Nieuwer-Amstel in oude ansichten

Nieuwer-Amstel in oude ansichten

Auteur
:   C.D. Gast
Gemeente
:   Amstelveen
Provincie
:   Noord-Holland
Land
:   Nederland
ISBN13
:   978-90-288-3931-1
Pagina's
:   144
Prijs
:   EUR 19.95 Incl BTW *

Levertijd: 2 - 3 weken (onder voorbehoud). Het getoonde omslag kan afwijken.

   


Fragmenten uit het boek 'Nieuwer-Amstel in oude ansichten'

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

INLEIDING

Reeds tweemaal eerder verscheen een boekje met oude foto's van de gemeente Amstelveen. In 1966 publiceerde J. Wilhelmus zijn "Amstelveen 1900", in 1975 gevolgd door H. Luyten met het bij uitgever dezes verschenen "Amstelveen in oude ansichten". In beide publikaties lag het accent op het Amstelveen van tussen 1900 en 1920, waarbij betrekkelijk weinig aandacht werd besteed aan het op 1 mei 1896 door Amsterdam geannexeerde grandgebied, dat zich uitstrekt tot op een paar kilometers van de Amsterdamse buitensingels. In de hier voor u liggende uitgave wordt juist aan dit deel der gemeente ruime aandacht (bijna een derde van de foto's) geschonken, hoewel natuurlijk de rest van Amstelveen niet vergeten wordt. De meeste opnamen, gemaakt in het in 1896 geannexeerde gebied, zijn het werk van de Amsterdamse fotograaf Jacob Olie (1834-1905). De herkomst van deze en andere foto's vindt u vermeld op de laatste pagina van dit boekje. In het voorafgaande was sprake van Amstelveen, zoals de gemeente tegenwoordig heet. Deze naam draagt zij echter pas sinds 1 januari 1964. Eeuwenlang was Nieuwer-Amstel de gebruikelijke naam voor de bestuurseenheid. Met Amstelveen bedoelde men dan het oude dorp aan de Poe!. Schrijver dezes houdt in het hierna volgende aan deze oude regel vast, niet alleen omdat zijns inziens de gemeente in de in beeld gebrachte periode (circa 1890-1940) nu eenmaal Nieuwer-Amstel heette, maar ook omdat een niet gering aantal opnamen wordt getoond van gebieden waaraan de naam Amstelveen nooit verbonden is geweest. Toen de gemeente van naam wisselde waren deze delen van Nieuwer-Amstel inmiddels al geannexeerd door Amsterdam. Met Amstelveen wordt in het hiernavolgende dus uitsluitend het oude dorp bedoeld, tenzij uitdrukkelijk sprake is van de huidige gemeente.

Nieuwer-Amstel was in de negentiende eeuw een gemeente met een gespleten karakter. Het noordelijke, aan Amsterdam grenzende deel had het aanzien van een buitengebied van de grate stad: landelijk, met hier en daar bebouwing en nogal wat industrie. Verder naar het zuiden was er het weidse polderlandschap, waar naast veeteelt ook aan turfwinning werd gedaan. Het dorp Amstelveen, het oude bestuurscentrum van Nieuwer-Amstel waar tot ongeveer 1814 het rechthuis had gestaan, was zijn centrumfunctie al lang kwijtgeraakt en was niet meer dan een knus boerendorp te midden van uitgestrekte weilanden.

Het zwaartepunt van de gemeente lag rand 1880 al meer dan een halve eeuw in het noordelijke gedeelte. Hier stond sinds 1824 het raadhuis en hier woonden de meeste ingezetenen. Toen de industriele revolutie in de jaren zeventig van de vorige eeuw ook in Nederland begon door te breken, steeg als gevolg van de snelle expansie van de hoofdstad ook het zielental der gemeente Nieuwer-Amstel in hoog tempo. De reeds bestaande bebouwing langs de Amstel en langs de Overtoomse Vaart breidde zich uit en er ontstond een villabuurt bij het grotendeels op Nieuwer-Amstels grondgebied aangelegde Vondelpark. De voornamelijk op Amsterdam georienteerde industrie bloeide op en breidde zich uit. Men kan wat dit betreft weI zeggen dat het noordelijke deel der gemeente niet onder maar in de rook van Amsterdam lag. Toch moeten we ons daar ook weer geen al te overdreven voorstelling van vormen. De industriele activiteiten concentreerden zich voornamelijk langs de Kostverlorenvaart en de Amstel. Bovendien ging het meestal om kleine en middelgrote bedrijven. Voor het overige had dit gebied toch nog een landelijk karakter. De onmiddellijk buiten de Amsterdamse grachten gebouwde

wijken gepasseerd hebbend, kwam men omstreeks 1890 op veel punten nog in een onvervalst weidegebied of tussen de tuintjes van groentetelers en bloemenkwekers. Hier lagen typische woonbuurtjes als het Tuinpad en omgeving, de op de Amstel uitkomende paden (Hoedemakerspad, Verwerspad en dergelijke) en de Boerenwetering.

Omdat de groei van de bevolking in het noordelijk deel nogal explosief was, had het gerneentelijk apparaat er aanvankelijk moeite mee de ontwikkelingen bij te benen. Het gevolg was dat het gehele gebied een onsamenhangend karakter vertoonde. De bestaande verbindingen waren in de eerste plaats op Amsterdam gericht en veel minder op de rest van de gemeenteo De afzonderlijke buurten had den weI verbinding over de weg met Amsterdam of met Amstelveen, maar niet rechtstreeks met elkaar. Zo kon men lange tijd niet te voet of per as van de Overtoom naar de Amsteldijk komen zonder een omweg te maken over Amsterdam of - indien men per se op eigen gemeentegrond wilde blijven - via de Kalfjeslaan. Per schuit was het veel eenvoudiger om deze buurten te bereiken. De tuindershuisjes aan de westzijde van de Boerenwetering waren tot het einde van de jaren tachtig van de vorige eeuw voor het grootste deel niet anders dan over het water bereikbaar en de her en der gelegen scheepswerfjes waar de groentebootjes werden gernaakt en opgeknapt, voorzagen zeker in een behoefte.

Het gemeentebestuur wenste de samenhang tussen de diverse woonkernen te bevorderen en wilde vooral de bewoners van het Willemsparkkwartier, waar veel nota belen woonden, de mogelijkheid bieden om per rijtuig en uitsluitend over eigen gemeentegrond de Amsteldijk te bereiken, waar het raadhuis stond. Daarom werd in de jaren 1886-1894 de zogenaamde

Verbindingsweg aangelegd. Deze weg bestond uit het traject Alexander Boersstraat-Jan Willem Brouwersstraat-Van Baerlestraat-Roelof Hartstraat-Rustenburgerstraat en verbond aldus de Parkweg (nu Willemsparkweg) met de Amsteldijk. De rechtstreekse aansluiting Roelof Hartstraat-Rustenburgerstraat, die tegenwoordig niet meer bestaat, was mogelijk door een iets zuidelijker verloop van eerstgenoemde straat en een nu niet meer bestaande ijzeren brug over de Boerenwetering. Men hoopte dat zich langs deze verbindingsweg woonbuurten zouden vormen, zodat een minder op Amsterdam gericht stratenpatroon zou ontstaan.

Inmiddels waren in Amsterdam stemmen opgegaan om het grondgebied van de stad te doen vergroten ten koste van de buurgemeenten. Op deze manier konden de uitbreidingen, die nu voor een deel op het gebied van aangrenzende gemeenten - vooral op dat van Nieuwer-Amstel - terechtkwamen, binnen de eigen grenzen worden gehouden. Voor een dergelijke annexatie was een wet tot wijziging van de gemeentegrens en dus de medewerking van hogerhand nodig. Die kreeg Amsterdam pas bij de derde poging. Maar dat werd dan ook een wetsontwerp dat veel ingrijpender was dan de twee voorafgaande. Bij wet van 20 maart 1895 werd een groot deel van het grondgebied van de gemeente Nieuwer-Amstel per 1 mei 1896 aan dat van de gemeente Amsterdam toegevoegd. Afbeelding 1 geeft een indruk van de omvang van de annexa tie. Tevens betekende dit dat Nieuwer-Arnstel ruim 30.000 inwoners kwijtraakte en in een klap van een gemengd industrieelagrarische gemeente terugviel tot een plattelandsgemeente van ruim 5400 inwoners.

Het is begrijpelijk dat Nieuwer-Arnstel zich voor het zover was niet zonder meer als een mak schaap naar de slachtbank

had laten leiden. Hoewel er aanvankelijk wei enige bereidheid tot een compromis bij het gemeentebestuur viel te beluisteren, veranderde deze houding toen de annexatievoorstellen ingrijpender werden. Men ging zich steeds meer tegen Amsterdam afzetten. Naast het gemeentebestuur onder leiding van burgemeester Alexander Boers en onder diens opvolger H.P.C.W.H.J.B. van Son streden diverse prominente inwoners van Nieuwer-Amstel, onder wie de destijds landelijk bekende Bovenkerkse pastoor Jan Willem Brouwers, publicist en oudredacteur van "De 'I'ijd", voor behoud van het noordelijk deel der gemeente. De annexatiekwestie maakte heel wat emoties los, getuige de talloze stekelige artikelen en spotprenten in de pers. De pogingen van Nieuwer-Amstel om zich als een volwaardige gemeente te presenteren, die - zoals haar bestuurders meenden - heel goed in staat was om de problemen op te lossen die Amsterdam dacht beter te kunnen aanpakken, maakten echter onvoldoende indruk op minister Van Houten en het parlement.

Wat Nieuwer-Amstel, behalve 30.000 inwoners en een groot gebied, nog meer kwijtraakte, was om te beginnen het gloednieuwe raadhuis aan de Amsteldijk, dat zo uitdagend pal tegen de grens van Amsterdam stond. Pijnlijk was ook het verlies van al die voorzieningen die in de laatste jaren waren opgebouwd, juist om de voorstanders van annexatie de wind uit de zeilen te nemen: de gasfabriek van de Imperial Gaz Association aan de Oetewalerweg (nu Linnaeusstraat), de beroepsbrandweer, het politiekorps van tweeenveertig man, de bronwaterleiding Hilversum-Nieuwer-Amstel met de watertoren aan de Amsteldijk, de HBS onder leiding van dr. H. Blink en de dienst Publieke Werken.

Het Nieuwer-Arnstelse gemeentebestuur trok zich terug op

Amstelveen waar het, totdat het nieuwe raadhuis aan de Dorpsstraat klaar was, voorlopig vergaderde in cafe "Het dorstige Hert". ABe voorzieningen moesten in een klap worden teruggebracht tot dorpsniveau. Kort na 1896 tolde het politiekorps niet meer dan een brigadier en een veldwachter, die bijgestaan werden door dertien nachtwakers (li f 1,- per nacht) en werd de dienst Publieke Werken vervangen door de technische adviseur Leo van der Bijl, die pas in 1907 officieel tot gemeenteopzichter werd benoemd.

In de rustige, maar ondanks het gebiedsverlies toch nog uitgestrekte gemeente van rond de eeuwwisseling was veeteelt de voornaamste bron van inkomsten, al was de turfwinning in de Middelpolder en in de Rietwijkeroord (nu het Amsterdamse Bos) ook nog wei van betekenis. Ook de tuinbouw begon langzaam op te komen. Hoewel het transport over water voorlopig nog belangrijk bleef - pas in 1935 daalde de in tensiteit van het scheepvaartverkeer op de Amstel - ging het verkeer over de weg een steeds grotere rol spelen. In 1910 verdwenen de tollen van het heemraadschap van de Amstel en Nieuwer-Amstel en nam de gemeente het onderhoud van de wegen over. Nog belangrijker was dat op 1 mei 1915 de eerste, feestelijk versierde trein van de pas aangelegde spoorlijn Uithoorn-Amsterdarn (met een zijtak vanaf Aalsmeer) het nieuwe station van Amstelveen binnentufte. In de daaropvolgende jaren bleek deze verbinding, getuige de stijgende kaartverkoop en het groeiende goederenaanbod, een succes.

Dit was niet het enige teken van vooruitgang in de gemeente. AI in 1915 stichtte de woningbouwvereniging "Amstelland" een complex van vierentwintig arbeiderswoningen op het Heilige Land bij het dorp Amstelveen. Dit werd met latere uitbreidingen de buurt van het Smedemanplein en omgeving.

Het had er alles van dat Nieuwer-Amstel ontwaakte uit de verdoving waarin het na de klap van 1896 leek te zijn weggezonken. Was deze ontwikkeling al aan het eind van de ambtsperiode van burgemeester Van Son aan de gang, zij zette pas goed door na de intrede van diens opvolger Arie Colijn, een broer van de bekende minister-president. Colijn en zijn medebestuurders streefden ernaar van Nieuwer-Amstel een aantrekkelijke forensengemeente te maken. Na de Eerste Wereldoorlog, die ook in Nieuwer-Amstel stagnatie en schaarste bracht, ging dit beleid pas goed vruchten afwerpen. Het zielental der gemeente gaf weer forse stijgingen te zien en het zou in de jaren twintig ongetwijfeld hoger zijn geweest als Nieuwer-Amstel niet opnieuw door een tegenslag zou zijn getroffen. In 1921 moest weer een deel van het grondgebied aan Amsterdam worden overgedragen. Hoewel het ook deze keer een vrij grote oppervlakte betrof - het gebied waarin nu de wijk Amsterdam-Buitenveldert ligt - viel de schade toch nog mee. Het aantal ingezetenen dat bij deze gelegenheid verloren ging, bedroeg "slechts" 1390 van de 8180. Op de annexatie volgde een spoedig herstel: reeds in hetzelfde jaar waren er weer bouwactiviteiten op wat grotere schaal te melden. Op 17 augustus 1921 werd de eerste steen gelegd van een complex van eenenvijftig arbeiderswoningen aan de Amsterdamseweg van de in 1920 opgerichte woningbouwvereniging "Patrimonium".

Gestimuleerd door gemeentelijke uitbreidingsplannen en rijkspremies, begonnen in de jaren twintig ook particuliere bouwers activiteiten te ontwikkelen op wat grotere schaal, al ging het - althans naar de huidige verhoudingen - nog om kleine aanzetten tot de nu nog bestaande vooroorlogse woonwijken. In 1922 liet N.F. Coorengel de Heemraadschapslaan

aanleggen en zette er, in sam en werking met de bouwondernemers Van der Kroon en Schaefer, tweeendertig woningen neer. Twee jaar later bouwde de N.V. Tuindorp de eerste negenentwintig woningen in de oudste straten van de tegenwoordige wijk Elsrijk: Wolfert van Borsselenweg, Jan Benninghstraat, Bergenvaardersstraat, Van der Ghiessenstraat en Jan Huddestraat. In 1926 volgde de N.V. Randwijck met de eerste woningen aan de Catharina van Clevelaan en in 1927 de N.V. Kennemer III met woningen in de Berkenrode- en Boekenrodelaan, de Laan van Bloemenhove, de Bos- en Vaartlaan en het Catharina van Clevepark. Het complex woningen aan het Nassaupark, het Julianapark en het aangrenzende deel van de Amsterdamseweg had een jaar eerder al vorm gekregen. Nog lange tijd heette de Amsterdamseweg daar Loopveld, een naam ontleend aan de N. V. Loopveld, de bouwer van deze woningen. Ten slotte werden in 1926 de eerste huizen neergezet in het Keizer Karelpark. De exploitatie van deze wijk was in hand en van twee ondernemingen: de N.V. Amstelklei en de N.V. De Witte Stad, namen die veel Amstelveners nu nog bekend in de oren zullen klinken. De jaren dertig gaven vooral in de tweede helft van dat decennium nog meer particuliere bouwactiviteiten in de gemeente Nieuwer-Arnstel te zien dan in de voorafgaande tien jaren. Randwijck, Elsrijk en het Keizer Karelpark werden aanzienlijk uitgebreid, hetgeen te merken was aan het inwonertal van de gemeente, dat in 1940al tot 18.046 was opgelopen, terwijl het in 1935 nog 14.713 bedroeg, een stijging van ruim 22,5 procent.

Het aanzien van de gemeente veranderde door dit alles natuurlijk ingrijpend. Nieuwer-Amstel werd een echte forensengemeente, met de typische, ook in andere plaatsen in die

tijd gebouwde tuinwijken, waaraan een architectonische opzet ten grondslag lag. Een duidelijk voorbeeld hiervan is Patrimonium, ontworpen door A. Ingwersen, die ook de bouwmeester van de kweekschool van het Leger des Heils en van de eerder genoemde Loopveldwijk was. Andere in dezelfde stijl bouwende architecten die in die tijd vorm gaven aan de Nieuwer-Amstelse woonwijken waren F. Warners (Randwijck), H. Elte (Keizer Karelpark) en J.e. Brand (Kennemer III-woningen, Randwijck).

Het dorp Amstelveen kreeg in de jaren twintig een facelift. De Stationsstraat werd verbreed en vernieuwd. Het postkantoor, tot voor kort de gemeentelijke afdeling voorlichting herbergend, verrees in 1922 op de oude batterij die daar lag, terwijl aan de overkant twee jaar eerder het belastingkantoor werd gebouwd. Het dorp leefde op door de groei van de woonwijken, vooral ook omdat een belangrijk winkelcentrum elders in de gemeente ontbrak.

In een forensengemeente moet het openbare groen een voorname plaats innemen, zo redeneerde het gemeentebestuur. Daarom werd in 1928 het Wandelpark (nu Broersepark gehe ten) aangelegd, naar ontwerp van tuinarchitect D. Tersteegh. Ook het Amsterdamse plan tot aanleg van een groot bos aan de westzijde van de gemeente Nieuwer-Amstel paste goed in dit beleid. Een meerderheid van de raad van NieuwerAmstel meende echter dat een deel van het zogenaamde Bosplan, namelijk de gronden in de Buitendijkse Buitenveldertse polder, gereserveerd moest blijven voor huizenbouw. Er werden zelfs tegen de zin van burgemeester Colijn stratenplannen voor dit gebied goedgekeurd en bouwvergunningen verleend. Geen wonder dat Amsterdam met veel wantrouwen deze gang van zaken gadesloeg. Een ernstig conflict dreigde, maar uit-

eindelijk liep toch alles toch nog met een sisser af, Slechts enkele inmiddels gebouwde woningen bleven staan, de rest werd afgebroken in ruiI voor een fikse vergoeding voor de bouwers. In 1928 stond niets de aanleg van het Amsterdamse Bos meer in de weg.

Ten westen van deze grote groene long van de hoofdstad was inmiddels de nationale luchthaven Schiphol tot ontwikkeling gekomen, waardoor de forensenfunctie van Nieuwer-Amstel nog versterkt werd. In 1938 dreigde even de opheffing van dit belangrijke vliegveld, maar deze donkere wolk dreef gelukkig over. Zo ging Nieuwer-Amstel, dat in 1900 nog een volkomen agrarische gemeente was, als een flink uit de kluiten van de poldergrond gewassen tuindorp de Tweede Wereldoorlog in.

Ten slotte nog iets over de rangschikking van de foto's. Deze werd gemaakt aan de hand van een denkbeeldige tocht door de gemeente, eerst door het in 1896 geannexeerde gebied en daarna door de rest van Nieuwer-Arnstel. De reis door het noordelijk gedeelte begint in Buitenveldert, gaat vervolgens via de Overtoomse sluis door de tegenwoordig Amsterdamse wijken Dud West, Dud Zuid en Oost en eindigt bij de zuidelijke grens van het gebied aan de Amsteldijk, nabij cafe "Halfweg 't Kalfje". Vervolgens wordt de reis voortgezet vanaf dit cafe via de Amsteldijk tot aan Nes aan de Amstel en vanaf de Ouderkerkerlaan door het dorp Amstelveen naar Bovenkerk. Vandaar gaat het weer terug naar het dorp, om via de Amsterdamseweg, met enkele vanaf deze weg gemaakte zijstappen naar oude en nieuwe lokaties, Buitenveldert weer te bereiken, waar de reis eindigt. Ten slotte volgen dan nog enkele los van deze topografische indeling geplaatste foto's.

I

- .~ ·t~·

:/

f

?.. J..--'o- e .? -i

r ,

r:

,

..?. -,

" .

-,

"

-;;"

1-",::"

"

, ...

r:

H to. II

1. Een kaart van 1894, waarop het in 1896 door Amsterdam geannexeerde gedeelte der gemeente Nieuwer-Arnstel is aangegeven.

2. Drie boerderijen voorbij de kerk van Buitenveldert (in noordelijke riehting) passeerde men rand de eeuwwisseling een van de tollen van het heemraadsehap van de Amstel en Nieuwcr-Amstel. Het tolgeld was bestemd voor het onderhoud van de weg. Aangezien de opbrengst meestal ontoereikend was, wekt het geen verwondering dat er nogal eens klaehten over de toestand der wegen te horen waren.

3. Na de Buitenveldertse tol gepasseerd te zijn, had men ter hoogte van de hofstede "Na druk geluk" deze fraaie terugblik op de Amstelveenseweg met het tolhuis. Links en rechts is te zien hoe weids het landschap toen nog was. De opname dateert van augustus 1896.

4. Een van de fraaie monumentale boerderijen aan de oostzijde van de Amstelveenseweg - aan de westzijde stonden er slechts enkele - was "Ooster-Schinkel", hier op een ongedateerde opname van circa 1900. In 1914 zou de hofstede moeten wijken voor de stedelijke bebouwing aan de Pieter Lastmankade bij het Olympisch Stadion.

:~'<'

..

~ .

,

5. Voor 1 mei 1896, toen de Amstelveenseweg nog in zijn volle lengte tot de gemeente Nieuwer-Arnstcl behoorde, begon de eerste aaneengesloten bebouwing pas bij het Vondelpark. Op deze opname (1890) een nog steeds bestaand rijtje huizen tegenover de ingang van het Vondelpark, met vooraan een remise van de Amsterdamse Omnibus Maatschappij (AOM).

<<  |  <  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  6  |  7  |  8  |  9  |  >  |  >>

Sitemap | Links | Colofon | Privacy | Disclaimer | Leveringsvoorwaarden | © 2009 - 2017 Uitgeverij Europese Bibliotheek