon worden nagebouwd. Aileen de grote wentelas was nog bruikbaar. Vanaf de oudste verrnelding, in 1347, heeft de molen altijd tot het landgoed Twickel behoord.

WaterIPolen

2. DENEKAMP. Het grate molencomplex op het landgoed Singraven vormt nog altijd een belangrijke toeristische trekpleister in Twente. De geschiedenis ervan begint met de oudste vermelding in 1448. Verschillende opeenvolgende geslachten zijn eigenaren geweest, onder wie de graven van Bentheim (1516-1651). Een aantal gedenkstenen in de kaden boven de molenstuw, gedateerd 1544-1922, iJIustreert de geschiedenis. Na de Bentheims kwamen de Sioets, die meer dan een eeuw met hen procedeerden over aflossing van schulden, ontstaan door oorlogsschade. De kosten hiervan moeten ze hebben bestreden uit houtkap op het landgoed. Dat zou ook de verklaring kunnen zijn van het feit dat 17e-eeuwse kunstenaars als Ruisdael en Hobbema zander uitzondering een langgerekt (houtzaag?) watermolentje afbeeldden aan de huidige omvloed en waarvan verder geen historisch gegeven bekend is.

Denekamp

3. DENEKAMP. Het is een indrukwekkend gezieht, als aile raderen op Singraven draaien. De enorme kraeht is voor vele doeleinden benut. Er werd graan gemalen en olie geslagen; in 1733 was er een "Cooper Molen", van 1732 tot 1826 een jeneverstokerij; steeds ook was er een pelmolen en omstreeks 1890 kwam in het reehter gebouw een houtzagerij. Pel- en oliemolen staakten hun werk al voor 1900. Stroomopwekking werd nooit een sueees. Maar water was naast "vriend" ook "vijand". Altijd dreigde gevaar van onderspoeling. De vorige foto toont de molen v66r de restauraties in 1920-1927. Bij eontrole was gebleken dat de gebouwen op instorten stonden. Er kwam een zware betonnen fundering en het linker gebouw werd ingekort, zodat het water ruimer doorgang had; het kreeg eehter geen molenfunetie meer. In het reehter gebouw zijn de koren- en de houtzaagmolen nog steeds geregeld in bedrijf.

DEVENTER

Gezieht 'IJzerglmrlJ, "'awn

4. DEVENTER. In 13661iet de stad een watermolen bouwen aan de uitstroming van de stadsgracht. Reeds tien jaarlater moest wegens uitbreiding en versterking van de stad het grachtenpeil verhoogd worden en dus tevens een nieuwe molen gebouwd. Na vele verwoestingen en herbouwingen kwam in 1745 een einde aan die echte , .stads" -molen, toen Hendrik Lindeman deze in erfpacht kreeg. In 1756 begon hij met de bouw van een ijzermolen, waarin ook een volmoJen werd ingericht, links van de Schipbeek; rechts lag tot het midden van de 1ge eeuw een korenmoJen. De "IJzerhut" groeide uit tot een groot bedrijf, sinds 1850 "Firma J.L. Nering Bogel & Co.". Bij uitbreidingen, onder andere in 1880, bleef waterkracht gehandhaafd. De foto toont de wirwar van gebouwen waartussen het rad draaide, met de poort waardoor het water uitstroomde in de haven. In 1908 werd het laatste waterrad weggebroken.

Watermolenjbf Diepenheim. ,

/

,

UITGAV! J. H. 00"'5. OIEP£NMEtM ~{; J

NO 1654. 'f u l-

5. DIEPENHEIM. Als laatste van de Twentse molens staat de molen "Den Haller" nog steeds op palen. Een stamkroniek van het Huis Diepenheim vermeldt een zekere Wolbertus van Diepenheim, onder andere bekend in een oorkonde van 1169, die hof hield "op syn Castrum beneven de Watermoele liggende". De eerste echte vermelding van de molen staat in een grensbeschrijving van 1224. Van de 17e eeuw tot 1870 was de stad Deventer eigenaar, daarna Jan Hailers (vandaar de molennaam), die hem overdroeg aan L.H. graaf Schimmelpenninck van het Nijenhuis. Hij schonk in 1912 de molen aan de stad Diepenheim met een fonds vanf 4000 met de bepaling dat de stad de molen altijd in werking moest houden. En, behoudens een korte periode in de jaren zeventig, houdt de stad zich hier voorbeeldig aan. Het aanleunende motorgebouwtje rechts is bij een restauratie onder een kap met de molen gebracht.

6. DIEPENHEIM, Markvelde. Ten zuidoosten van de Diepenheimse molen lag tot 1912 de Markveldse molen, op de grens tussen Twente en de Gelderse Achterhoek, gevormd door de Schipbeek. Op de Gelderse kant lag tot kort na 1800 de oliemolen. Een probleem was dit niet, want aan be ide zijden had het klooster Ter Hunnepe bij Deventer bezittingen, waaronder de molen. Dit dateerde al van 1225; de molen wordt voor het eerst genoemd in 1257. De molenstuw was een knelpunt in de waterhuishouding. Vooral de boeren van het Gelderse Lochuizen hadden er last van. Zij hadden het recht om op 17 maart de schutten op te halen en een half jaar vast te houden. Bij het ophalen werden ze door de mulder op bier (of nog sterker) onthaald. Vergaten ze dan de schutten mee te nemen, dan was hun recht in dat jaar verspeeld. In 1912 is de molen afgebroken. (Foto Gemeentearchief Diepenheim.)

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2018 Uitgeverij Europese Bibliotheek